Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Proust en het vulgaire snobisme van een verloren wereld

’A la recherche du temps perdu’, het levenswerk van de Franse schrijver Marcel Proust (1871-1922), blijft onverminderd zowel kunstenaars als lezers inspireren.

 

Nieuwe generaties ontdekken telkens de beroemdste romancyclus van de vorige eeuw, ondanks de even ontzagwekkende als afschrikwekkende omvang ervan – zeven delen, drieduizend bladzijden, meer dan een miljoen woorden – en ondanks de legendarisch lange, meanderende zinnen van Proust waarvoor je, om er volop van te kunnen genieten, de tijd moet nemen.

Maar wie de lange reis eenmaal aanvangt en zich niet laat afschrikken door de soms ellenlange maar vaak schitterende – en soms ook onmogelijke en half ontspoorde – volzinnen zal een rijke leeservaring aan Proust overhouden. Wordt immers niet altijd beweerd dat iedereen na het lezen van ’A la recherche du temps perdu’, bij ons vertaald als ’Op zoek naar de verloren tijd’, wijzer is dan daarvoor?

De integrale vertaling van ’Op zoek naar de verloren tijd’ door Thérèse Cornips – die het leeuwendeel voor haar rekening nam – is in een betrekkelijk goedkope zevendelige cassette verkrijgbaar. Als opwarmertje fungeert ’Een liefde voor Proust’. Hierin delen twintig Nederlandse schrijvers en critici hun bewondering voor deze kolossale sleutelroman, waarin Proust een haarscherp beeld oproept van de hoogste Parijse kringen en het milieu waarin hij opgroeide.

Deze kroniek van de magische herinneringen begint met de gelukkige kinderjaren van de held, Marcel geheten, en eindigt met de volwassenheid van de verteller die tot het inzicht komt dat de verloren tijd wel degelijk is terug te halen. De titel, ’Een liefde voor Proust’, is een parafrase op ’Een liefde van Swann’ – deel 2 van boek 1 ’De kant van Swann’ – dat als enige in de cyclus ook als afgerond verhaal valt te lezen.

Wat maakt Proust nu nog altijd zo bijzonder? Cees Nooteboom, voor wie de Fransman dé schrijver van de twintigste eeuw is, heeft bij het lezen van Proust altijd het gevoel ’dat dit boek alleen voor mij geschreven is, omdat je als lezer de illusie gegeven wordt dat je een onzichtbare toeschouwer mag zijn, niet alleen bij de mondaine feesten van de haute bourgeoisie, maar ook bij de decadentie en het vulgaire snobisme van een wereld waarvan niemand zich nog het bestaan zou willen herinneren’.

Rudi Wester, publiciste en directeur van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds, kent geen geestiger schrijver dan Proust: ’Zonder commentaar analyseert hij haarscherp de absurde gedragingen van mensen, de schone schijn van maatschappelijke relaties, de waanzin van de liefde door de natuurlijke neiging van mensen om op de verkeerde te vallen.’

Niet minder hemelhoog prijzend en – soms – al te hoogdravend zijn de bijdragen van onder anderen Willem Brakman (’de moederliefde bij Proust is even ziekelijk als volmaakt’), Anneke Brassinga (die met Cornips sprak over hoe hondsmoeilijk het is om Proust te vertalen), Geerten Meijsing (die Proust als gedragspsycholoog oneindig veel hoger aanslaat dan ’de Weense volksverlakker Freud’), Hafid Bouazza, Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes (die het onmogelijk te vertalen ’Finnegans wake’ van James Joyce vertaalden), Paul de Wispelaere, Abdelkader Benali, Lisette Lewin (“Zijn vroegste kinderherinneringen inspireerden mij, soms tot tranen toe, tot de mijne’). Zij lichten allen diep hun hoed voor de Franse meester.

Alleen de eerste en de laatste bijdrage in het boek zijn van buitenlanders. De eerste is van de grote Amerikaans-Russische schrijver Vladimir Nabokov (1899-1977), die veel zinnige dingen over Proust schreef. De laatste is van Prousts toegewijde huishoudster Céleste Albaret (1891-1984), die de ziekelijke kluizenaar verzorgde en terzijde stond van 1913 tot aan zijn dood. Jarenlang luisterde zij, op een stoel bij of op de rand van zijn bed gezeten, naar de verhalen van de schrijver nadat hij ’s avonds laat of midden in de nacht met een hoofd vol verhalen was teruggekeerd van een soiree in de hoge Parijse kringen. Haar bijdrage is afkomstig uit haar autobiografie ’Mijnheer Proust’, die járen geleden bij De Arbeiderspers verscheen.

Prachtig, zo’n verzameling kleine liefdesbetuigingen van Proust-adepten. Maar zou er werkelijk iemand zijn die op grond van ’Een liefde voor Proust’ geprikkeld wordt om eindelijk Proust te gaan lezen? Ik waag het te betwijfelen. Hoe lezenswaard de meeste bijdragen ook zijn, een leek wordt er niet zo heel veel wijzer van.

Er wordt ook te weinig uit Prousts boek geciteerd om een goede indruk van zijn meesterwerk te krijgen. Zo’n boekje aanbevelingen is als een warm bad voor bewonderaars of proustianen, zoals de Proust-fans zich graag noemen. Maar wie nog nooit een letter Proust heeft gelezen, zal dit kleinood vermoedelijk schouderophalend terzijde leggen.

En er ís al zoveel over Proust geschreven, zó veel dat Prousts levenswerk er zelf welhaast door aan het zicht wordt onttrokken. Voor wie die adoratie ook maar enigszins wil begrijpen, zit er niets anders op dan toch maar eens het eerste deel (’Combray’) van ’Op zoek naar de verloren tijd’ ter hand te nemen en zich mee te laten drijven op de golven van Prousts bedwelmende stijl en muzikale zinnen.

Een liefde voor Proust’, 104 blz. Marcel Proust: ’Op zoek naar de verloren tijd’, zeven delen in cassette. Beide uitgaven: De Bezige Bij, Amsterdam.

 

2002

 

 

UA-37394075-1