Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Nescio ‘schrijft heel gewoon, alsof ie bij u aan tafel zit’

In 1996 verscheen de langverbeide ‘definitieve’ uitgave van het Verzameld Werk van J.H.F.Grönloh (1882-1961), beter bekend als Nescio (Latijn voor ‘ik weet niet’). Een literaire sensatie. Want de belangstelling was enorm voor deze door Lieneke Frerichs uit Edam bezorgde ‘wetenschappelijk verantwoorde uitgave’ in twee prachtig gebonden delen van samen bijna 1500 bladzijden, typografisch tot in de puntjes verzorgd en voorzien van dubbele leeslinten.

De Amsterdamse uitgeverijen G.A.van Oorschot en Nijgh & Van Ditmar, die voor dit kostbare en gewaagde project de handen ineensloegen, overwogen weldra een tweede druk, want de eerste druk (6000 exemplaren) vloog de deur uit.

Een gesprek, uit 1996, met de bezorgster van deze literaire mijlpaal:

 

De bezorgster van het Verzameld Werk van Nescio, Lieneke Frerichs uit Edam, glundert. Ze is niet echt verbaasd over het succes van deze begeerlijke uitgave: ,,Nescio is nog altijd buitengewoon geliefd. In tegenstelling tot veel tijdgenoten is hij niet uit de tijd geraakt. Hij is alleen maar beroemder en beroemder geworden. Ik kan me ook niet voorstellen dat hij niet meer gelezen zou worden, al blijven er natuurlijk altijd mensen aan wie zijn werk niet besteed is. Een zeker gevoel voor melancholie moet je wel hebben, denk ik.”

LIENEKE FRERICHS, BEZORGSTER VERZAMELD WERK VAN NESCIO

Veel eerste zinnen uit beroemde boeken zijn klassiek geworden, maar weinig openingszinnen zijn zó bekend en kunnen nog door zo veel lezers uit het blote hoofd worden opgedreund als die van Nescio. Welke literatuurliefhebber kan immers niet achteloos de eerste zin uit ‘Titaantjes’ reciteren:

‘Jongens waren we – maar aardige jongens.’

Of de beginzin vlekkeloos opzeggen van ‘De uitvreter’:

‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’

Uit Nescio wordt druk geciteerd, op zijn beroemde zinnen wordt lustig geparafraseerd. (‘Punkers waren we – maar aardige punkers.’) En wie kent ze niet, de Titaantjes Koekebakker, Hoyer, Bavink en Bekker?

Frerichs: ,,Wat voor een man hij was? Ik heb me wel een beeld van Nescio gevormd, maar ik ben niet zijn biograaf. Op grond van zijn werk heb ik wel gedachten ontwikkeld. Hij was een heel bijzondere, imponerende man, met een moeilijk karakter. Iemand die zichzelf erg in de weg zat. Schrijvers zijn meestal nooit aardige mensen, gecompliceerd en egocentrisch als ze zijn, anders zouden ze niet al die moeite nemen om mensen met hun woorden te bereiken. Als je heel vrolijk bent ga je wel in het cafe´ zitten om je uit te leven.’’’

,,Ik heb een geweldige bewondering voor hem omdat hij zich zo kon uitspreken over de wereld. Maar je moet de schrijver Nescio niet met de zakenman Grönloh verwarren. Hij klom op van de jongste bediende in 1904 tot directeur in 1926 van de Holland Bombay Trading Company. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog ging hij, vader van vier dochters, met pensioen. Hij had het niet makkelijk in de handel, maar hij had zijn werk met groot plichtsbesef volbracht.’’

Een biografie van Nescio zit er niet in. Enerzijds omdat de familie daaraan geen medewerking wil verlenen, anderzijds omdat het leven dat Grönloh alias Nescio leidde niet opzienbarend was. ,,Er is eigenlijk niet vreselijk veel over hem bekend. Hij heeft geen spectaculair leven geleid. Altijd heeft hij op kantoor gewerkt, van 1922 tot 1933 is niets bekend, schreef hij niets, alleen dat hij naar kantoor ging en van kantoor kwam. Hij heeft voor de zaak een reis naar Brits-Indië gemaakt, maar daar heeft hij nooit over geschreven. Ik ben bang dat een biografie van hem zal tegenvallen, dat mensen zullen gaan zeggen: wat een vervelende, saaie man is dat. Het gevaar is dat Nescio’s biograaf dan te horen zal krijgen: waarom zoveel moeite gedaan?’’

Lieneke Frerichs werd in 1978, als net afgestudeerd neerlandica, gevraagd om een inventarisatie te maken van de literaire nalatenschap van Nescio. (Nessio, zo sprak de schrijver zijn pseudoniem uit.) Het was een puzzel, zij

trof heel veel ongepubliceerd materiaal aan, onder meer eerste aanzetten van bekende verhalen aan, vaak geschreven op uit schoolschriftjes gescheurde blaadjes. De ogenschijnlijk zo moeiteloos geschreven verhalen kwamen buitengewoon moeizaam tot stand kwamen. Ze werden voortdurend herschreven, aangepast, gepolijst, bekort en weer herschreven tot elk woord, elke zin onwrikbaar op zijn plaats stond en het verhaal de staat van absolute vanzelfsprekendheid had bereikt.

Lieneke Frerichs kreeg inzage in al het ongepubliceerde materiaal, maar ze mocht niet alles opnemen. Nescio’s correspondentie blijft voorlopig nog in een diepe la. De erven Nescio, die Frerichs verder alle steun gaven voor haar monnikenwerk, vinden de brieven te persoonlijk om ze nu aan de openbaarheid prijs te geven, iets waar de bezorgster alle begrip voor kan opbrengen. Het is haar tenslotte om de auteur Nescio te doen, niet om de mens Grönloh.

Haar jarenlange gewroet en gepuzzel in stapels vaak ongedateerd materiaal is niet vergeefs geweest. Het oogstrelend uitgegeven verzameld werk ligt nu immers in de boekhandel en menige boekenkast te pronken, en haar

bewonderenswaardige werk, met deskundige en lezenswaardige commentaren, wordt bejubeld. Na jaren van minutieus onderzoek promoveerde Lieneke Frerichs op diens werk, ze schreef een studie over de ontstaansgeschiedenis van ‘De uitvreter’ (1990). In nauwe samenwerking met de erven Nescio slaagde ze er uiteindelijk in voor het Verzameld Werk het bescheiden oeuvre van de auteur in één klap bijna te verviervoudigen. Want Nescio, die in 1882 werd geboren, liet bij zijn dood in 1961, een weliswaar prachtig en uniek, maar bescheiden oeuvre na.

De beroemdste verhalen, prozaschetsen eigenlijk, zijn ‘De uitvreter’ (de geschiedenis van de zorgeloze levensgenieter Japi, voor het eerst verschenen in 1911), ‘Titaantjes’ (vijf bohémienachtige jeugdvrienden die gaandeweg hun idealen kwijtraken en zich voegen naar de burgermaatschappij, 1915) en ‘Dichtertje’ (de man die dichter wil zijn maar ‘een net burgerheertje’ moet zijn, 1918). De drie verhalen werden pas decennia later aangevuld met ‘Mene Tekel’ (1946) en ‘Boven het dal’ (1961).

Waarom is Nescio nog altijd een van Nederlands geliefdste schrijvers, terwijl veel van zijn leeftijdgenoten, die in hun tijd veel beroemder waren en in hoger aanzien stonde, allang niet meer gelezen worden? Lieneke Frerichs: ,,Het was, in het begin van deze eeuw, de tijd van de woordkunst. Veel schrijvers schreven heel literair, ze waren impressionisten van de pen, ze schilderden met taal. Nescio daarentegen schrijft spreektaal, het is heel eenvoudig, in die tijd was dat ook zeer afwijkend van de norm. Een recensent schreef destijds: ‘Hij schrijft heel gewoon, alsof ie bij u aan tafel zit’. Men vond hem ook wel een tikkeltje grof, zelfs choquerend.’’

,,Het is toch een wonder, dat ‘De uitvreter’, geschreven in 1910, nu ruim 85 jaar later, nog zo fris is. Veel mensen beleven er nog veel plezier aan, het staat als een huis. Dat komt in de eerste plaats door de stijl, door zijn manier van schrijven. Er wordt natuurlijk wel een verhaal verteld, maar er

wordt daarnaast nog zoveel meer verteld, de uitvreter staat voor hoe een mens in zijn leven moet vormgeven. Eerst is hij onaandoenlijk, dan wordt hij gegrepen door idealistische kwesties, wil hij iets tot stand brengen, maar hij wordt verliefd! Het is meesterlijk zo’n verhaal: zeggen hoe het afloopt, alles gaat gewoon door, zon op, zon onder, je weet hoe het afloopt maar je weet nog niet alles. Dat zorgt ervoor dat je je niet verveelt, alle drie verhalen houden iets geheimzinnigs. Hele romans worden er in verteld.’’

DE UITVRETER WAS NESCIO ZELF’

,,Maar ik geloof niet in die verhalen dat iemand model heeft gestaan voor Japi de uitvreter. De uitvreter, dat was Nescio zelf, al stapte hij natuurlijk niet van de Waalbrug. De uitvreter is hijzelf, hoe hij geworden zou zijn als ie niet de beperking van het burgerlijk leven had gekend, als vader, echtgenoot, zakenman. Het soort fantasieën dat de uitvreter heeft,

hebben er zovelen, er zijn zoveel mensen die ernaar snakken om hun baan op te zeggen, de wijde wereld in te trekken en het vrije leventje in te gaan.”

Behalve een landschapsschilder met woorden was Nescio een humorist. Lieneke Frerichs: ,,Het is vaak heel erg geestig, lichtvoetig en tegelijk ernstig, diepzinnig, het heeft een filosofische ondertoon met dezelfde vraag: wat is een mens ten opzichte van de eeuwigheid?’’

,,Daarnaast heb je natuurlijk die mooie stemmingswisselingen en vooral de natuurbeschrijvingen. Die vind je overal, in ‘De uitvreter’, en ook de Titaantjes zijn veel op pad door het Hollandse landschap, het is een grote attractie in het werk.”

,,Bovendien doen de verhalen niet gedateerd aan. Couperus beschrijft echt een voorbije tijd, dat is heel erg passé. Het is gekostumeerd. Dat is bij Nescio allerminst het geval. De Titaantjes kun je ook heel goed in spijkerbroek voorstellen. Nescio beschrijft een tijdloze wereld. Terwijl je weet dat het niet nu speelt, lees je het toch niet als verouderd. De verhalen groeien ook met je mee. Als middelbare scholier, als dwepende puber lees je ‘Dichtertje’ heel anders dan als een rijpere lezer.’’

Nescio kun je eindeloos herlezen. Lieneke Frerichs: ,,Wat me ook altijd weer fascineert is: je slaat het boek op een willekeurige pagina open en je herkent het onmiddellijk. En toch ontdek je er steeds weer iets nieuws in, dan wordt er iets gezegd wat je frappeert, wat je eerder nog niet was opgevallen. Dat is meesterlijk.’’

In deel 2 van het Verzameld Werk is het omvangrijke Natuurdagboek van Nescio opgenomen. Dit dagboek, aanvankelijk een soort omgekeerde agenda maar allengs uitvoeriger en persoonlijker vol nesciaanse bespiegelingen, omspant een periode van tien jaar, van begin 1946 tot eind 1955.

Lieneke Frerichs: ,,Hij is er als geheugensteuntje mee begonnen. In het begin is het niet meeslepend, maar gaandeweg vind je de typische nesciaanse wendingen en observaties die je ook in zijn verhalen aantreft, het is een bijzondere manier van kijken die niet veel mensen hebben. Ik kreeg door het werken aan natuurdagboek regelmatig zin om er op uit te gaan, om te fietsen. Het heeft op mij een stimulerende werking.’’

Van het nagelaten werk, jeugdwerk, tijdschriftpublicaties, voordrachten enzovoorts, gaat Lieneke Frerichs’ voorkeur uit naar het Natuurdagboek. ,,Dat is uniek in de Nederlandse literatuur.’’ Voor dit dagboek maakte hij ook een duidelijke selectie. Op zijn tochtjes te voet, per fiets, autobus of boot registreren zijn ogen als een camera het landschap van nog ongerepte natuur, huisjes, stroompjes, bruggen. Zijn tochten door de natuur zijn als herhalingsoefeningen door het land, vooral door Noord- en Zuid-Holland, de streek bezuiden Amsterdam bevalt hem zeer, maar ook de kop van Noord-Holland is in trek (Groet, Bergen, Alkmaar, Hoorn).

Incidenteel noteert hij iets over politiek. Hij signaleert sommige zaken, zoals een staking, maar alles zonder commentaar. Behalve over de verloedering van het landschap, daar laat hij zich wel over uit. De dood van zijn kleinzoon Marius Zeven als gevolg van een verkeersongeluk in 1953 moet hem zeer hebben aangegrepen. Hij vermeldde het slechts, zakelijk, zonder commentaar; je leest er makkelijk overheen. Ook over de Marianne Philipsprijs, een soort troostprijs voor oude en halfvergeten letterkundigen, die Nescio in 1954 ontving, wordt met geen woord gerept.

,,Hij was iemand die heel veel van Nederland hield. Hij had de pest aan natuurveranderingen, aan mensen die de natuur ingrijpend veranderden. Hij kon vreselijk tekeer gaan tegen verwoesting van het landschap. Dat onzalige IJmeerplan bijvoorbeeld om in het Buiten IJ op kunstmatige eilandjes huizen te bouwen, daar zou hij van gegruwd hebben. Het Nederlandgehalte in zijn werk is groter dan bij wie dan ook. Er is een mooie uitspraak van hem bekend: ‘Voor Kortenhoef en de Gein geef ik heel Zwitserland en Italië cadeau, en nog een gulden toe.’ Dat is Nescio ten voeten uit. Hij vond het land prachtig. Prachtig.’’

,,Hij was een buitenman die in de stad woonde. Hij hield veel van het platteland, maar hij was blij dat ie daar niet woonde, maar in de stad. Hij was Amsterdammer in hart en nieren. ‘Lekker door de stad dalven’, zei hij dan.’’

Nescio: Verzameld werk in twee delen. Onder redactie van Lieneke Frerichs. Deel 1: De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene Tekel, Boven het dal, Nagelaten werk, 900 pag. Deel 2: Natuurdagboek, 528 pag., twee delen in een cassette. Gezamenlijke uitgave: uitgeverijen Nijgh & Van Ditmar/G.A.van Oorschot, Amsterdam.

(Het artikel verscheen in 1996 in de GPD-kranten.)

 

UA-37394075-1