Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Philip Roth: Vandaag verlossing, morgen duisternis

In zijn roman ‘Operatie Shylock’ uit 1993 voert Philip Roth (Newark, 1933) een dubbelganger op, een alter ego van de auteur, die waarschuwt voor een ‘tweede joodse holocaust’.

 

De man ziet voor het schier onoplosbare conflict in het Midden-Oosten eigenlijk maar één uitvlucht: een nieuwe diaspora, alle joden terug naar de plekken vanwaar ze komen. Zo niet, dan zullen de drie miljoen Israëlische joden worden vermoord, ‘de zee in worden gedreven’ door hun Arabische vijanden, of de vijanden van Israël zullen worden gedecimeerd door Israëlische kernwapens. Het is een inktzwart doemscenario dat Roth ons hier voorspiegelt.

In deze (documentaire-achtige) roman, een van de indrukwekkendste uit het toch al zo rijke oeuvre van de Amerikaanse schrijver, komt onder andere Roths collega Aharon Appelfeld aan het woord in enkele aangrijpende hoofdstukken. Appelfeld ontsnapte op zijn negende uit een concentratiekamp in Polen. Hij zwierf door het Poolse platteland, werkte voor jood-vijandige boeren, maar wist te overleven. Als schrijver van verhalen tussen fabel en geschiedenis in, bouwde hij na de Tweede Wereldoorlog een nieuw bestaan op in de jonge staat Israël, een land waar alles extreem is: ‘Vandaag hebben we verlossing, morgen duisternis’.

Enkele jaren voor ‘Operatie Shylock’ verscheen, had Roth uitvoerig met Appelfeld gesproken, stof die Roth vervolgens schaamteloos in zijn roman verwerkte. De volledige weerslag ervan heeft hij nu gebundeld in ‘Over het vak. Een schrijver, zijn collega’s en hun werk’ (‘Shop talk’), waarin verder gesprekken zijn opgenomen met door Roth bewonderde schrijvers als Primo Levi, Isaac Bashevis Singer, Milan Kundera en Edna O’Brien. Collega’s met wie Roth zich verwant voelt en met wie hij gesprekken op het scherp van de snede voerde. De joodse geschiedenis, het joodse milieu en het joodse geweten, het zijn – met de (recente) Amerikaanse geschiedenis – enkele vaste thema’s in het oeuvre van Philip Roth. In de gesprekken die Roth tussen 1976-1990 met zijn collega’s en vrienden voerde, keren die thema’s terug, evenals de vraag wat de essentie is van het schrijverschap. Met als rode draad steeds Kafka, voor wie Roth een grote bewondering koestert.

De interviewer zelf is in deze gesprekken niet zelden langer aan het woord dan de geïnterviewde. Maar dat is bij Roth geen enkel bezwaar, omdat hij niet alleen buitengewoon goed is ingevoerd is in het werk van zijn collega’s, maar tussen de regels door ook veel over zichzelf en zijn eigen werk vertelt. Zeer behartigenswaard, zeker voor wie houdt van het werk van Roth, die hoe autobiografisch zijn boeken ook moge lijken, denk aan de Zuckerman-romans, als een literaire kameleon is. Zelden of nooit laat hij over zijn eigen leven het achterste van zijn tong laat zien. Inmiddels schuwt de schrijver die sinds jaar en dag wordt getipt voor de Nobelprijs voor de literatuur de publiciteit helemaal. Hij leeft als een monnik teruggetrokken in zijn eenzame huis in New England.

In ‘Over het vak’ komt veel ter sprake. Met de Tsjechische schrijver Ivan Klíma onderhoudt hij zich onder andere over censuur, de Amerikaanse amusementsindustrie, over Praag als broedplaats van groot schrijftalent en over Tsjechië waar een ingebakken weerzin bestaat tegen de cultuur van de elite: ‘Daarom zullen Tsjechische schrijvers zich altijd bezighouden met de alledaagse problemen van gewone mensen. Dat geldt evenzeer voor de grote schrijvers uit het verleden als voor die van onze tijd: Kafka is altijd een kantoorklerk gebleven; Hasek (schrijver van ‘De lotgevallen van de brave soldaat Svejk’, ndb) en Hrabal hebben veel tijd doorgebracht in rokerige kroegen met bierdrinkende kornuiten.’

 

Edna O’Brien: ‘De liefde van een vrouw is dieper en duurzamer. En een vrouw is banger om verlaten te worden.’

 

Met Edna O’Brien spreekt hij over haar – voornamelijk – vrouwelijke hoofdpersonen. ‘Een vrouw, dat durf ik te beweren, is in staat tot een liefde die dieper en duurzamer is. Ik zou er nog aan willen toevoegen dat een vrouw banger is om verlaten te worden. Dat is nog steeds zo. Ga een willekeurige vrouwenkantine, kledingafdeling, kapsalon, sportzaal binnen en je zult vertwijfeling en rivaliteit te over vinden. Vrouwen zijn emotioneel niet zekerder geworden dan ze vroeger waren. Ze kunnen alleen beter met hun emoties omgaan.’

Hilarisch is de briefwisseling tussen Roth en Mary McCarthy, die geen spaan heel laat van Roths joodse antisemitisme in zijn complexe Zuckerman-roman ‘Het contraleven’ (1987), waarin het alter ego van de schrijver meer dan ooit worstelt met zijn schrijverschap en zijn jood-zijn. Ontroerend en ook ontluisterend zijn Roths portretten van zijn vriend de schilder Philip Guston en zijn voorbeeld Bernard Malamud, die vlak voor zijn dood nieuw werk aan zijn jongere collega voorleest, dat – heel pijnlijk – in niets nog herinnert aan de grote verhalen waarmee hij beroemd werd. Bewonderend schrijft Roth over het oeuvre van zijn vriend, leermeester en Nobelprijswinnaar Saul Bellow. Fascinerend is het gesprek dat Roth twee jaar voor diens zelfmoord voerde met de Italiaanse schrijver Primo Levi, die een bijna goddelijke status verwierf nadat hij in ‘Is dit een mens?’ zijn beproevingen in Auschwitz op schrift had gesteld: ‘Ik vond het mijn plicht om eer te bewijzen aan die joden die, onder uitzichtloze omstandigheden, de moed en het vernuft vonden om verzet te plegen.’

 

Philip Roth: ‘Over het vak. Een schrijver, zijn collega’s en hun werk’ (‘Shop talk’). Uit het Engels vertaald door Else Hoog. 176 blz, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam.

 

2002

UA-37394075-1