Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Multatuli, de man die ‘voor iedereen alles wilde zijn’

Hij was een idealist en tegelijk een baantjesjager. Hij was de bekendste atheïst van zijn tijd, de eerste Nederlander ook die zich liet cremeren. Maar bovenal was hij een groot schrijver, misschien wel de grootste die we ooit hebben gehad: Multatuli alias Eduard Douwes Dekker (1820-1887), over wie na meer dan tachtig jaar weer een ‘volledige’ biografie is verschenen.

 

 

 

W.F. Hermans, E. du Perron, Hugo Brandt Corstius – ze hebben allemaal hun tanden stukgebeten op het fenomeen Multatuli. Het wilde – sinds de laatste ‘volledige’ biografie uit 1920 – maar niet erg vlotten om enige samenhang te brengen in het leven en het werk van, een van de grootste schrijvers, zo niet grootste, uit de Nederlandse literatuur. Biograaf Dik van der Meulen (1963) is het verrassenderwijs wél gelukt om over de negentiende-eeuwse idealist die nergens bij wilde horen zo’n biografie te schrijven, zo een die nog prettig leest óók.

 

EEN ONGRIJPBARE FIGUUR

 

Veel van wat we over Multatuli nu lezen, was bekend. Dankzij de Volledige werken, vijfentwintig delen, valt het meeste te achterhalen en te construeren en krijg je een beeld van de schrijver en de mens daarachter. Een beeld ja, meer ook niet, want Multatuli blijft een ongrijpbare figuur. Als je denkt iets meer van zijn handelwijze en beweegredenen te begrijpen, zet hij je even later, door een onverhoedse wijziging in zijn oordeel, weer op het verkeerde been.

 

Ook bij Van der Meulen blijft hij ongrijpbaar, wat niets afdoet aan de bewonderenswaardige prestatie die hij heeft geleverd. De biograaf werkte zeven jaar aan zijn proefschrift over de 19de-eeuwse schrijver, waarop hij promoveerde bij zijn Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur en co-promotor Hans van den Bergh, een van de bezorgers van Multatuli’s 25-delige Volledige Werken.

 

JE WAS VOOR OF TEGEN HEM

 

Van der Meulen had het voordeel dat hij veel meer dan zijn voorgangers afstand kon nemen. Vroeger stonden de voor- en tegenstanders veel scherper tegenover elkaar. Je was voor of tegen Multatuli, die van meet af aan een omstreden figuur was. Meteen na het verschijnen van ‘Max Havelaar’ in 1860, Dekkers meesterstuk, dat hij publiceerde onder het pseudoniem Multatuli, ‘ik, die veel gedragen heb’. Het autobiografische boek van de veertigjarige debutant wekte bij verschijning veel beroering, maar ook de tegenstanders die meenden dat Multatuli een scheef beeld schetste of zijn eigen nest bevuilde, moesten al dan niet schoorvoetend erkennen dat de ‘Max Havelaar’ een meesterwerk was.

 

Du Perron bijvoorbeeld bewonderde de schrijver, in zijn ‘De man van Lebak’, bijna blind, waardoor de minder fijne kanten van de schrijver onderbelicht bleven. W.F. Hermans was ook een groot bewonderaar van ‘De raadselachtige Multatuli’, zoals diens studie heet, maar hij had ook oog voor de schaduwkanten van de schrijver.

 

EEN BUITENGEWOON GROOT EGO

 

Het was bekend dat Multatuli een groot ego had, die ‘voor iedereen alles wilde zijn’. Hij was een luis in de pels. Een vat vol tegenstrijdigheden ook, wat hij zelf ruiterlijk erkende. Hij nam het op voor Javaan, maar in ruil voor een mooie positie in Nederlands-Indië was hij bijvoorbeeld bereid om de ‘Max Havelaar’ niet in druk te laten verschijnen. Nogal tweeslachtig en dubbelhartig, maar volgens Van der Meulen was hij in beide gevallen oprecht.

 

Multatuli was een opstandige idealist en een bevlogen moralist, maar tegelijk ook een opportunist die een mooi baantje niet verfoeide. Hij was gokverslaafd, verspeelde kapitalen en maakte grote schulden. Hij leed herhaaldelijk bittere armoede. Hij was een excentriekeling en een charmeur die er in Den Haag enige tijd een ménage à trois op nahield met zijn gade Everdine Huberte barones van Wijnbergen (Tine), met wie hij in 1846 in het huwelijk was getreden, en zijn minnares (en latere echtgenote) Mimi.

 

HIJ HOORDE NERGENS BIJ, BIJ GEEN ENKELE PARTIJ

 

Veel bewegingen hebben hem geclaimd, meestal ten onrechte. Douwes Dekker lieerde zich aan geen enkele partij. Hij hoorde nergens bij, niet bij de conservatieven noch bij de liberalen of sociaal-democraten – vlak voor zijn dood distantieerde hij zich bijvoorbeeld nog uitdrukkelijk van de visie van de sociaal-democraten.

 

Van der Meulen heeft dat fascinerende leven op meeslepende wijze met het werk van de schrijver verbonden. Er is immens veel over Multatuli geschreven, toch onderzocht Van der Meulen bronnen, waaruit zijn voorgangers niet of nauwelijks nog hadden geput. Zo dook hij onder meer materiaal op over Multatuli’s vroege jeugd, waar hij stuitte op de mogelijke oorzaak van diens latere felle atheïsme.

 

Volgens Van der Meulen is dat allemaal te herleiden tot zijn oudere broer Jan, die de kerk tamelijk snel de rug had toegekeerd en een grote invloed op zijn puberende broer moet hebben gehad. Vrijwel alles wat Multatuli schreef, was min of meer autobiografisch. Ook de verhalen die hij zelf als fictie omschreef, zijn gebaseerd op gebeurtenissen uit de werkelijkheid. Multatuli gaf er een eigen draai en kleur aan, maar de sfeer zoals hij die zelf had ervaren, wist hij feilloos op te roepen, zoals in ‘Woutertje Pieterse’, waarin hij zijn eigen jeugd tot leven wekte.

 

GEDREVEN DOOR EEN TOMELOZE SCHRIJFDRIFT

 

Multatuli werd gedreven door een tomeloze schrijfdrift. Hij schreef veel, heel veel. Hij was niet alleen de schepper van ‘Max Havelaar’, maar ook van de ‘Minnebrieven'(1861), de ‘Ideeën’ (1862-1877) die in losse afleveringen verschenen, waaruit het ‘wezenlijke’ van Multatuli in al zijn omvang is te vinden en waaruit de ‘roman’ ‘Woutertje Pieterse’ tevoorschijn kwam, ‘Millioenenstudiën’ (1870), het toneelstuk ‘Vorstenschool’, en vele vele andere werken, brieven, bespiegelingen, aforismen, essays, pamfletten, schotschriften, kattenbelletjes, polemieken. Uit zijn pen vloeiden inmiddels staande uitdrukkingen als ‘Barbertje moet hangen’ (een foutieve uitdrukking, want Barbertje, zo staat in het ‘Onuitgegeven toneelstuk’ voor in de ‘Max Havelaar’, moet niet hangen, maar de man die haar zogenaamd heeft vermoord.), ‘gordel van smaragd’, en fraaie aforismen als ‘Ik leg my toe op ’t schryven van levend Hollands. Maar ik heb schoolgegaan’, ‘Misschien is niets geheel waar en zelfs dat niet’ en ‘De roeping van de mens is mens te zijn’.

 

HIJ VOELDE ZICH EEN MISKEND SCHRIJVER

 

Zijn gloriedagen als schrijver vielen tussen 1859 en 1861, toen hij zijn beste werk schreef: ‘Max Havelaar’, ‘Minnebrieven’ en de eerste bundel ‘Ideeën’, met daarin de mooiste verhalen van ‘Woutertje Pieterse’, en enkele jaren daarna. De laatste jaren voor zijn dood publiceerde Multatuli nauwelijks meer. Multatuli beweerde dat hij droogstond vanwege een publicatie over zijn familieleven en omdat hij zich een miskend schrijver voelde. Van der Meulen denkt dat het een prozaïscher oorzaak had: hij schreef domweg niet zo goed meer, en dat zag hij zelf in.

 

Als schrijver blijft hij groots, en als een van de weinige negentiende-eeuwers is hij nog heel goed leesbaar, vermoedelijk omdat hij in zijn proza de spreektaal het dichtst wist te benaderen zonder dat hij spreektaal schrééf. Maar niet alleen zijn ‘Max Havelaar’ of ‘Woutertje Pieterse’ staat na anderhalve eeuw nog recht overeind. Ook veel zijn ideeën en essays blijven zeer lezenswaardig. Neem het toneelstuk ‘Floris de Vijfde’ van Bilderdijk, een tijdgenoot van Multatuli. Er is niet door te komen. Maar Multatuli’s vernietigende stuk erover blijft leesbaar, amusant en scherp.

 

 

 

September, 2002

UA-37394075-1