Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Onsterfelijk in een land vol waaigaten

Zodra ik me met mijn kinderen Eline en Lars op de Robbedoes heb ingescheept, draag ik op het dek plechtig het motto van de dag voor: ‘Wij graven land uit het water,/ stapelen stenen tot torens,/ onze blik laat geen ruimte met rust’.

De versregels staan in een verschoten bundeltje van Willem van Toorn. Ik houd het binnen handbereik, evenals het werk van Nescio, Slauerhoff, Reve én wat goedgekoelde spiritualiën om, op de (voorlaatste) tocht met de Robbedoes door de Noord-Hollandse dreven, de verdoofde of vermoeide geest te voeden of op te peppen. Want de zon schroeit vandaag onbarmhartig.

In Hargen hijsen we de wimpel en zetten koers naar Kolhorn. Het bleke polderland krijgt van het overvloedige zonlicht zowaar weer een beetje kleur. We smeren de keel in de snikhete kombuis, die een gloeiende, naar mensenzweet stinkende oven is, terwijl we in de Nieuwe Hargervaart een eindeloos lint van pleziervaartuigen passeren. ,,Als je nou de namen van al die boten achter elkaar zet’’, zegt de kapitein behulpzaam, ,,heb je zo je stukkie vol.’

Rechts glooien de duinen. De natuur is hier nog ongerept en lijkt – maar voor hoe lang nog – te zijn ontsnapt aan de planologische waan van de dag die elders in Noord-Holland zoveel littekens in het landschap heeft getrokken.

Maar wat is natuur nog in dit land, zoals de grote Bloem het zo mooi kon zeggen terwijl hij hoog en droog door zijn zolderraampje op de verregende Dapperstraat neerkeek. ‘Een stukje bos ter grootte van een krant,/een heuvel met wat villaatjes ertegen.’

Hij had natuurlijk gelijk, die melancholische mopperpot. Maar (denkt de pessimist in mij) het is nog veel erger geworden, geen vierkante meter in dit land is nog puur. Maar (denkt de optimist in mij), wat fantastisch toch dat in de strijd tegen het water zoveel land door onze vroede (voor)vaderen uit de golven is gewonnen.

Het landschap, waardoor de Hondsbossche Vaart slingert, licht onder de helse zonnestralen haarscherp op, als op een doek van Vermeer. Alsof een onzichtbare hand een sluier wegtrekt. Hoe vaak zal onze geliefde dichter Slauerhoff, die in het nabijgelegen Warmenhuizen kortstondig waarnam als huisarts, in deze contreien vol waaigaten heimelijk boottochtjes hebben ondernomen met een van zijn vele bewonderaarsters of minnaressen?

Misschien wel nooit, want waren de Hollandse binnenwateren voor de dichter van de zee niet wat de FC Schitterend voor Marco van Basten moet zijn geweest?

Er staat op het Noordhollands Kanaal een aangename bries die een groezelig-witte schuimkraag trekt over de zoete golfjes. Het is puffend heet op het dek dat aan onze (blote) voeten brandt. Liefst zou je een duik nemen in het zoete nat, net als vroeger. Poedelnaakt. Hup, de plomp in, om even verder weer op te duiken met een hoofd vol kroos.

’Deden jullie dat echt, papa?’ vraagt Lars (8) ongelovig. ’Piemelnaakt? In een vieze sloot?’ ‘Jazeker, jongen’, zeg ik, ’terwijl de ratten om ons heen zwommen. Net zo makkelijk!’ ‘Vet cool hé!’ zegt-ie. En weg is-ie, naar Eline (10) die gekke bekken trekt naar haar weerspiegeling in het water.

Passanten wuiven. We wuiven terug. Ze steken de duim op, heffen het glas. Ja, mevrouw, meneer, het zijn dorstige dagen. Het is kortom tijd voor een passend gedicht, een dronkemanslied van een van onze grootste (miskende) naoorlogse dichters, Gerard Reve: ‘Stel je voor, dat de kater niet bestond./ Dan was alles nog veel erger./ Dan zou je nooit een kater krijgen,/ terwijl je die nu wel krijgt./ Het is dus toch wel goed zoals het is. Prijs God.’

Wij, zondagskinderen, hebben vandaag werkelijk alles mee. ‘Groot was God dien middag en goedertieren’, schrijft Nescio. Volgens mij zie ik hem daar zitten. Daar op een visstoeltje, verscholen tussen een kluitje tieners en enkele hengelaars die zo opgaan in hun grootse en meeslepende sport dat ze vergeten te zwaaien.

Meneer Nescio krabbelt in zijn Natuurdagboek en kijkt weemoedig naar de jongens, naar de titaantjes van vandaag die zitten te mijmeren en te dromen zoals je met je vrienden van vroeger aan de waterkant zat te dromen en te mijmeren. Ach, denkt deze zoetwatermatroos, door lichte weemoed bevangen, ook wij waren eens jongens, maar aardige jongens met een verlicht hoofd vol dromen en idealen, jongens die het allemaal anders en beter zouden doen. Ja, van ons zouden ze nog opkijken…

In de felle zon spatten de vonken van het water. We passeren Schagerburg. Aan weerszijden liggen de weilanden in de diepte. Verderop slingert een majestueuze slaper, de Westfriese Omringdijk, waartegen verspreid wat boerderijtjes zijn geplakt. Overal heerst stilte. Nederland te vol? Te druk? Vanmorgen zou ik deze vragen met een volmondig ja beantwoord hebben.

,,Ik kom eraan!’’, meldt de sluiswachter van de Molenkolksluis bij Kolhorn. Een half uur later duikt hij op, maar ach, hebben wij vandaag niet alle tijd? ‘We voelen ons weer onsterfelijk en helemaal niet droevig meer.’ (Nescio).

De lucht betrekt. Een lichte regen valt. Bij Kolhorn vloeien oud en nieuw land in elkaar over. Wie vroeger turf zei, zei Kolhorn. En wie goed kijkt ziet ze nog op de brede vaart, de turfschippers en de lichters die de zwaarbeladen Oost-Indiëvaarders op de Zuiderzee tegemoet varen.

Zangstemmen doen ons opschrikken. Sirenen die ons komen verleiden? Nee (zucht), zeemansliederen waaien ons tegemoet. Ik houd het hoofd koel. Willem van Toorn brengt vrede in het huis van de geest met een vers dat klinkt als een gebed: ’Wij zijn hier maar even, een onrust/ die tast in de stilte naar taal,/ een wet om de angst te beheersen./ Lees maar. Wij hebben bestaan.’

 

Juli, 2001

 

(‘Onsterfelijk in een land vol waaigaten’ was een aflevering van een zomerserie in het Noordhollands Dagblad, waarin verslaggevers meevoeren op de Robbedoes van fotograaf en kapitein (Marcel) Rob.) 

UA-37394075-1