Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Poëzie is voor Hans Verhagen bittere noodzaak

Voor Hans Verhagen (3 maart 1939) is poëzie geen vrijblijvende zaak. Voor hem is zij bittere noodzaak. De bevestiging van een groot dichterschap is zijn jongste bundel ‘Draak’, een nieuw hoogtepunt in zijn toch al rijke oeuvre. Een gesprek, op 31 juli 2006, met de dichter voor wie ,,poëzie een plezierige bezigheid is die aan je vreet”.

Twee jaar na het gesprek, in december 2008, werd Hans Verhagen de P.C. Hooftprijs 2009 voor poëzie toegekend ‘vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid’.

Ik wist al eerder dat ik goed was’

Hans Verhagen is de laatste jaren door een nieuwe generatie critici bejubeld zoals hij in zijn begintijd werd geprezen om zijn vernieuwende, gedreven poëzie in de bundels ‘Rozen & motoren’ (1963), ‘Cocon’ (1967), ‘Sterren cirkels bellen’ (1968) en ‘Duizenden zonsondergangen’ (1971). Die hernieuwde waardering en bewondering, nadat de kritiek hem in de jaren tachtig en negentig minder welwillend bejegende, doet hem goed, maar lijkt hem niet echt te verwonderen: ,,Ik wist al eerder dat ik goed was.” Toch is van zelfgenoegzaam triomfalisme geen sprake.

Hans Verhagen, opverend, op vermanende toon: ,,Als ik nu lees dat ik met ‘Triomfantelijke wandelingen’ (2000) een nieuwe weg ben ingeslagen, denk ik meteen: omdat je voordien nooit iets van me hebt gelezen! Maar dat is de trend; historisch bewustzijn is in Nederland nagenoeg verdwenen. Het lijkt wel een typisch Nederlands patroon, want in de jaren vijftig bleef, ondanks de breuk van de oorlog, Nederland in de greep van het verleden steken. Neem van mij maar aan dat alles op een heel laag pitje stond. Nu doet Nederland denken aan een man die zijn benen laat amputeren omdat hij een bromfiets heeft gekocht. Alles wat voorafging wordt domweg ontkend.”

,,Maar zonder verleden heb je geen heden en geen toekomst. Dat komt natuurlijk mede door onze ongeïnspireerde, gevoelsdomme leiders. Zelf noemen politici dat ‘duidelijkheid’. Maar met tien miljoen mensen op een vierkante meter kun je ‘duidelijkheid’ beter vergeten. Het veranderde levensgevoel van de jaren zestig had ook niets met de politiek te maken. Het stroomde ons land binnen op een muziekgolf.”

,,Laten we zeggen dat de luxe van de artistieke belevenis, van schoonheid met waarheid, gedemocratiseerd werd in de tijd van The Beatles, The Who, Dylan, Cream, Reed et cetera. Daaruit kwamen de impulsen vandaan waarvan politici de neerslag zagen en probeerden om te profiteren. Maar ze konden alleen de oppervlakkigste noties pikken, want wat er echt gebeurde zagen ze niet. Maar ik zag de bevrijding om mij heen. Zelf had ik jaren tevoren al een ontdekking gedaan die het voor mij deed: de experimentele poëzie, zoals het toen nog heette. Een paar jaar na verschijnen kreeg ik een bundel van Lucebert in handen, ‘Van de afgrond en de luchtmens’ (1953). Ik was net 16. Ik wist niet wat ik las. Het leek aanvankelijk wartaal maar daar kwam een enorme magie vandaan, het intrigeerde me mateloos. Die poëzie paste prima bij mijn verzet tegen de gevestigde orde, school, leraren, ouders, de druk van het te lage wolkendek. Later bleek dit Luceberts meest lyrische poëzie maar door de vrijgevochten omgang met geheiligde begrippen wakkerde dat werk het vuur van mijn verzet en verlangen naar vrijheid meer aan dan sommige van zijn politieke en anarchistisch bedoelde gedichten. Dat mensen het niet met elkaar eens waren en oorlog voerden wist ik al uit andere bronnen Maar dat je een eigen taal kon maken, met al die geheimen, om iets te zeggen wat op geen enkele andere manier te zeggen valt, dat was misschien wel de grootste eye-opener sinds mijn geboorte.”

 

‘Soms werd ik geprezen op gronden

die me helemaal niet bevielen.’

 

Nog voor The Beatles, in 1963, verscheen zijn dikke debuutbundel ‘Rozen & Motoren’, die insloeg als een bom, ook publicitair. Verhagen, net in de twintig, werd door sommige critici prompt beschouwd als belangwekkender dan Lucebert. ,,Soms werd ik geprezen op gronden die me helemaal niet bevielen. Door mensen die dachten van de Vijftigers verlost te zijn. Maar ik was gek op de 50-tigers. Dus daar ben ik nooit ingetrapt.”

Wel moet tot tevredenheid gestemd hebben dat mensen als Campert, Elburg, Kouwenaar, Lucebert die niet zo dol waren op die Nieuwe Stijl-beweging waar Verhagen in zat (met Armando, Cornelis Bastiaan Vaandrager en Hans Sleutelaar, ndb), van meet af aan op zijn talent wezen. Maar dat ze de door hem gekoesterde gedichten van Armando totaal niet zagen zitten, verwondert hem tot op de dag van vandaag.

,,In de jaren zestig stonden wij te boek als radicale vernieuwers, en we zetten ons ook wel af tegen de Vijftigers, maar dat was om een vuist te kunnen maken. Treuren over de tragiek van de moderne mens was niet ons pakkie-an. We gaven er de voorkeur aan ons bezig te houden met wat alle mensen altijd gemeen hebben gehad. Sleutelaar zei: ‘Poëzie komt niet voort uit het poëtische, maar uit het anti-poëtische’.


Hans Verhagen – dichter, schilder, journalist, filmmaker – heeft moeite met interviews. Toch toont hij zich in het gesprek een welbespraakt man, zij het op een rusteloze manier. Zijn taal – hij is verbaal net zo associatief als in zijn poëzie – waaiert tijdens het gesprek alle kanten op. ‘Draak’, zijn jongste bundel, vormt daarin de rode draad, maar zijn gedachten voeren hem herhaaldelijk terug naar een even glorieus als aangrijpend verleden.

Terloops passeren de wapenfeiten: zijn jeugd als notariszoon in Vlissingen en de bliksemcarrière als journalist in de jaren zestig (de jongste bediende van 17 bij de Provinciale Zeeuwse Courant was binnen twee jaar de maker van een eigen pagina, Pagina Q, in het Algemeen Dagblad).

Zijn werk bij de Haagse Post in Amsterdam, wat toen een avontuurlijk nieuwsweekblad was, waar onder anderen Jan Vrijman, Armando, Vinkenoog, Rem Koolhaas, Cherry Duyns, Joop van Tijn, Trino Flothuis, Peter Brusse zijn mederedacteuren waren. Zijn debuut in het tijdschrift van de Vijftigers, Podium, en zijn redacteurschap van het Vlaams-Nederlandse avant-gardeblad gard sivik. Het succes van zijn eerste drie bundels. Zijn baanbrekende spraakmakende werk voor televisie (Hoepla, Het Gat van Nederland, talloze documentaires). De harddrugs en (vooral) het afkicken ervan, waarover hij in de onderschatte droefgeestige bundel ‘Kouwe voeten’ (1983) verslag deed. De groeiende kritiek op zijn werk. Zijn succesvolle exposities in de jaren negentig als beeldend kunstenaar. De vriendschap met zijn zoon Norman (1961), die muzikant is. Zijn trouwe vriendin Doré Steenman. De ziekte en dood van zijn grote liefde en muze Conny Tavenier over wie hij al in ‘Duizenden zonsondergangen’ (1971) met voorspellende gave schrijft:

 

Ik herkende haar aan het gebaar

waarmee ik naar haar omkeek;

we omhelsden mekaar dankbaar,

zonder haar zou ik gestorven zijn,

zonder mij zou zij niet zijn heengegaan.

 

Hans Verhagen oogt vitaal, zeker voor iemand die zo’n onstuimig leven heeft geleid. Hij heeft een doorleefd gezicht. Zijn haren zijn halflang zwartgeverfd. In het aan ‘Hans Verhagen, dichter-filmer-schilder’ gewijde Schrijversprentenboek (uit 2003) wijdt zijn kunstbroeder Hans Sleutelaar een ‘persoonlijke kroniek’ aan hem. Hij typeert Verhagen als volgt: ,,Nooit heb ik een dichterlijker mens ontmoet dan Hans Verhagen. Hij is er en hij is er niet. Hij is nog niet uitgesproken of zijn gedachten zijn alweer ergens anders. Hij is onafgebroken aan velerlei opwellingen ten prooi. Hij schijnt voortdurend in een staat van creatieve opwinding te verkeren. Hij is in aanleg een manisch persoon. Gewoon doen kan hij niet. In zijn optreden is hij naar alle kanten open en inspirerend. Waar hij komt, wordt het lichter en gekker. Hij is een Ariël, een watergeest – vol luchtige ernst, wrede tederheid en bedrieglijke oprechtheid.”

 

Dat klinkt romantisch, toch zit er wel iets in. De dichter is onrustig en rusteloos en maakt soms een afwezige indruk, maar dat is schijn, want hij reageert alert en scherpzinnig; niets lijkt hem te ontgaan in zijn appartement schuin tegenover Amsterdam Centraal Station waar het geroezemoes van het CS door de geopende ramen naar binnendringt. Hier huist een kunstenaarsziel. Hier regeert de getemde chaos. Overal verspreid staan en hangen schilderijen in felle kleuren. Overal boeken in uiteenlopende genres en over verschillende onderwerpen (veel popmuziek), veel poëzie.

 

‘Eeuwige vlam’ als kroon op het werk

 

In 2003 verscheen ‘Eeuwige vlam’, een verzameling van de gedichten die Verhagen tussen 1958 en 2003 publiceerde. Het boek werd als kroon op zijn werk beschouwd. Nu blijkt dat dit enigszins voorbarig was, dat zijn beste werk nog moest komen.

Verhagen: ,,Het boek besloot opzettelijk met twee nog niet gepubliceerde reeksen, ‘Citadel’ en ‘Uit het halogeen’, die een nieuwe poëtische periode aankondigden, al kwamen ze in zo’n dik boek niet goed tot hun recht. Niet iedereen heeft bovendien het geld voor zo’n duur boek. Daarom heb ik ‘Halogeen’ opgenomen in ‘Moeder is een rover’ (2004) en de cyclus ‘Citadel’ in ‘Draak’. Ze pasten er feilloos in.”

Zijn productiviteit lijkt sinds de publicatie van ‘Eeuwige vlam’ alleen maar te zijn toegenomen. Inmiddels heeft hij alweer een nieuwe cyclus geschreven, ‘Vesting Holland’, waarbij beeldend kunstenaar Lucassen vijf etsen maakte voor een peperdure bibliofiele cassette van de Gentse uitgever Rein Ergo (verschijnt najaar 2006). 

Een voorproefje uit ‘Vesting Holland’:

 

Zo hoog als ik stond, zo leeg ik mij maalde

 

In het woeste berglandschap der Nederlanden

zaten we soms dagen zonder water,

ondertussen ons in hangmat schuldig makend aan misbaar,

onze volgehangen crucifixen bloeiend onder water

 

In dit barre dal van de vesting Holland,

waar een vuur brandt

hebben sabeltandtijgers juist een van de kudde afgedwaald

mammoetkalf verslonden,

malser snack zal hier nooit worden uitgevonden

 

Onder van de Noordpool af en toe een briesend-koude vlaag

kwispelde alleen het topje van de ijsberg even in wijk 7

Het was prachtig vannacht in Den Haag

 

Tussen 1971, toen ‘Duizenden zonsondergangen’ verscheen (6de druk: 2003) en 1984 (‘Kouwe voeten’) heeft Hans Verhagen geen gedichten gepubliceerd, en daarna duurde het tot 1992 voordat ‘Autoriteit van de Emotie’ uitkwam. Zijn vaste lezerskring groeide met elke bundel en er waren altijd positieve besprekingen, maar de meeste recensies waren afwijzend. Dat was Verhagen niet gewend. ,,Er bleek een geweldige regressie aan de gang”, zegt hij. ,,De mij onbekende krantenschrijvers schreven of er nooit Vijftigers en Zestigers waren geweest. Ze reageerden op m’n werk als burgermannen die voor het eerst een Picasso zien. Niet zomaar negatief, maar aggressief, krenkend, onbeschoft. Heel persoonlijk soms. Iemand die me voor de radio interviewde zei: ’Het lijkt wel of je iets met zijn vrouw hebt gehad’ – dus ik was niet de enige die de rare toon opviel. Ik bespeurde ook altijd iets van morele verontwaardiging. De recensenten van de jaren tachtig en negentig boden tegen elkaar op in valsheid. Vooral in de geest van dat weerzinwekkende ‘Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’-type.”

 

Hans Verhagen is een groot dichter, en als je dat niet ziet dan ben je een lul’, had Lucebert gezegd.

 

,,In bloemlezingen kwam ik nauwelijks meer voor. Het leek vaak of ze iets heel anders hadden gelezen; of dat ze de hele bundel niet hadden gelezen. Ik ben een twijfelaar, en ik denk dat dat voor een kunstenaar een goeie dispositie is. Ik twijfelde wel aan mezelf, maar niet aan m’n werk. ‘Hans Verhagen is een groot dichter, en als je dat niet ziet dan ben je een lul’, had Lucebert gezegd, en de uitgever was blij dat hij iets had om op de kaft te zetten.”

,,Wat ook tot verwarring leidde bij de recensenten was dat elke bundel, hoewel onmiskenbaar van mij, qua benadering en dergelijke toch geheel anders was. Dat vond men vreemd en verdacht terwijl verandering toch het wezen van de kunst is. Bovendien zijn het humorloze droogkloten, terwijl toch elk serieus te nemen kunstwerk op humor berust. Maar zij dachten dat daarmee de poëzie wordt ontheiligd. De meeste intellectuelen zijn niet zo elastisch van geest, met onbeweeglijke opvattingen over wat kan en niet kan. Die mensen zagen domweg niet wat ik daar deed, in die gedichten. Ze waren bang belazerd te worden; de woorden ‘kitsch’ en ‘camp’ vielen vaak. Wel, ik kan alleen werken op het scherp van de snede, maar wie de authenticiteit van mijn werk niet onderkent zou in mijn krant nog geen bamzaaiverslag mogen schrijven.”

 

Elk woord telt, elke zin staat, elke strofe hakt erin.

 

Verhagens recente bundel ‘Draak’ bevat doorleefde poëzie. De inzet is hoog. Deze poëzie is niet vrijblijvend, zij is bittere noodzaak. Het is de dichter menens, elk woord telt, elke zin staat, elke strofe hakt erin. De poëzie is aards en verheven tegelijk. Duister en licht, zwaar en speels. Een lyrische stijl vloeit moeiteloos samen met een harde zakelijkheid. ,,Tegenstellingen hebben altijd in mijn werk gezeten,” beaamt de dichter. ,,’Rozen & Motoren’. Natuur & cultuur; eb en vloed. Wij bestaan uit energie, de wrijving tussen tegengestelde polen. Intellect en intuïtie. Alles is energie. Geen wonder dat de roep om harmonie niet wordt beantwoord.”

 

Meer nog dan ‘Moeder is een rover’ lijkt ‘Draak’ een reactie op een samenleving op drift. Is hij een geëngageerd dichter?

Verhagen: ,,Ik krijg het altijd een beetje benauwd als mensen dat zeggen. Het begrip ‘geëngageerd’ is in de vooraankondigingen van de bundel ook gebruikt. Maar wat betekent het? Elke dichter is toch geëngageerd? Geschreven op de huid van deze tijd? Tja, ik woon in deze tijd. Het woord doet me een beetje denken aan mensen die zich verbonden hebben aan een al of niet politiek ideaal. Wat ik in die gedichten doe is juist de meest uiteenlopende dingen met elkaar in verband brengen. Het begrip ‘Totale poëzie’ is voor het eerst gebruikt in Sleutelaars flaptekst van ‘Rozen & Motoren’. Ik schrijf in een gedicht nooit over iets, het gedicht is zelf iets. Thema’s en onderwerpen heb je alleen nodig als kapstok, omdat het anders te ijl wordt. Die gedichten komen namelijk voort uit de wereld van het gevoel, en verhandelen geen feitelijke informatie. Daar heb je andere media voor.”

 

Uit de gedichten in ‘Draak’ spreekt een grote levensdrift. Ondanks een grillig en wild leven vol toppen en dalen en een zwarte visie bent u een vitaal dichter gebleven.

,,Zwarte visie? Dat hou ik tegen. Dan denk ik eerder aan gedichten die… maar nee, dan denk ik helemaal niet aan gedichten… Mijn werk wordt juist gedragen door het licht. Soms aan het eind van een lange tunnel, maar toch. Was ik behept met een zwarte visie, dan schreef ik geen gedichten. Je hebt toch tenminste energie nodig, je moet je een beetje goed voelen, wat niet wil zeggen dat je dan niet de vreselijkste dingen kan schrijven.”

,,Natuurlijk word je met de tijd misschien een beetje sardonisch en je kan minder dan ooit blind zijn voor de vreemde deal die je denkt te krijgen: je krijgt een leven, een bewustzijn en meteen de niet mis te verstane mededeling dat je dat alles ook weer in moet leveren. Of althans, dat denken we, maar over een helder overzicht beschikken we niet, ook al omdat we geen idee hebben van de totaliteit, waarvan ons leven al of niet deel uitmaakt.”

,,We hebben alleen maar veel verschillende vermoedens over de dood, maar we weten er geen ene moer van. Dat hoeft ook niet omdat we geacht worden te leven. En ja, we worden op alle mogelijke manieren belazerd en in een keurslijf gedwongen van opinies en morele waarden die de onze niet zijn en het leven is verre van volmaakt en vaak keihard en om te grienen, maar ik vind helemaal niet dat de wereld naar de klote gaat.”

,,En dat zeg ik ook niet. Het verwonderde me dat het uitstekende artikel van Ilja Leonard Pfeijffer over ‘Draak’ in NRC Handelsblad met die conclusie eindigde. Want uit ‘Draak’ komt het leven ook tevoorschijn als iets zo duizelingwekkend veelkantigs dat we wel gek zouden zijn om in zak en as te gaan zitten. De poëzie is juist een van de middelen om de ziel uit die troep te verheffen.”


‘Draak’ wemelt van de sprankelende taal en frappante regels waaruit je van enthousiasme en bewondering zou willen blijven citeren: ‘Voor iemand die op eigen kracht zo ver was weggezakt’. ‘Het Westen walst omdat het niet kan dansen/ want dansen leer je in de hel’. ‘Er is geen ander evenwicht dan wankel’, heet het in het gedicht ‘Noodgang’, om te vervolgen met het veelbetekenende: ‘Ook liefde doet aan politiek’.

Verhagen: ,,Dergelijke regels spreken aan omdat je daarin kennelijk iets van waarheid ervaart. Niet dé waarheid, zo staat het niet geschreven, maar een bewegende waarheid die onder bepaalde specificaties van tijd en ruimte even jouw waarheid kan zijn. Wie zijn waarheid, of die nu door inspiratie of door informatie aan het licht is gekomen, niet ondergaat als van voorbijgaande aard is een fundamentalist. In mijn poëzie is alles permanent in beweging, mede dankzij de klank en het moordende ritme. Of niettegenstaande dat ritme. Het valt allemaal onder ‘content’. Vorm en inhoud zijn één. Ik ben zelf ook wel blij met hoe het uitpakt, anders zou ik er uiteraard niet zoveel tijd aan besteden of het lef hebben het te publiceren.”

,,Ach,” zegt hij met een ironische glimlach, ,,ik vind poëzie een spannende bezigheid. Maar het vreet ook aan je.”

 

Haar in mijn bloedeigen avondrood zien ondergaan

versloeg mij met verlatenheid

De wereld rolde door in megaspijt;

we zijn aangeland in het jaar van de komodovaraan

 

(Uit. ‘Wereld’.)

 

Het woord draak uit de titel kan naar verschillende betekenissen verwijzen. Fabelmonster of vuurspuwer, Chinees schip, onuitstaanbaar mens, hagedis, melodrama, draak van een stuk en zo voorts.Verhagen: ,,’Draak’ vond ik gewoon een lekkere, korte titel. De vorige was nogal lang. ‘Moeder is een rover’ zegt zowel iets over een proces van ontluistering als over de eigenzinnigheid van de schrijver. Een waarschuwing: Betreden op eigen risico. ‘De hemel is groen als een sinaasappel’, dat werk.”

De figuur uit de titel meldt zich al in de eerste reeks. Met de regel ‘we zijn aangeland in het jaar van de komodovaraan’ verwijst de schrijver naar de grote hagedis (tot 3 meter lang en 150 kg zwaar) die leeft op het Indonesische eiland Komodo. De helft van de bevolking loopt daar op één been, volgens Verhagen. Het dier jat baby’tjes uit wiegjes. Kortweg ‘dragon’ wordt hij genoemd in het internationale verkeer. Zijn beet kan een dodelijke bacteriële infectie veroorzaken. ,,Als je hand alleen maar met zijn speeksel in aanraking komt, valt-ie er zo ongeveer vanaf”, beweert de dichter. ,,Het is een verschrikkelijke jongen, hij ziet er log uit maar kan ineens razendsnel toehappen.”

 

Met het klimmen der jaren werden mijn ogen steeds beter,

ik zie het verschil niet meer tussen rijke kooplieden

en draaideurcriminelen (allebei stelen)

of tussen gezeten gangsters en justitiële zwaargewichten,

beiden bedreven in het blindelings uitvoeren van bevelen

 

Onderwijzers van de plattelandsuniversiteit maken alles erger

door te wapperen met hersenspinsels van een platheid

die misschien gezichtsverlies voorkwam in vroeger tijd

maar heden niet verheelt dat hun studenten

rechtstreeks worden opgeleid tot witteboordencriminaliteit

 

(Uit: ‘Waarneming’)

 

,,‘Waarneming’ is een van de merkwaardige mislukte mini-essays uit de serie ‘Beeldvorming’, maar ik meen het. Ik zie het verschil niet tussen de verafgode rijke kooplieden die belangrijker worden geacht voor de Gouden Eeuw dan de grote kunstenaars die hen tegen een zacht prijsje mochten schilderen en waarvoor nu lange rijen voor het Rijksmuseum staan. Ondertussen roofden deze heren Nederlands-Indië leeg. Terwijl die draaideurcriminelen, in feite slachtoffers van kortzichtig beleid en sociale ellende, bijna tot nationale zondebok worden verklaard.”

 

Uit uw poëzie spreekt ook weerzin tegen de vercommercialiseerde maatschappij waarin we leven, tegen de platte smaak, tegen de oppervlakkige cultuur.

,,Maar als je dat zo zegt rijst alweer het bebaarde schrikbeeld van al die goedwillende softies bij me op, die in hun omgeving voor ‘artistiek’ worden aangezien. Ook allemaal mensen met een voorgebakken mening die alleen ontvankelijk zijn voor wat ze ooit als een soort geloof hebben geadopteerd. En dat is misschien nog wel iets dat je typisch voor Nederland zou kunnen noemen, namelijk omdat het zo klein is: iedereen wordt er volgens de normen van de gemeenplaats bij een groep ingedeeld en, erger nog, láát zich indelen. Merkt men dat ik, die te boek sta als dichter, bijvoorbeeld van voetballen houd, dan is menigeen verbijsterd.”

,,Vroeger deed ‘Jazz at the Philharmonic’ geregeld ons land aan, een wat kermisachtig vormgegeven jazzshow met Amerikaanse topmusici. Twee tenoristen, Flip Philips en Illinois Jacquet als je het weten wil, deden dan om de feestvreugde te verhogen een ‘battle of the saxes’, die onvermijdelijk uitdraaide op een enorm gescheur en Jacquet was ook nog berucht om zijn flageoletten (in jazz: hoge, via het riet tot stand gekomen fluittonen). Iedereen genoot, maar na het concert schudde menig jazzliefhebber toch mismoedig het hoofd, mompelend: ‘te commercieel’. De recensenten klaagden luid: Helaas konden de heren Philips en Jacquet de verleiding niet weerstaan… et cetera. Zo heb ik het woord commercieel leren kennen: iets afkeurenswaardigs maar ook iets hypocriets in een land waar geld tot geloof was verheven. Van die schijnheiligheid zijn we nu wel verlost.”

,,Waar ik de pest aan heb is hebberigheid, ‘Niets telt dat niet kan worden opgeteld’ of zoiets heb ik wel eens geschreven (in het gedicht ‘gevoelige snaren’ uit de reeks ‘Silvana Mangano in Bittere rijst’, ndb). Iemand die graag een schilderij ziet krijgt door zijn medemens meteen een stokbrood en een baret en een fles roodwijn aangemeten. Wat die weerzin tegen platte smaak betreft, dat lijkt ook wel zoiets dat jij me als vanzelfsprekend toedicht, terwijl meer verhevenen mij juist ‘vanaliteiten’ hebben verweten. Nee, waar ik vooral een bloedhekel aan heb is het betere genre, het andere uiterste, dezelfde bullshit maar dan beschaafd, dat wil zeggen, dat alles wat naar echtheid riekt er ook nog is uitgehaald.”

,,Wat ik in ‘Waarneming’ schrijf is historisch: ik kreeg in allebei mijn ogen een infectie door geknoei met verf. Dat was nogal pijnlijk. Dan word je een soort vampier, die uit de buurt van het licht moet blijven. Toen die ontstekingen verdwenen waren, had ik ineens die ene contactlens die ik altijd droeg niet meer nodig. Ik kon nu een mug z’n pootjes zien zitten wassen op de kerktoren van Medemblik. Het is geen wonder maar een kwestie van leeftijd, je oog gaat van hol naar bol of andersom, op een gegeven moment zijn ze toevallig net goed, een vreemde maar aangename gewaarwording als je van je twaalfde een bril of lenzen nodig hebt gehad. Omdat dat proces verder gaat zal het wel tijdelijk zijn. Wie weet wat mij nog te wachten staat.”

,,Toch is die constatering uit de eerste regel er waarschijnlijk alleen in gekomen vanwege de paradox, omdat je tot ziekwordens toe te horen krijgt dat je gezondheid bij het klimmen der jaren juist afneemt. Overigens is ‘zien’ in die gedichten iets dat meer met het hart te maken heeft dan met de ogen, dus waar hebben we het over.”

 

‘Ik herken woede ook wel eens als drijfveer.’

 

Er zit veel woede in uw poëzie.

Verhagen: ,,Ja, dat zegt men. Ik herken het ook wel eens als drijfveer. Ik ken gevoelsaandoeningen waar ik me liever aan overgeef. Ik heb -in poetics – toch altijdaandacht kunnen opbrengen voor wat woede opwekt en waar dat weer vandaan komt. Ik denk dat ik in wezen meer een verzoener ben. Wat moet ik erover zeggen. Ik schrijf niet voor niets poëzie.”

 

U bent min of meer uw eigen psychiater?

Verhagen: ,, Maar psychiaters liggen mijlenver achter op de werkelijkheid, om maar eens te generaliseren. Als mensen werkelijk in geestelijke nood verkeren geven ze niet thuis. En dat thuis is meestal een villa. Ze zijn niet de meest elastische denkers. Het zijn voorbeelden van mensen die zich vastklampen aan één onaantastbare waarheid, en die komt uit een leerboekje met ezelsoren.”

 

Niet verzuimen om je hoofd te blijven stoten –

als je even wegzakt loopt het plein leeg en ontsnapt je pleinvrees

en verdwijnt het plein,

gorgelend uit al z’n goten

 

Een treffende strofe uit de cyclus ‘Engte’. In dezelfde reeks staan de regels:

 

een sprankelende bron van informatie,

nu een kale praataap met een pispaal en een vaginale hemelpoort

waardoor iedereen verdween.

 

Gevolgd door:

 

In de desolate doorgangen van Amsterdam CS

droomt een klerk van de NS

dattie, bij verstek van de SS,

daklozen castreren mag bij de spoorwegpolitie.

 

Verhagen: ,,Ja, dat gaat ver, tot in het belachelijke zelfs. Toch raad ik iedereen aan vooral die laatste regels serieus te nemen. De strofe is ingegeven door de griezelige term ‘spoorwegpolitie’; jongens in de leeftijd van zelfoverschatting, niet gehinderd door enige ervaring of kennis, en hun beroepskeuze is ook al geen aanbeveling; men gaat ervan uit dat ze in toom worden gehouden door het uniform. Maar van uniformen is bekend dat er meestal een heel andere werking van uitgaat.”

,,En aan wie moeten ze verantwoording afleggen? De spoorwegen? Maar van wie zijn de spoorwegen? Niet van het volk dat er op aangewezen is en dat heeft kunnen waarnemen hoe een voortreffelijk lopend apparaat tot een volslagen falend geleid derdewereldbedrijf is afgegleden. Sinds de zogenoemde ‘liberalisatie’, op voorspraak van een poenige splintergroepering die zich abusievelijk adverteert als ‘liberaal’. De vrije markt dient om de concurrentie te vergroten zodat de reizigers goedkoper uit zijn. Die ene concurrent (op één lijntje, Amsterdam-Zandvoort) is met bekwame spoed weggepest, de reiskosten rijzen inmiddels de pan uit en als in de herfst een paar blaadjes op de rails komen staat de helft stil wegens ‘vierkante wielen’, waar de voorgaande halve eeuw nooit iemand last van had gehad.”

,,In Groot-Britannië, waar het argument van de concurrentie nog een zweem geloofwaardigheid had, was hetzelfde experiment op rampen uitgelopen, soms letterlijk, met honderden doden, toen men er hier nog mee moest beginnen. Maar politici, eenmaal op een spoor gekomen en in beweging gezet, zijn macho genoeg om van geen wijken te willen weten, maar niet mans genoeg om fouten toe te geven en het spoor terug te volgen.”

,,Waarom zetten ze die spoorwegpolitie niet in om zelfverrijking, corruptie en blunders in de leiding van de NS en het bedrijfsleven op te sporen? Vergezocht? Het ideaal van de jaren zestig was dat dit soort dingen zou verdwijnen. Het is alleen maar erger geworden. Uit eigen waarneming weet ik dat er heel wat goeie mensen in Nederland rond lopen, maar met alle respect voor de hardwerkende mensen in de Tweede Kamer: in het parlement zie ik ze niet zitten. En de democratie heeft geen concurrentie. Een schoenmaker moet veertien diploma’s kunnen tonen, maar om burgemeester van een grote stad of minister-president te worden is het trouwe lidmaatschap van een politieke partij al voldoende. Leve de democratie! Maar wat in de VS gebeurt wordt hier nagevolgd. Leuk idee, nu er een ezel in de White House (George W.Bush, ndb) zit met slechteriken aan de touwtjes die zelfs kan worden herkozen.”

,,Nederland was een jaar of veertig geleden wel degelijk op weg een fatsoenlijk land te worden dat, profiterend van zijn kleinheid, voor een lichtpuntje had kunnen zorgen voor de grauwe Europese massa’s. Maar al suggereren de politici het tegendeel, Nederland is nu een in alle opzichten klein landje geworden. Vroeger had je boer Koekoek van de Boerenpartij. maar die werd toch niet erg serieus genomen. Nu is er een mevrouw Verdonk die met haar ruwe bolster blanke pitbeeldspraak en het taalgebruik van de hoge middenstand erger en gevaarlijker is, en dat is een gerespecteerd lid van de ‘liberalen’ en de meest bewonderde politicus in het land, althans volgens de onbetrouwbare cijfers van polls. De hebberigheid regeert! Men beroept zich nog altijd op een perfecte gezondheidszorg – maar iedereen weet: nergens is het zo’n zootje. Waarom geven zoveel Nederlanders zoveel geld uit om in het buitenland – tot in fucking China toe – essentiële medische hulp te zoeken? En dan de klassenjustitie, het griezelig falen en de kwaadaardigheid van het Openbaar Ministerie.”

,,En vraag voor de aardigheid, omdat wij immers cultuurdragers zijn, eens aan de specialisten in het parlement om één na 1950 geschreven Nederlandse dichtregel te citeren. Je mag blij zijn als je een regeltje van Annie M.G. Schmidt te horen krijgt, een schrijfster die je sowieso beter kan vergeten. Die mensen weten niet eens dat ze hun identiteit te danken hebben aan hun taal die door schrijvers wordt levend gehouden. Niet dankzij maar ondanks de politiek. Is dit een uiting van woede? Erg druk maak ik me er niet om; ik volg de binnenlandse politiek niet eens. Ik denk dat ik in de poëzie de vinger beter op de wonde leg.”

 

En komen er Chinezen met gevaar voor eigen leven

op onze stoerste jongemannen jagen

om ze in te lijven in het grote Gele Leger

‘Die hoeven we alvast geen uitkering te geven’

 

(Uit: ‘Multiplicatie’.)

 

Verhagen: ,,Tja, het zijn allemaal verschillende stemmen die in mijn gedichten aan het woord komen. Ik vind het wel aardig, zo’n strofe, uitgesproken door een gestoorde eenling, en elke eenling is een gestoorde, al is hij de enige die sane is. Je kunt zeggen dat al die stemmen, al die uiteenlopende meningen in mezelf zitten. Ik zit er vol mee. Ik ben een model-democraat. Ik schrijf ze wel eens op. Soms klinken ze goed en toch schrap ik ze. Soms klinken ze verkeerd, en dan schrap ik ze ook. Ik schrap nogal wat.”

 

Ondanks een rijk oeuvre ontbreken (grote) literaire prijzen. Voelt u zich daardoor niet genegeerd, gekrenkt of miskend?

Verhagen: ,,Literaire prijzen hebben niets met poëzie te maken. Het gaat om een apart circuit van mensen die elkaar kennen en ik ga niet intensief met letterkundigen om.”

 

Hans Verhagen: ‘Draak’, uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 64 blz., 2006. ‘Vesting Holland’, een gedichtencyclus van Hans Verhagen, met etsen door Lucassen, Ergo Pers (Gent). Verzamelde gedichten: ‘Eeuwige vlam’, Nijgh & Van Ditmar, 555 blz., 2003.

 

Augustus, 2006

UA-37394075-1