Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Om te janken zo mooi

Het betere lied hoor of zie je zelden op televisie. En als er eens een goed lied wordt gezongen, moet het kort zijn of wordt erdoorheen gepraat. Of aan het einde geprogrammeerd als de aftiteling erdoorheen loopt.

Voor wie zich daaraan stoort is ‘De bende van vier’ (zie YouTube) een verademing, een concertregistratie van het ‘Het betere lied’ van Theo Nijland, Jeroen van Merwijk, Maarten van Roozendaal en Kees Torn. Vier cabaretiers die ieder een geheel eigen stijl hebben, maar als De Bende van Vier in harmonieuze samenzang en begeleiding een perfecte eenheid vormen.

Gesproken wordt er niet tijdens het theaterconcert, waarvan de opnamen in De Kleine Komedie te Amsterdam waren. Of het moet die ene keer zijn als Torn zich schrap zet voor een lang exposé over zijn accordeon: ‘Over deze accordeon valt nog een hoop te vertellen’, zegt hij en neemt vervolgens plaats achter de piano om een nieuw lied in te zetten.

Bij De Bende van Vier is het genieten voor wie van ‘het betere lied’ houdt. En is het genieten van cabaret voor wie er niet van houdt, zoals wijlen cabaretier Bert Klunder zou zeggen. Je zou haast vergeten dat het cabaret ooit is ontstaan uit het zingen van het ‘betere Nederlandse lied’, dat in het begin van de vorige eeuw zijn eerste bloei kende dankzij Jean-Louis Pisuisse en Koos Speenhoff.

‘Het betere lied’ is een gewaagde omschrijving. Het klinkt provocerend en ietwat hautain, maar de heren die alle vier al eens de Annie M.G. Schmidtprijs hebben gekregen voor het beste theaterlied van het seizoen, voegen moeiteloos de daad bij het woord. Zij bewijzen dat de bewering dat het Nederlands zich niet zou lenen voor goede liedteksten berust op een hardnekkig misverstand.

Al zijn er ook héél veel slechte liedteksten, en niet van de minsten. Zo stelde de onderwijzer in purist Theo Nijland in een van zijn theaterprogramma’s kreupel en poëtisch bedoeld taalgebruik in bekende hits aan de kaak, waaronder dat in ‘Aan de kust’ van Bløf.

De Bende van Vier zingt liedjes met een addertje onder het gras. Mooie liedjes van een zoete wrangheid, waar ook nog eens om te lachen valt. Zeker bij Torns gulle maar bittere dranklied:

‘Geef me nog wat te drinken om de wonden

te ontsmetten die de tijd nooit krijgt geheeld’

Het gaat over een man met een excessieve drankconsumptie, want ‘liefde maakt meer kapot dan ertegenop te drinken valt’.

Van Merwijk zingt een heerlijk absurd lied over de dingenziekte, over de dingen die mensen uit gemakzucht (of onmacht) níet bij hun naam noemen: ‘Ik kwam laatst op straat en ik zag een soort van een ding staan’.

Nijland ziet met zijn geliefde in ‘de gewetenloze natuur’ niets anders meer dan eindeloos parende, kleine ritselende dieren, waarin hij de klop van de dood hoort.

De aard van de cabaretier is in elk lied herkenbaar: het cynisme van Van Merwijk, het sardonische van Torn, het fijnzinnige van Nijland, de melancholie van Van Roozendaal. De laatste is een geval apart met zijn rauwe, bluesy stem. Alles wat Van Roozendaal zingt klinkt even doorleefd als waarachtig. Zoals in het lyrische slotnummer ‘Mooi’:

‘Dit is zo mooi

Het is om te janken zo mooi’.

Van Roozendaal geeft zich volledig, met eenzelfde soort woeste passie als waarmee Jacques Brel ooit zijn toehoorders inpalmde.

 

Februari, 2010

 

UA-37394075-1