Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Mischa de Vreede (1936-2020): Kwetsbaar in wijze gedichten

Schrijfster en dichteres Mischa de Vreede overleed dinsdag 12 mei 2020 op 83-jarige leeftijd. Zij beheerste uiteenlopende literaire genres, schreef vooral om het verleden te bezweren en dat verleden bestond in haar geval grotendeels uit haar herinneringen aan de tijd die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog doorbracht in een jappenkamp, of politiek correcter, in een Japans interneringskamp op Noord-Sumatra.

Op maandag 24 september 2001 interviewde ik haar als verslaggever van het Noordhollands Dagblad in haar huis aan de kust bij Camperduin, waar ze sinds 1991 woonde. Daar in de duinen had ze, zei ze, de rust hervonden die ze nodig had om na de hectische jaren in Amsterdam weer te kunnen dichten. Het was een prettig gesprek, zo herinner ik het mij tenminste, met een mooie, kwetsbare vrouw van 65, waarmee ze naadloos paste in het beeld dat ik van haar had: een dichteres van breekbare, sensibele en eigenzinnige gedichten waarmee ik in de jaren zeventig op de middelbare school voor het eerst in aanraking kwam. Ondanks alle waardering en erkenning – ze werd weleens vergeleken met Simone de Beauvoir en Hella Haasse – zat diep in haar nog altijd de twijfelende, onzekere dichteres van weleer verborgen. Hieronder volgt de nagenoeg integrale versie van het interview uit 2001.

DOOR BESCHADIGING ZIE JE HOE MOOI IEMAND IS’

CAMPERDUIN – Meisjesachtig kwetsbaar was de poëzie waarmee Mischa de Vreede in 1959, met de bundel ‘Met huid en hand’, haar intrede deed in de Nederlandse literatuur. ‘Autobiografisch’ heette het gedicht dat kenmerkend was voor de ‘bekentenispoëzie’ die ze toen schreef:

ik ben

een lang zacht meisje

ik loop

lange zachte stappen

door de lange zachte straat

ik praat

lange zachte woorden

voor wie mij liefheeft

lang en zacht.

,,Dat gedicht ‘Autobiografisch’,’’ zegt de dichteres-schrijfster in haar huis aan de voet van de duinen in Camperduin, ,,is nog nét geen kitsch, maar het spreekt blijkbaar nog altijd velen aan.’’ Ze zegt het een beetje zuinig, bijna gegeneerd, om er direct aan te voegen: ,,Nog steeds, er blijkt nog steeds vraag te zijn naar de poëzie die ik toen schreef.’’

Voor de meermalen herdrukte bundel ‘Huid en hand’ kreeg ze in 1959 de poëzieprijs van Amsterdam. ,,Het kreeg toen veel aandacht, veel meer dan poëzie tegenwoordig krijgt.’’ Maar echt ‘genoten’ heeft ze toen niet van die onverhoedse roem. Ze was nog zo jong, bovendien had ze heel andere dingen aan haar hoofd. ,,Ja, heel veel is toen eenvoudig langs me heengegaan.’’

We zijn, in 2001, inmiddels veertig jaar verder. Na haar debuut schreef De Vreede veel, heel veel, ze publiceerde zo’n veertig boeken, romans en verhalen, waarin ze varieerde op haar thema’s: haar kindertijd in een Japans interneringskamp (in Nederlands-Indië – haar vader was dominee in Jakarta toen de stad nog Batavia heette), het afscheid en ‘kapotte’ mensen (ze schreef over ernstig zieke kinderen en gestoorde mensen), want ‘pas door een beschadiging kun je goed zien hoe mooi iemand is’. Ze portretteerde jongeren van hippe ouders uit de jaren zestig en zeventig met onbekookte ideeën. Ze schreef kinderboeken en maakte reportages voor NRC Handelsblad en Vrij Nederland over China en Indonesië en schreef columns voor tijdschriften. Ze vertaalde werk van Jerzy Kosinski (‘De geverfde vogel’), met wie ze ook correspondeerde, en ze vertaalde de beroemdste roman van Nobelprijswinnaar Saul Bellow (‘Herzog’), een vertaling die nog altijd staat als een huis. Mischa de Vreede is een eenling in de literatuur, altijd geweest, ‘te jong’ voor de Vijftigers van Lucebert en Kouwenaar, en ‘te oud’ voor Barbarber van Bernlef en K.Schippers.

‘DEADLINE EN POËZIE GAAN NIET SAMEN’

Poëzie schreef ze nog maar mondjesmaat. Tot ze zichzelf acht jaar geleden, in 1993, ‘in de vut had gedaan’ om zich daarna uitsluitend aan de poëzie ging te wijden. Na jaren van hard werken, óók veel journalistiek werk, ‘streef ik nu naar sereniteit’, zegt ze. ,,En voor poëzie moet je de tijd nemen, deadline en poëzie gaan nu eenmaal niet samen.’’

Het resultaat mag er zijn. En wie deze poëzie vergelijkt met die uit de debuutbundel, moet constateren dat de broze en kwetsbare dichteres van toen tot een dichteres is uitgegroeid die zich kwetsbaar durft op te stellen. In die zin is er weinig veranderd, inhoudelijk wel.

VEEL HERSENWERK

De poëzie in ‘Zeestenen’ is beeldender, slimmer, doordachter, zoveel wijzer. ,,Ja, er zit veel hersenwerk in.’’ Jeugd, oorlog, de vader, dood, zee, Camperduin, het zit er allemaal in. Met als een van de hoogtepunten het gedicht ‘Omstandigheden’, met de strofe:

Door omstandigheden

een hekel gekregen aan eigen verleden

ik wilde het als een litteken verbergen

publiekelijk zwoer ik het af

maar als meinedig werd ik ontmaskerd

en voor straf

moet ik het koesteren

nu open en bloot.

Mischa de Vreede las de complete versie voor op 15 augustus 2001 bij het Indisch monument in Den Haag bij de herdenking van de Japanse capitulatie. Het gedicht verwijst onder meer naar de lange internering van de dichteres in Nederlands-Indië, die kort na de oorlog, in 1946, naar Nederland kwam. Het gedicht maakte veel indruk. ,,Zo’n gedicht is ook een soort overwinning van de poëzie’’, zegt ze. ,,Want ook mensen die niet gewend zijn om poëzie te lezen, blijkt het zeer aan te spreken. Ze voelen dat het ook op hén slaat, dat het ook over hen gaat.’’

,,Heel dierbaar zij mij de verborgen krachten van de poëzie. Het verbaast me steeds weer hoe anderen je gedichten soms lezen. Je weet soms niet wat je er onbewust in stopt. De band tussen lezer en gedicht vind ik dan ook heel belangrijk. Wat anderen erin zien, dat krijg je cadeau. Blijken er soms van die geheime dingetjes in te zitten waar ik zelf van opkijk maar wel erg blij mee ben.’’

LEERMEESTER LUCEBERT

Haar leermeester was de in 1994 overleden Lucebert. Ze ontmoette hem in de tijd dat de Bergense dichter werd ‘gekroond’ tot Keizer der Vijftigers, de experimentele dichtersbent die een frisse wind door de ingeslapen naoorlogse Nederlandse poëzie liet waaien. ,,Zijn gedichten begreep ik niet altijd, maar zoals hij met de taal omging, de beelden die hij gebruikte, zo anders dan alles wat me eerder onder ogen was gekomen, dat fascineerde me bijzonder.’’

Als meisje schreef ze in de boekhandel gedichten van Lucebert over omdat ze geen geld had om de bundel zelf aan te schaffen. ,,Die boekhandelaar merkte dat natuurlijk, maar hij maakte daar verder geen punt van. Maar door dat overschrijven zat ik wel op een heel lichamelijke manier in het gedicht. Het is ook dé manier om de techniek van het schrijven van een gedicht onder de knie te krijgen.’’

OVIDIUS EN HOMERUS UIT HET HOOFD

In de ook in 2001 verschenen bundel ‘Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen. Van Gorter tot Van Dis’ haalt De Vreede herinneringen op aan de ‘maltentige losbol’ uit Bergen: ‘Vooral het optreden van Lucebert, in zwarte cape gehuld, maakte indruk op mij. In de pauze stelde ik me aan hem voor waarop hij vroeg of ik mee wilde als er na afloop nog wat zou worden nagepraat. ja natuurlijk; die avond dronk ik het eerste glas rode wijn van mijn leven, door uitgever Geert Lubberhuizen eigenhandig voor me neergezet. We zaten apart van de rest van het gezelschap en wisselden smaak en ervaringen uit: het meisje dat wist dat ze schrijver zou worden tegenover de man die al een groot dichter was. Ik maakte hem aan het lachen door hele lappen Ovidius en Homerus uit het hoofd op te zeggen en voelde me groeien toen hij vertelde dat hij net een zoon had gekregen en hoe bijzonder dat was voor een man. Een kind krijgen! Het was of hij mij de grote mensenwereld introk, maar zijn grote mensen waren wat luchtiger dan ik tot dan toe gewend was.’

Ze zegt, bedachtzaam: ,,Het feit dat zíj me zagen staan, mij volkomen als een dichter aanvaardden, als het ware door het lange, zachte meisje heen keken, dat ze in mij een volwaardige collega zagen, dat heeft mij wel erg geholpen in mijn dichterschap. Achteraf gezien is het natuurlijk een zegen wanneer je op die leeftijd, ik was net twintig, omgaat met zulke grote dichters als Roland Holst en Lucebert.’’

AANVANKELIJK ACTRICE

Mischa de Vreede zou aanvankelijk actrice worden. Lucebert weerhield haar daarvan. ‘Om een rol te spelen moet je leeg zijn en jij bent van jezelf al helemaal gevuld,’ zei de dichter haar. Ze bezocht hem en Adriaan Roland Holst enkele keren in Bergen, kort na de oorlog, begin jaren vijftig, ‘in zijn eigen woonkamer of in die van Roland Holst, aan de Nesdijk of in Frankenstate, pratend en met een glas wijn in de hand, muziek op de achtergrond.’

Mischa de Vreede koos uiteindelijk voor het dichterschap en later het schrijverschap: ‘Nu weet ik dat de meeste acteurs het met dat ‘leeg’ of ‘gevuld’ volstrekt niet eens zijn, maar toen nam ik deze opvatting zonder meer over en daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik ging niet naar Arnhem maar naar Amsterdam en dat ik daar een aanvankelijk zeer slordig en een al met al ook moeizaam leven zou gaan leiden was, denk ik, toch niet te voorkomen geweest. Alles liep zoals het lopen moest en wat ik belangrijk vond gebeurde intussen toch wel: ik schreef, mijn werk werd gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd.’

,,Lucebert was een groot man’’, zegt ze, een rebelse geest die te boek stond als een flamboyante kunstenaar maar steevast als een kantoorklerk gedisciplineerd aan het werk toog. ,,In figuurlijke zin dan, echt een door de genade aangeraakte persoon. Dat merkte je aan alles, aan zijn beeldende kunst, aan zijn poëzie, de toegewijde manier waarop hij met zijn talenten omging. Geen gezeur, hij hield er geen netwerkje op na of zo, nee, hij zat thuis en maakte mooie dingen. Met eerbied voor de vlam die in je brandt, zo was hij en zo heb ik hem dan ook altijd als een voorbeeld beschouwd.’’

,,Op zijn manier had Roland Holst dat ook,’’ zegt ze over de andere ooit roemruchte Bergense dichter Adriaan ‘Jany’ Roland Holst die ze van nabij meemaakte. ,,Iedereen had het wel over de dandy of over zijn avontuurtjes, maar kijk eens wat hij nagelaten heeft, al die duizenden pagina’s dundruk. Dat is toch niet mis.’’

BESPIEGELINGEN

Jarenlang kon ze niet of nauwelijks dichten, ze leed aan een soort ‘poet’s block’, bang als ze was dat er iets naar boven kwam waar ze geen raad mee wist. Vergeleken met haar vroegere poëzie is die in ‘Zeestenen’ doorleefder en bezonkener geworden. Ze is persoonlijk en tegelijk afstandelijk. Ook de gedichten die dicht op de huid van de dichteres zelf zitten, getuigen van grote technische (zelf)beheersing.

In de veelzeggende afdeling ‘Ingeslapen’ in de bundel onderscheidt het gedicht ‘En toch’ zich. De inspiratie ervoor deed ze op tijdens een tentoonstelling over doodsportretten van kinderen in Teylers Museum te Haarlem:

Het hoofdje met muts

hoog in de kussens

een beginnetje van gezicht

het neusje te wit

(…)

de ouders

jong gebleven in hun rouwen.

,,Als je een kind van een jaar verliest’’, zegt Mischa de Vreede over dit vers, ,,groei je niet verder, je bent en blijft die ouder van 26 die zijn kind verliest. Wie jong zijn vader verliest, heeft dat ook. Ik heb in dat gedicht oud en jong tegenover elkaar gezet.’’

Het gedicht nodigt uit tot velerlei bespiegelingen. Het kind dat in dit doodsportret ‘onsterfelijk’ is gemaakt, blijft bestaan zolang het portret blijft bestaan, terwijl zijn zusjes en broertjes die nooit zijn ‘vereeuwigd’ allang naamloos in de vergetelheid zijn verzonken.

‘Mijn vader en ik’ is een ode aan de ‘knecht des heren’ die als ‘niet katholiek/ dus weggelegd’ werd aan ‘aan de rand van het kerkhof/ naast hen die het leven niet wilden’. Het meisje dat de dichteres eens was keert terug in ‘Vlechten’. Een citaat:

het krullende kwastje als eindpunt

leende zich voor eigenliefdig

strelen langs de bovenlip

en dat rook dan zo naar mezelf

dat het nergens op leek’.

Hierover zegt ze: ,,Je probeert het persoonlijke algemeen te maken, zoals alles in poëzie, en vlechten zijn heel herkenbaar. Iedere vrouw heeft het haar wel eens in een vlecht gedragen zoals elke man wel eens een snor heeft laten staan. Het is een persoonlijk gedicht en toch herkent iedereen zich erin. De taal doet dat allemaal voor je. En hoe zuiverder de taal die je gebruikt, hoe zuiverder de boodschap.’’

Een van de weinige literatoren met wie ze nog gereld contact heeft, is Leo Vroman, de nestor onder de dichters die zich kort na de oorlog in de Verenigde Staten vestigde. Kort voor de terreuraanslagen van 11 september 2001 verruilden hij en zijn vrouw Tineke New York voor Texas. De Vreede correspondeert nog met Vroman, een man die ze hogelijk bewondert om zijn werk en om het feit dat ie op hoge leeftijd nog even vitaal dicht als vroeger.

OMLOOPTIJD

Haar bundel is verschenen bij de Prom, de uitgeverij die door Wim Hazeu is grootgemaakt, de man die afscheid nam van de uitgeverij om na de biografie van de dichters Slauerhoff en Achterberg te werken aan zíjn versie van het levensverhaal van S. Vestdijk. ,,Hazeu heeft veel gevoel voor poëzie, daar ben ik heel blij mee, want het valt tegenwoordig niet mee om poëzie te slijten.’’

In een tijd waarin de markt overvoerd wordt met nieuwe boeken en de omlooptijd kort is – een boek moet binnen drie maanden lópen of het verdwijnt – komt de poëzie er zeer bekaaid vanaf. De oplage is op enkele uitzonderingen na (Claus, Rawie, Enquist) klein. De vraag gering. ,,Als uitgever moet je er op toeleggen. Uitgevers willen daarom wel een bundel uitgeven op voorwaarde dat je dan ook een roman schrijft.’’ Voorlopig is De Vreede daar niet mee bezig, tenzij een verhaal zich aandient ‘dat geschreven wil worden’.

,,Het wordt er niet gemakkelijker op, iedereen van mijn generatie is er niet meer of is ermee opgehouden.’’ En hoewel De Vreede als schrijfster enige bekendheid heeft verworven, weten nog maar weinigen hoe succesvol ze eens was. Indertijd, eind jaren vijftig, begin jaren zestig, was de jonge, debuterende dichteres in één klap een betrekkelijk bekende Nederlandse, toen ‘de gemiddelde redacteur van tegenwoordig nog in de box zat, die weten daar dus allemaal niets van’.

RILKE, GORTER, LEOPOLD

Zelf leest ze vooral veel buitenlandse schrijvers en dichters, ‘ik word nog altijd betoverd door Rilke’, en wat Nederlandse poëzie aangaat, bewondert ze het werk van Lucebert, Vroman en Kouwenaar: ‘Naar het werk van die generatie blijf ik toch grijpen, want poëzie vind ik moet toch vooral een beetje raadselachtig, een beetje geheimzinnig zijn.’ Ook blijft ze steeds weer teruggrijpen naar de poëzie van Gorter en Leopold. Met ‘het gemier’ in de huidige Nederlandse literatuur, waarbij ze verwijst naar de kantoorsoap ‘Het Bureau’ van J.J.Voskuil, heeft ze weinig op. Liever leest ze Amerikanen als de dames Byatt en Atwood en de heren Bellow en Roth.

VREDIGE RUST

Op haar achttiende verliet ze het ouderlijk huis om zich in Amsterdam te vestigen. Inmiddels heeft ze de grotestadsdrukte allang achter zich gelaten. Begin jaren negentig verruilde ze het ‘volle leven’ van de Oudezijds Voorburgwal in hartje Amsterdam voor de vredige rust van Camperduin, aan de voet van de duinen, nabij de Hondsbossche Zeewering. Nog altijd tot haar grote tevredenheid. ,,Het was toen net of ik ging emigreren, zo groot was het verschil,’’ zegt ze. ,,Maar het is prachtig hier, onvoorstelbaar mooi. En zo troostrijk.’’

Mischa de Vreede: ‘Zeestenen’, gedichten, 96 blz., uitgeverij de Prom, Baarn. ‘Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen, Van Gorter tot Van Dis’, 216 blz, uitgeverij Conserve, Schoorl.

Alkmaar, september 2001

UA-37394075-1