Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Milan Kundera’s zelfportret van een speelse geest

In zijn geboorteland Tsjechië is Milan Kundera nog altijd omstreden. Daarbuiten is zijn meesterschap onbetwist en is hij al jarenlang Nobelprijswaardig. Zijn verzamelde essays in ‘Over de romankunst’ lezen als een zelfportret. ‘De mens is iemand die voortgaat in de mist.’

 

Milan Kundera (Brno, 1929) werd wereldberoemd door zijn grote ideeënroman ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’, waarin hij de Praagse Lente in Tsjecho-Slowakije van 1968 op een voetstuk zette, gezien door de ogen van uiteenlopende personages, waaronder een seksverslaafde arts die door zijn eigengereidheid eindigt als glazenwasser.

De romantitel is bekender en groter geworden dan de schrijver zelf. Er is eindeloos op gevarieerd, van de ondraaglijke lichtheid van de liefde, van het ‘ik’, van onze dromen, van ons parlement en van een handtekening tot de ondraaglijke lichtheid van de moraal en de zeden. Het boek kreeg sinds 1984 meer dan dertig Nederlandse drukken. Met dank ook aan de succesvolle verfilming die Philip Kaufman in 1988 maakte onder de titel ‘The unbearable lightness of being’, die overigens door zijn kitscherige beeldtaal een bleke en onwaardige afspiegeling van het boek is.

Milan Kundera staat als schrijver in de traditie van grote Europese namen als Franz Kafka en Thomas Mann. Twee jaar geleden verscheen zijn door hemzelf erkende oeuvre in de befaamde Bibliothèque de la Pléiade. Het zegt iets over de status van de schrijver, die zijn laatste romans en essays in het Frans schreef. Het is een zeldzaamheid dat het werk van een auteur nog bij zijn leven in die gewichtige Franse reeks verschijnt.

Willem Frederik Hermans

Die enorme status werpt ook voor andere schrijvers vruchten af. Jaren geleden verscheen in Kundera’s tweede vaderland Frankrijk ‘De donkere kamer van Damokles’. De Franse vertaling van Willem Frederik Hermans’ meesterwerk bleef onopgemerkt, totdat Kundera door een Nederlandse vriend erop werd geattendeerd. Hij las het boek, was met stomheid geslagen en schreef er een euforische bespreking over, waardoor het werk van Hermans nu ook in Frankrijk weerklank vindt.

Over ‘De donkere kamer’ is sinds zijn verschijning in 1958 veel gezegd en geschreven. Bij ons verwierf het boek dankzij de campagne Nederland Leest! onlangs een grote schare nieuwe lezers. In zijn stuk, opgenomen in ‘Over de romankunst’, noemt Kundera het ‘een onwaarschijnlijk rijke roman’ die ook nog eens ‘razend spannend’ is.

Voor Kundera is een roman pas geslaagd als deze een menselijk facet belicht zoals dat niet eerder is gedaan. Alsof een straal zonlicht zo valt dat alles nieuw wordt. En dat is wat ‘De donkere kamer van Damokles’ doet: een niet eerder beschreven aspect van de oorlog uitlichten op een manier die zijn gelijke niet kent.

En Kundera weet waar hij het over heeft. Zijn geboorteland Tsjechië (voordien een deel van Tsjecho-Slowakije) ging jarenlang gebukt onder een bezettingsmacht. In zijn jeugd werd zijn land bezet door de Duitsers en de Sovjet-Russen. Daarna de waren de communisten aan de macht die aan de leiband van de USSR liepen. Vanaf zijn romandebuut ‘De grap’ (1967) werden zijn boeken vaak gelezen als een aanklacht tegen het communisme. Niet vreemd. Kundera was in zijn jonge jaren een actieve communist, al nam hij weldra afstand van die overtuiging waarover hij uitvoerig schreef in ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’ (1978). De schrijver zelf bleef erop hameren dat hij ‘een roman schreef en niets anders dan een roman’. Kundera ziet het schrijven van zijn romans niet als een manier om te ontsnappen aan het systeem, maar juist als een vorm van verzet. De communisten deden zijn werk in de ban, waarna hij in 1975 met zijn vrouw naar Parijs vluchtte. De moeizame relatie tot zijn geboorteland Tsjechië kreeg enkele jaren geleden opnieuw een knauw toen werd ‘onthuld’ dat de jonge Kundera een geheimagent zou hebben verklikt. Hij ontkende, bewijs ontbreekt, maar de toon was gezet.

Een icoon

Kundera werd sinds ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ beschouwd als het icoon van het verzet tegen het communisme. Maar hij schrijft allesbehalve ‘politieke’ boeken, eerder het tegendeel. Voor hem is een roman geen bekentenis van de schrijver, maar een onderzoek ‘naar het menselijk leven in de val die de wereld is geworden’. En die ‘val’ is dat ‘je wordt geboren zonder erom te vragen, opgesloten in een lichaam dat je niet hebt gekozen en dat je tot sterven bent gedoemd.’ In Kundera’s visie is de roman de enige kunstvorm die in staat is om álle facetten van het menselijk bestaan te verkennen: ‘De enige bestaansreden van de roman is te zeggen wat alleen de roman zeggen kan.’

In zijn roman ‘Onsterfelijkheid’ jongleert hij met nog treffender definities, waarin hij terloops de mislukte verfilming van zijn bekendste werk hekelt: ‘Omdat het essentiële van een roman juist ligt in wat je niet anders kan zeggen dan door een roman, blijft in elke bewerking alleen het niet essentiële over. Elke idioot die vandaag de dag nog romans schrijft, moet ze zo schrijven dat ze nooit kunnen worden bewerkt, met andere woorden: dat ze niet kunnen worden naverteld.’

Als de roman al een kwijnend bestaan zou leiden, heeft dat niet met de roman zelf te maken, eerder met het verdwijnen van zijn lezers. Of, zoals Kundera schrijft: ‘Als de roman werkelijk tot verdwijnen gedoemd is, komt dat niet doordat hij aan het einde van zijn krachten is, maar doordat hij zich bevindt in een wereld die de zijne niet meer is.’

Bespiegelingen

Kundera noemt zichzelf geen (roman)schrijver, maar nadrukkelijk romancier. En de romancier is ook in de essays in ‘Over de romankunst’ nooit ver weg. Zoals er in zijn romans veel bespiegeld wordt maar vrijwel altijd in de context van zijn personages, zo zit er in zijn essays een sterk verhalende lijn. En als hij zich dreigt te verliezen in bespiegelingen, volgt er altijd wel een verrassend beeld of spitse formulering die Kundera tot een uniek schrijver maakt. Hij heeft een aparte hand van schrijven die je meteen herkent, zoals je het werk van elke grote schrijver meteen herkent.

Kundera’s verzamelde essays vormen een even wijs als boeiend leesavontuur door de geschiedenis van de romankunst (van Cervantes en Rabelais tot Mann en Rushdie en García Márquez) die de Tsjechische Fransman spiegelt aan de (duizendjarige) geschiedenis van de klassieke muziek. Eigenlijk wil Kundera zeggen: wie de grote romans uit hun tijd leest, volgt het spoor van de geschiedenis en dus van de mens. Alles wat je over hem wilt weten tref je daarin aan.

Kundera’s boek leest tegelijk als het zelfportret van een speelse geest, een beheerst stilist en een dartele denker. Het geeft inzicht in zijn eigen veelstemmige romans, waarin de ernst en speelsheid – of het komische – moeiteloos samengaan. Humor is immers ‘de roes van de betrekkelijkheid van al het menselijke’. Tijdens het lezen van zijn essays krijg je als vanzelf weer zin om naar zijn altijd onderhoudende romans te grijpen, met ‘Het boek van de lach en de vergetelheid’ (1978) en ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ als bekendste titels, en ‘De grap’ (1967) en ‘Onsterfelijkheid’ (1990) misschien wel als zijn beste boeken.

Popmuziek

Kundera is opgeleid als musicus, hij schreef in het begin van zijn carrière klassieke composities. Het verklaart de vernuftige structuur van zijn romans. Al blijft het opmerkelijk dat een scherpzinnig en erudiet man, die iedereen verafschuwt die generaliseert of zich ondeskundig een oordeel aanmatigt, zich zo gemakzuchtig afzet tegen alles wat met popmuziek te maken heeft.

In andere kunstdisciplines verstaat hij wel de kunst van het bewonderen. Een van zijn grote voorbeelden is Kafka. Niet vreemd voor iemand die zelf jarenlang in een kafkaësk labyrint opgesloten zat voordat hij daaruit ontsnapte en zich in Frankrijk kon vestigen. In dat doolhof vallen privésfeer en openbare ruimte samen. Dat is volgens Kundera het prototype van ‘een totalitaire staat die in feite niets anders dan een gigantische administratie is: aangezien al het werk er onder staatsbeheer valt, zijn de mensen er in alle beroepen bedienden geworden.’ De staat die alles weet van zijn burgers. Het geeft te denken in een digitaal tijdperk, waarin privé en publiek steeds meer met elkaar vervlochten raken.

Kundera zet wel vraagtekens bij de fanatieke, zo niet heilige verering van Kafka, mede gestimuleerd door diens vriend en ‘ontdekker’ Max Brod. Die leidde ertoe dat de schrijver Kafka ondergeschikt raakte aan de persoon Kafka, die vaak is weggezet als een sociaal onhandige man die zich geen raad wist met vrouwen. Kundera geeft hem de bijzondere plaats terug die hij in de wereldliteratuur inneemt. Kafka was een groot vernieuwer en stond daarmee aan de wieg van de moderne roman. Kundera breekt in zijn boek een lans voor Kafka’s romans (‘Het proces’, ‘Het slot’, ‘Amerika’), waarin droom en werkelijkheid versmelten en een grenzeloze verbeelding een glasheldere kijk op het moderne bestaan biedt.

Sentimentele mensen

In ‘Over de romankunst’ raak je niet uitgelezen, en net als in Kundera’s romans blijft je oog op elke bladzijde wel ergens haken aan een zin of alinea die je kunt inlijsten. Hij kan over de harteloosheid van sommige mensen opmerken: ‘Sentimentele mensen zijn de ongevoeligste die er zijn.’ En: ‘De mens is iemand die voortgaat in de mist. Maar wanneer hij achteromkijkt om over de mensen uit het verleden te oordelen, ziet hij geen mist op hun weg. Vanuit zijn heden, dat hun verre toekomst was, lijkt hun weg hem volledig helder, over de hele lengte zichtbaar. Achteromkijkend ziet de mens de weg, ziet hij de mensen die voortgaan, hij ziet hun dwalingen, maar de mist is er niet meer.’

Kundera schenkt ons ook de levenswijsheden die hem vroeger zelf werden aangereikt en die tevens op zijn eigen werk van toepassing zijn. Zoals die van zijn in Theresienstadt omgekomen Joodse muziekleraar die vlak voor zijn deportatie zijn pupil voorhield: ‘Bij Beethoven heb je veel verbazend zwakke passages. Maar die zwakke passages maken de sterke passages zichtbaar. Het is als een grasveld: zonder dat veld zouden we niet kunnen genieten van de mooie boom die erop groeit.’

 

Milan Kundera: ‘Over de romankunst’, verzamelde essays, bezorgd en grotendeels vertaald door Martin de Haan, 593 blz, uitgeverij Ambo.

 

Januari, 2013

In verkorte versie gepubliceerd in de kranten van De Persdienst.

UA-37394075-1