Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Menno Wigman: ‘Poëzie is volstrekt nutteloos’

,,Poëzie is volstrekt nutteloos, niemand vraagt om een gedicht, maar soms lijkt het ineens alsof poëzie wél zin heeft.” De uitspraak is tekenend voor de dichter Menno Wigman (Santpoort, 1966) voor wie poëzie als ademen is maar waarvan hij tegelijk de betrekkelijkheid inziet.

 

Menno Wigman, sinds begin 2012 Stadsdichter van Amsterdam en met zijn jongste bundel ‘Mijn naam is Legioen’ (2012) genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, schreef in 2006 speciaal voor de zevende Nationale Gedichtendag het kleinood ‘De wereld bij avond’. Hieronder het vraaggesprek, januari 2006, naar aanleiding van de kleine bundel waarmee hij toetrad tot het keurkorps van dichters die eerder tekenden voor de speciale gedichtendagbundel: Judith Herzberg, Eva Gerlach, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus, Rutger Kopland en Toon Tellegen.

 

‘Laat duizend bloemen bloeien’

 

,,Ik voelde me zeer vereerd toen ik in mei (2005) werd benaderd”, reageert Menno Wigman. ,,Tegelijk sloeg de paniek toe. Ik schrijf ongeveer tien gedichten per jaar en nu moest ik dat in acht maanden doen. Ik ben nu eenmaal geen veelschrijver als Hugo Claus die de gedichten achteloos uit zijn mouw lijkt te schudden, waarvoor ik dan ook een mateloze bewondering heb. Ik heb dus een beetje boven mijn macht gewerkt, ook al omdat ik met een aantal andere projecten bezig was.”

Ondanks de druk die Wigman voelde, mag het resultaat er zijn. De tien nieuwe gedichten in ‘De wereld bij avond’ bezitten de hoge kwaliteit van de drie bundels waarmee de dichter zijn reputatie vestigde. Menno Wigman is een gerijpt talent dat klassiek getoonzette gedichten schrijft over eigentijdse onderwerpen. Zijn poëzie is verstandelijk, verstaanbaar en doorgaans glashelder. ,,Ik probeer mezelf in mijn gedichten nu steeds meer weg te schrijven door me in andere mensen of andere beroepen te verdiepen. Dat heeft in ‘De wereld bij avond’ geleid tot gedichten over onder andere de glazenwasser, de kernreactor in Petten en het zwembad in Den Dolder. Een gedicht is natuurlijk nooit helemaal autobiografisch. Maar ik wil niet in herhalingen vallen.”

 

Met ‘De wereld bij avond’ brengt hij zijn werk in één klap bij een groot publiek onder de aandacht. Want de Nationale Gedichtendag lééft. Aanvankelijk stonden veel dichters zelf wantrouwend tegenover deze landelijke poëziemanifestatie. De scepsis is gaandeweg verdwenen. Het evenement wordt inmiddels door heel poëzieminnend Nederland omarmd. Dit jaar staat de Gedichtendag in het teken van het Rembrandtjaar en de (schilder)kunst. Wat vindt Wigman zelf van het initiatief? ,,Het is een traditie aan het worden, je ziet dat er overal in het land iets aan gedaan wordt. Het begint steeds meer zijn vruchten af te werpen.”

Poëzie mag zich de laatste jaren sowieso verheugen over de warme aandacht van een tamelijk breed publiek, al wordt er geen bundel meer door verkocht. De Nederlandse poëzie is van wereldniveau wordt wel eens beweerd. Wigman: ,,Dat hoor je inderdaad wel vaker ja, en dan vooral uit de mond van de dichters zelf. Ik vind het lastig om dat te beoordelen. Frankrijk heeft bijvoorbeeld schitterende dichters voortgebracht. Als ik me tot dat land beperk, valt me op dat daar momenteel sprake is van een heel eenkennig soort poëzie, allesbehalve opwindend, wel erg subtiel en secuur, maar niet echt bevlogen. Vergeleken met Frankrijk is onze poëzie nu divers en veel vitaler. Dat is niet altijd zo geweest. In de jaren tachtig zat het potdicht. Daarna is alles opengebroken, met veel voor- en af en toe ook nadelen. Maar goed, laat duizend bloemen bloeien.”

 

‘Er wordt ook veel erbarmelijke poëzie geschreven’

 

Als dichter, bloemlezer en vertaler zuigt Wigman poëzie op als een spons. Hij is een veelvraat. Net als de dichter die ‘zo’n honderdduizend gedichten’ in zich had opgezogen en zich afvroeg: ,,Wanneer men mij opensneed, zouden de verzen / dan als vlinders naar buiten fladderen?”

,,Dat is een prachtig beeld, de gedachte dat elk gedicht dat je gelezen hebt een vlinder is die later misschien uit je buik zou kunnen opfladderen. Al is het zeker niet zo dat poëzie altijd maar prachtig is, dat het alleen maar heerlijk is om gedichten te lezen. Er wordt ook heel veel – als ik zo oneerbiedig mag zijn – onzin en erbarmelijke poëzie geschreven of halfslachtige pogingen daartoe. Mocht er ooit in mij gesneden worden, dan vraag ik mij af of er alleen maar gedichten als vlinders door de snijzaal zouden fladderen. Er is een grote kans dat er net zoveel onbeduidende fruitvliegjes en vervaarlijk zoemendehorzels uit mijn buik zouden kruipen.”

Sinds zijn debuut in 1997 met ”s Zomers stinken alle steden’ kleeft aan Wigman het imago van een zwartromantische dichter, geobsedeerd door de dood. ,,Het is heel moeilijk om van dat imago af te komen. Toen ik debuteerde werd ik vergeleken met Franse decadente dichters uit de 19de eeuw. Ik vrees dat voorlopig als een soort zwarte wolk om mij heen zal blijven hangen. Ik ben misschien ook zo onverstandig geweest om te zeggen dat Baudelaire een van mijn grote voorbeelden is. In zijn eigen tijd heeft eens iemand over Baudelaire gezegd dat hij ‘die vreemde klassieke dichter van niet-klassieke onderwerpen’ is. Dat is interessant. Ik denk dat ik mezelf ook zie als iemand die klassiek dicht maar níet over klassieke onderwerpen. Zo is een thema als de kernreactor in Petten het tegenovergestelde van romantisch.”

 

‘Het is een misverstand te denken dat

je van poëzie verfijnder mens wordt’

 

Wigmans leven staat, of hij het nu leuk vindt of niet, geheel in het teken van poëzie. ,,Laat ik vooropstellen dat het een misverstand is om te denken dat je door het lezen van poëzie een verfijnder of edeler mens wordt. Ik heb lang gedachte dat poëzie niet alleen maar voor verfijnde luiden is of iets waarmee je jezelf geestelijk kon laven, maar dat ze ook iets subversiefs kon hebben. Soms was ik ervan overtuigd dat ik iets opzienbarends of misschien wel angstaanjagends geschreven had. Maar in de praktijk blijkt dat er geen gedicht is waarvan een lezer wakker ligt. Dat komt misschien door de verwachtingen die lezers van het genre hebben, ze zijn voorbereid op de edele gemoedsuiting van de poëet. Volgens mij bestaat er geen gevaarlijke poëzie. Al zijn er natuurlijk wel heel indringende gedichten, zoals ‘Kleine aster’ van Gottfried Benn. Als ik dat lees weet ik dat poëzie wel degelijk universeel en subversief kan zijn.”

 

‘Een verzopen bierbezorger werd op de tafel gehesen.

Iemand had hem een donkerlichtlila aster

tussen de tanden geklemd.

Toen ik vanuit de borstkas

onder de huid

met een lang mes

tong en gehemelte wegsneed,

moet ik haar aangestoten hebben, want ze gleed

in de aangrenzende hersenen.

Ik bedde haar in zijn borstholte

tussen de houtwol

toen hij werd dichtgenaaid.

Drink je dronken in je vaas!

Rust zacht,

kleine aster!”

 

,,Het is een gruwelijk en heel mooi gedicht”, zegt Wigman. ,,Zo zou ik ook wel willen schrijven, maar ja, dat is heel lastig.” Een flauwe, ironische glimlach speelt om zijn lippen. ,,Daar komt bij dat ik geen lijkschouwer ben.”

Menno Wigman logeerde eind 2005 drie maanden lang in het Utrechtse Den Dolder, als ‘writer-in-residence’ in een paviljoen op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve, een inrichting waar de dichter Gerrit Achterberg in 1933 verbleef. ,,Ik ging er allereerst naartoe om de bundel af te ronden, ook omdat het onderwerp mij gedichten zou kunnen opleveren. Ik ben zeer geïnteresseerd in de poëzie van psychiatrische patiënten. Daarbij komt dat ik zelf uit Santpoort kom. Daar was een grote psychiatrische inrichting die inmiddels opgeheven is. Mijn jeugd stond wel erg in kenmerk van die inrichting. Wat daar gebeurde interesseerde me mateloos.”

In die periode heeft hij onder meer een bloemlezing samengesteld met gedichten van psychiatrische patiënten. ,,Ik ging ervan uit dat heel veel gedichten in dossiers bewaard werden, maar dat bleek niet het geval. Veel was allemaal weggegooid. Ik kreeg geen toegang tot de dossiers, al kreeg ik op voorspraak van de directeur wel inzage. Uit mijn onderzoek blijkt dat de poëzie van een aantal landelijk publicerende dichters vaak gekker is dan de poëzie die in de inrichting geschreven wordt. Astrid Lampe en Tonnus Oosterhoff zijn dichters met een gekke knik in hun taalgebruik. Maar zij beheersen de materie. De meeste patiënten beheersen die niet. Dat is niet erg. Voor hen is de nood erg groot om te schrijven over de afzondering, de vernedering, de isolatie en de medicatie. Die mensen lopen met hun ziel onder de arm, hun gedichten móeten geschreven worden en dat levert dan poëzie op die zo ontzettend graag op poëzie wil lijken. Maar grote talenten achter Gerrit Achterberg of Jan Arends ben ik niet tegengekomen.”

 

‘Ik denk dat veel dichters zenuwenlijders zijn’

 

Wigman herkende wel het obsessieve dat psychiatrische patiënten dikwijls eigen is. ,,Ik denk dat veel dichters zenuwenlijders zijn, maar hun eigen neurose kunnen verhelpen of weten te temperen door zichzelf af en toe gelukkig te maken met een gedicht. Ik vind mijzelf niet helemaal gek, maar soms gonzen er de hele dag een of twee zinnen door mijn hoofd. Wat ik nu zeg is gewaagd, maar het horen van stemmen komt ook bij sommige dichters voor. Sommigen zeggen dat een gedicht zichzelf schrijft. Zelf heb ik dat niet, maar het is wel zo dat gedeeltes ontstaan die je niet zo bewust hebt bedacht, alsof je ze op de een of andere manier gedicteerd krijgt.”

,,Ik heb in Den Dolder min of meer mijn jeugd opnieuw beleefd. Ik zag veel gelijkenissen tussen dat dorp en Santpoort. De patiënten die over straat lopen. Dat angstige gevoel op het stationnetje waar soms mensen voor de trein springen. Ik voelde me daar de eerste twee maanden wel senang, gaandeweg moest ik allerlei deadlines afmaken en kreeg ik ook veel bezoek van patiënten. Werd er bijvoorbeeld uit de bijbel voorgelezen door een patiënt die zelf dacht dat hij de zoon van God was en die in mij een volgeling zag. Ik ben nu toch wel blij dat ik weer terug in Amsterdam ben.”

Wigman is verbonden aan de Poule des Doods, een initiatief van de dichter-kunstenaar F. Starik om in Amsterdam de troosteloze begrafenissen waar niemand bij aanwezig is met poëzie op te luisteren. Bij toerbeurt draagt een dichter een speciaal door hem geschreven vers voor de overledene voor. ,,Poëzie is eigenlijk volstrekt nutteloos, niemand vraagt om een gedicht, op een tijdschriftredactie na misschien. Maar in dit specifieke geval lijkt het bijna alsof poëzie wél zin heeft. Niet zozeer voor de overledene, want de dode kan het helaas niet horen. Het is een heel mooi gebaar, door vereenzaamde mensen toe te dekken met een speciaal voor hen geschreven gedicht.”

In zijn bundel ‘Dit is mijn dag’ (2004) staan twee gedichten die Wigman voor De Poule des Doods schreef, waaronder ‘Bij de gemeentekist van mevrouw P.’. ,,Deze mevrouw werd op 31 december ’s ochtends vroeg ter aarde besteld terwijl ze al veel eerder was overleden. Toen dacht ik al: wat een gekke dag en wat een gek tijdstip. Het bleek dat op die manier de kosten van de uitvaart konden worden gedrukt. Het wrange was dat het hier ging om een 83-jarige vrouw met veel kinderen. In het gedicht beschrijf ik haar als een vereenzaamde oude vrouw. Pas na de uitvaart kreeg ik te horen dat de kinderen niets meer met hun moeder te maken wilden hebben, een aantal van hen had hun achternaam zelfs laten wijzigen. Dan ga je toch wel prakkiseren: wat zou daar toch allemaal achter zitten?”

 

Januari 2006

 

Strafwerk

 

Allemaal gedaan, je hebt het allemaal gedaan:

verregend in de rij gestaan, schrift na schrift

met tekst bedekt, je hoofd met breuken

afgemat, plees bekrast en passers stukgesmeten.

Strafregels, riep ik, waarom strafregels?

 

Goed dan. Er was wat hasj, de roes van rood

herinnerde schoolfeesten, meisjesdijen

die een revolutie verspreidden, ze vreemd

en ijl dat je steeds heser ging schrijven.

Strafregels, riep ik, waarom strafregels?

 

Je kwam, heel goed, naar Amsterdam

(en Amsterdam lag open als een vrouw)

en alles wat je schreef werd een gedicht.

Onzin. Dagdroom van een defaitist.

Strafregels, dacht ik, waarom strafregels?

 

Het jaar is jong en straks zit je een leven lang

te schrijven hoe je leeft (en ik wil niet

dat het aan het eind van deze zin regent.

En ik pen door tot hier wat licht doorbreekt.)

Strafregels, riep ik, waarom strafregels?

 

Menno Wigman, uit: ‘De wereld bij avond’, 2006

 

Aan Een Man In De Supermarkt

 

En toen, gifmuze, kroop hij in mijn blik-

een man, klein, dik, met onbemand gezicht

die keek alsof hij Ron of Ruud moest heten.

En alles wat hij dacht was mij bekend:

belasting, voetbal, Emma, missverkiezing,

 

broccoli, koffiefilters – heel zijn mond

een dunne brief vol blanco levensdrift.

En ik was in verwachting van een scheef

gedicht, wou hem haten, kon het niet –

want alles wat hij droomt, dacht ik, droom ik

 

niet beter. Groet, gegroet dus, vale oom

die net zo magisch over lakens droomt.

De rij in, dan naar huis, deurmat, ijskast,

de bank, de oven, later weer die slaap.

Ik ben zo bang dat je niet eens bestaat.

 

Menno Wigman, uit: ‘De wereld bij avond’, 2006

 

Tweeduizendzoveel

 

Tweeduizendzoveel. Nacht. Krant. Lamp.

Zolang je letters leest werkt je verstand.

 

Mijn tv – die niet weet dat ik besta –

bewoont een kamer waar ik alles zie.

 

Zag laatst een leeszaal waar een meisje sliep

en droomde later van bibliotheken

 

waar ieder boek een boekwerk zat te lezen,

Proust om Lenin, Hitler om Warhol geeuwde.

 

Tweeduizendzoveel. Pixels, steeds meer pixels.

De nieuwsdienst pokert met je hoofd.

 

Geloof niet in vrede, geloof in roem,

de driftwaarmee we alles overdoen.

 

En duizend dikke Elvissen maar stralen.

En juichend vaart een oorlogsbodem uit.

 

Te zeggen dat we niks geleerd… (volgt een citaat,

verluchtigd met een woord als god, ras, haat).

 

Menno Wigman, uit: ‘De wereld bij avond’, 2006

UA-37394075-1