Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ontboezemingen van geletterde heren: ’Alles wat ik doe is wraak nemen’

Zoals er cabaretiers zijn die de één geweldig vindt en de ander knudde, zijn er schrijvers en dichters die de een op handen draagt en de ander ondraaglijk vindt. Michael Zeeman is zo iemand, de dichter en literatuurcriticus, onder meer bekend van het tv-programma ’Zeeman met boeken’. Voor de een is hij een ‘kunstpaus’ met een natuurlijk gezag in de kleine republiek der letteren, voor de ander is hij een onuitstaanbare snob.

 

Ik heb het wel eens uitgerekend: een mens kan hooguit vijfentwintigduizend boeken lezen in zijn leven. Dat is een treurig makende gedachte’, zegt Zeeman tegen Elisabeth Lockhorn die voor haar boek ’Geletterde mannen’ zestien Nederlandse schrijvers interviewde – eerder interviewde ze ’geletterde dames’.

 

Ik word door vrienden belachelijk gemaakt vanwege mijn gulzige cd- en boekenaankoop, beschimpt vanwege mijn uiterst liefhebbende gedrag van meer, meer, meer, alles, alles, alles. Ik ben er nooit in geslaagd één cd te kopen, ik koop er altijd tien, twintig, dertig. Met boeken is het hetzelfde. Je hoort met twéé tasjes boeken de winkel uit te gaan, niet met één. Dat is rare zuinigheid. Een soort geestelijke anorexia.’

 

Voor Zeeman is literatuur niet zozeer een levenshouding als wel een noodzaak. Lezen is voor hem als adem halen. Boeken zijn z’n beste vrienden: ’Literatuur is gebaseerd op de gedachte: we vertellen een zeer individueel verhaal, dat universeel toegankelijk is. Als je dat eenmaal door hebt, is dat corpus van literatuur een vriendenkring. Dat betekent dat je alleen maar met de zuiverste geesten hoeft te verkeren. Je hoeft nooit meer met banale of saaie types om te gaan. Je kunt kiezen wie je wilt.’

 

Hoe hij aan zijn grenzeloze ambitie en onstuitbare werkdrift komt?

 

Ik ben het kind van kleine luyden. Van ongelooflijk bekrompen Hollandse calvinisten. Het kind van angstige mensen. Daar draag ik natuurlijk alles van mee. Misschien is dat verzet wel merkbaar aan die overvolle agenda. Misschien zet ik die wekker wel zo vroeg omdat ik er niet op wil lijken. Misschien is het angst voor dat moeras.’

 

ONTBOEZEMINGEN VAN GELETTERDEN

 

Wat je verder ook van de onvermijdelijke Zeeman moge denken, zijn liefde voor de literatuur is oprecht, hij getuigt zowel verbaal als in geschrifte van een groot vermogen tot bewonderen. Zijn ontboezemingen zorgen voor een van de aardigste interviews in Lockhorns boek. Niet minder openhartig zijn de andere auteurs tegen de interviewster die de schrijvers het hemd van het lijf vraagt. Ze neemt de tijd voor ze, met als resultaat dat ze in tegenstelling tot in het kortere, vaak wat gehaaste kranteninterview eerder bereid zijn om het achterste van hun tong te laten zien.

 

Een rode draad valt in deze interviews niet te ontdekken, of het moet die van een akelige jeugd zijn. Vooral de moeders van de schrijvers moeten het nogal eens ontgelden (’Ze is boosaardig, vals tot in het merg’), hoewel over hen ook veel aardigs wordt gezegd. Van elke geïnterviewde schrijver volgt hier een karakteristieke of opvallende quote.

 

De 89-jarige Adriaan Morriën, de fijnzinnige stilist, zegt de nakende dood allerminst te vrezen:

‘Ik dacht laatst: als ik dan toch sterf, laat ik dan op mijn rug gaan liggen, want als ze me morgen zo vinden, ben ik krom en verstijfd en moeten ze me weer in een gepaste rechte houding zien te krijgen.’

 

Gerrit Komrij, de Dichter des Vaderlands, de literaire hofnar zonder zotskap, loopt liefst in een grote boog om zijn medemens heen. Toch is deze ’misantroop dol op mensen’:

 

‘Ik vertrouw de mensen niet, vind het zeer onvolmaakte wezens, maar dat wil niet zeggen dat ik er niet graag mee omga.’

 

Jan Wolkers kan nog geen vlieg kwaad doen. ’Ik ben een vrij zorgzaam mens. Ik heb een zeer sociale kant. Als hier (op Texel) mensen aanbellen en vragen: zet eens uw handtekening, dan zeg ik niet gauw: zeg, sodemieter op Sterker, dan vraag ik: waar komt u vandaan? Of ik toon belangstelling voor ’s mans vrouw of kinderen.’

 

De in 1998 overleden Alfred Kossmann, die Lockhorn een van zijn laatste interviews gaf, beweerde dat hij nooit een intiem gesprek heeft gevoerd:

 

Mijn boeken staan vol bekentenissen, maar in een gesprek gruw ik ervan. Ik kan niet praten over mezelf. Ook niet over een ander.’

 

Bas Heijne, een van onze beste essayisten, debuteerde als romancier op jonge leeftijd. Hij was een jongen met zo’n ’engelengezichtje waar alle oudere heren op vallen’:

 

Brallende jongeren op Ibiza, waarover ik schreef, dát ziet er walgelijk uit, maar één ding is niet walgelijk en dat is het totaal onbewuste gevoel van oneindigheid. Onsterfelijkheid eigenlijk, zo zullen zij het zelf nooit definiëren, maar dat zie ik en dat ben ik kwijt. Ik hoef niet meer dat prinsje te zijn, maar die onbevangenheid, daar verlang ik nog wel eens naar terug.’

 

Rudy Kousbroek heeft moeten wennen aan de ’ontluisterende gedachte’ dat hij verschillende Grote Werken niet meer zal voltooien:

 

Bij je veertigste roep je: ik ben in de kracht van mijn leven, bij je vijftigste: ik ben nog niet oud, bij zestig zeg je troostend: ik ben nog in volle productie – maar bij zeventig, dan moet je wel heel gewiekst zijn om jezelf nog te kunnen belazeren.’

 

Twijfel is de dichter Jean-Pierre Rawie vreemd: ’Ik ga ervan uit dat ik geen concurrenten heb.’

 

P.C.Hooftprijswinnaar Gerrit Krol, ziet zich in zijn dromen wel eens als een ’streng en meedogenloos dictator, maar dat zijn dromen, daar komt niks van terecht’:

 

Er zijn lezers die dermate geïmponeerd zijn dat ze denken dat ik buitengewoon intelligent ben. Nou, dat valt behoorlijk tegen. Kan een schrijver iemand beschrijven die intelligenter is dan hijzelf? Ik denk van wel, ik denk dat de schrijver de middelen heeft om die indruk te wekken.’

 

Paul Scheffer, bekend als spraakmakend publicist (over de islam, politiek-correct zijn, doorgeschoten tolerantie): ’Alles wat ik doe is een wraakneming op de mislukking van de keer ervoor.’

 

Marcel Möring ontpopt zich als een zelfgenoegzame romancier die ’het liefst James Joyce wil zijn’:

Ik was voor een boekenbeurs met Connie Palmen in Edinburgh. We zaten te praten aan het ontbijt en ze zei onomwonden: ’Ik praat niet met mensen die niet intelligent zijn.’ Ik was zo opgelucht. Ik dacht: waarom handel ik daar eigenlijk ook niet naar?’

 

De dichter Gerrit Kouwenaar spreekt met grote weemoed en liefde over zijn overleden vrouw Paula:

Oudjeaarsavond 2000. In mijn herinnerig zat ze er vergenoegd bij, mooie bloes aan, sieraden, maar als ik nu de foto’s bekijk heeft haar gezicht iets ingekeerds, iets van verbazing, alsof ze denkt; wat doe ik hier, wie zijn jullie?’

 

Willem Jan Otten, die zich enkele jaren geleden tot het rooms-katholicisme heeft bekeerd, beschouwt het geloof niet ’als een supermarkt waar je alleen maar uit kunt pikken wat van je gading is’. Streng zegt hij: ’Met de belijdenis en de sacramenten valt niet te marchanderen.’

 

Tijs Goldschmidt, de bioloog die schrijver is geworden, houdt van ’schoonheid die zich verschanst in de mislukking’:

Alleen maar wetenschap, daar zit voor mij toch te weinig poëzie in. Er zijn maar weinig momenten dat wetenschap mij kan ontroeren.’

 

Hafid Bouazza, geprezen maar ook verguisd om de weelderige woordkunst in zijn roman ’Salomon’, is dol op zangerig Middeleeuws Nederlands, vooral die in de abele spelen:

 Prachtig, die muzikaliteit, de filmische beelden, bijna Fellini. Zo gegrepen worden door taal is eigenlijk alleen maar te vergelijken met verliefdheid.’

 

En tenslotte Ischa Meijer, die Lockhorn vlak voor zijn dood in 1995 spreekt. Hij babbelt vooral over televisie en zijn vriendschap met en bewondering voor Joop van den Ende. Wezenlijke dingen laat hij zich pas ontglippen als zijn vader ter sprake komt, over wie hij iets zegt wat ook op hem zelf zou kunnen slaan:

Het is raar, maar na zijn dood vind ik hem ineens niet zo’n interessante man meer.’

 

Elisabeth Lockhorn: ’Geletterde mannen’’, interviews met schrijvers, 266 blz, uitgeverij De Bezige Bij.

 

December, 2001

UA-37394075-1