Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Robert Anker: ‘Een gedicht moet iets ongrijpbaars hebben’

,,Een goed gedicht moet iets ongrijpbaars hebben,’’ zegt Robert Anker, die zich als dichter en schrijver voortdurend wil vernieuwen omdat hij zich anders verveelt. Hij is een rusteloze dichter, die altijd op zoek is naar een plek maar nergens thuishoort. Voorlopig hoogtepunt in zijn poëtisch oeuvre is ‘Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006’. Een oude titel voor een nieuwe uitgave, die ,,de lading perfect dekt. Je hebt oude schoenen maar nieuwe veters. Daar kun je alle kanten mee op.’’

De bijzondere vormgeving van ‘Nieuwe veters’ springt direct in het oog. Dat is het zichtbare garen op de open rug, als nieuwe veters, naar een idee van vormgever Maarten Evenhuis. ,,Dat open ruggetje past wel een beetje bij mij,’’ zegt de dichter tijdens het gesprek over zijn lijvige bundel in zijn bovenhuis in hartje Amsterdam. ,,Het is én mooi én onaf én rafelig, met mooi verbrokkelde letters op de rug.’’

Robert Anker geniet als romancier bij een breed publiek bekendheid met boeken als ‘Vrouwenzand’ (1998) en ‘Een soort Engeland’, die de Libris Literatuur Prijs 2002 ontving, boeken waarin de helden terugkeren naar het paradijs van hun jeugd. Vorig jaar verscheen zijn geprezen roman ‘Nieuw-Lelievelt’. Maar allereerst is hij dichter, die zijn reputatie vestigde met de bundels ‘Nieuwe veters’ (1987), ‘Goede manieren’ (1989) en ‘De broekbewapperde mens’ (2002), die werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Zijn werk werd bekroond met de F. Bordewijk-Prijs en de Herman Gorter-Prijs.

 

,,Je moet de boekhandel niet overvoeren met Anker hè, tenzij het heel goed verkoopt.”

 

Al zijn gedichten tot en met 2006 zijn verzameld in ‘Nieuwe veters’. En, of het niet op kan, een nieuwe gedichten- én verhalenbundel liggen alweer klaar. ,,Die verschijnen volgend jaar,’’ zegt de onverminderd productieve auteur. ,,Je moet de boekhandel niet overvoeren met Anker hè, tenzij het heel goed verkoopt. Ik verkoop best aardig hoor, maar je moet doseren.’’

Maar waarom dan nu toch deze verzamelde gedichten? ,,Zoals dat meestal gaat met gedichtenbundels, ze raken op of worden verramsjt. Van de zeven bundels waren er nog maar twee verkrijgbaar. Ik ben naar de uitgeverij gestapt en heb gevraagd of daar iets aan te doen was.’’

 

,,Dit is zeker geen eindstation, dan ben je als dichter dood.”

 

Hij beschouwt ‘Nieuwe veters’ dan ook als een tussenbalans, die een goed beeld geeft van de ontwikkeling die hij tot dusver als dichter doormaakte. ,,Het is zeker geen eindstation, dan ben je als dichter dood. Alle gedichten zijn er nu weer, in één band. Zo zie ik het. En er is niets aan gewijzigd. Er zijn drie puntkomma’s weggehaald. Dat is alles.’’

En hij is al zo schamel en schaars met interpunctie. ,,Dat klopt. De puntkomma komt er bij mij niet in. In de eerste bundels wist ik nog niet dat ik daar niet aan deed.’’

Wat is het bezwaar tegen de puntkomma?

,,Alles. Het maakt alles ongedefinieerd. Dat leesteken is vlees noch vis. Ik vind dat je puntiger moet zijn.’’

 

Mijn pen hunkert naar het papier en naar het domme

Lieve schrijven dat een slimme vrede brengt

Als zij er is en anders mij voldoende sterkt

Om niet uit elkaar te vallen in de tijd

Liefde van mijn leven roep ik luid waar blijf je

 

Uit: Ballade van mijn vriendin die opbelt om te zeggen dat ze niet thuis komt eten

 

In de breed uitwaaierende balladen uit de reeks ‘Open lijn’, afkomstig uit de bundel ‘In het vertrek’ (1996), is het ontbreken van interpunctie soms lastig. ,,Dat is niet om de lezer te plagen. Ik heb serieus overwogen om daar leestekens in aan te brengen, maar bij de balladen werkt dat niet.’’

Het is geen wet van Meden en Perzen, geeft hij toe. In de poëzie die hij als Amsterdamse stadsdichter schrijft, sluipen de komma’s en punten toch weer binnen. ,,Dat deed ik om bepaalde dingen te verhelderen.’’

Misschien ook omdat je als stadsdichter vanwege een groter bereik een grotere helderheid nastreeft? ,,Zou kunnen. In Het Parool staat immers alles afgedrukt.’’ Dat men hem benaderde om de overleden Adriaan Jaeggi op te volgen is niet verbazend. Bevatte zijn vroege werk nog veel natuurlyriek, het accent kwam in zijn poëzie allengs te liggen op de buitenwereld. ,,Ik heb nogal wat stadsgedichten geschreven. Als ze mij hadden gepolst zou ik mezelf ook verzonnen hebben.’’

 

‘Hoe moet hij tussen alles wat hem wenkt de grachten over

en voor zijn leven naar welk hart dat standvastig klopt,

over welke brug – hij wilde wel een vriend voor onderweg,

een ander die vertelt wat hij op zondagmiddag doet,

wat er in zijn huis staat, hoe hij op vakantie gaat.

Die nu een brug op loopt, geen vader maar een tijdgenoot,

een innerlijke broer die hij op zachte schoenen nagaat.’

 

Uit: Goede manieren, XIV

 

Robert Anker werd als zoon van een timmerman geboren op 27 april 1946 in het West-Friese Oostwoud, een dorp waar indertijd 250 mensen woonden. ,,Dat was een zeer beschermde wereld, waar iedereen elkaar kende. Als je van zo’n overzichtelijke wereld in een grote stad terechtkomt, wat Amsterdam toch is, kan dat problemen geven. Ik heb dat zelf niet als zodanig ervaren. Ik ben niet vertrokken omdat ik weg moest, omdat ik het dorp verstikkend of burgerlijk vond. Er was ook geen godsdienst in het geding. Ik vond het juist wel gezellig met al die ooms en tantes.’’

 

‘Trok ik uit dezelfde boekenkist tevoorschijn

Het busboekje van toen mijn moeder nog haar tijd

Geheel bewonen moest en die ze moest bereizen

Met de bus die langs dorpsweg en binnendijk

Trillend overhellend stoppend voor een geit

Leer en dieselolie hoofdpijn verspreidend –

O al die tijden en daartussen al die lijnen

Alles wat beschreven was en dan verdwijnt’

 

Uit: Vergeetkist

 

,,Mijn zus is negen jaar ouder dan ik. Haar vriendinnen waren verbaasd over wat zij mocht als meisje. Laat thuiskomen, met jongens rotzooien, dat soort dingen. Dat was heel bijzonder in die tijd, begin jaren vijftig. Mijn moeder was dan ook een wijze vrouw die niet keihard tegen mijn eigenaardigheid inging, maar mij een beetje de ruimte gaf.’’

,,Op de middelbare school in Hoorn ging ik om met de zoontjes van advocaten, rechters en de burgemeester van Hoorn. In Medemblik, vlakbij mijn dorp, bleef ik mijn oude dorpse vrienden zien. Dat waren, zou je nu zeggen, vooral vmbo’rs, toen lts’ers, metselaars en bakkers, die al bij een baas werkten. Het waren twee totaal verschillende werelden, die mij allebei even dierbaar waren.’’

Hij vertrok op zijn 21ste naar Amsterdam en is daar blijven hangen. Voelt de geboren plattelander zich nu een echt stadsmens? ,,Het lijkt er op. Ik woon hier tenslotte al een jaar of veertig. Anderzijds is de stad ook problematisch.’’

,,Het leven in twee verschillende werelden is van meet af aan the story of my life gebleven. Neem deze buurt, officieel is het Oud-Zuid, een van de welvarende, betere stadsdelen. Maar als je in de straat kijkt, zie je dat het eigenlijk De Pijp is, een volkse wijk. Daar zit ik een beetje tussenin. Ik vind dat blijkbaar een prettige positie, hoewel ik het niet uitgekozen heb. Het liep toevallig zo.’’

 

,,Het is blijkbaar de diepste ervaring van mijn leven dat ik geen plaats, geen plek heb. Dat ik nergens thuis hoor.”

 

Opvallend veel poëzie van Robert Anker gaat over het al dan niet hebben van een eigen plek. ,,De overgang van een dorp naar Amsterdam is als thema steeds breder geworden. Het is blijkbaar de diepste ervaring van mijn leven dat ik geen plaats, geen plek heb. Dat ik nergens thuis hoor. Daarmee is de vraag of ik nu een Amsterdammer ben geworden na een lange omweg beantwoord. Ik zou nooit ergens anders willen wonen. Dit is mijn biotoop en dat levert mij allerlei prikkels op die mij onrustig maken en bij de les houden. Dat is ook wat ik wil. Ik wil in mijn tijd leven, er niet buiten raken. Ik zou niet afgezonderd op een boerderijtje willen wonen. Dat gun ik iedereen, maar voor mij zou dat een rare capitulatie betekenen. Ik zou daar ook ongelukkig zijn, denk ik. Ik moet de onrust van de stad hebben, al wil dat nog niet zeggen dat ik me daar helemaal senang voel. Het is een beetje paradoxaal. Er is geen andere plek. Het dorpje uit mijn jeugd bestaat niet meer. Ik kom er ook nooit meer. Het zit in mijn hoofd, ik heb er een boek over geschreven en daar staat alles in,’’ zegt hij, verwijzend naar ‘Negen levens. Een dorp als zelfportret’ (2006), waarin de schrijver terugkeert naar zijn jeugd in Oostwoud, dat in zijn boek haast mythische allure krijgt.

Eenmaal in Amsterdam stond hij al snel voor de klas. ,,Ik had vier jaar gestudeerd. Een oude schoolvriend van me, van het Westfries Lyceum, was conrector aan het Amstellyceum. Hij vroeg of ik twaalf uurtjes les wilde geven, er moest toch brood op de plank komen. Ik ben niet meer weggegaan.’’ Inmiddels heeft hij het onderwijs vaarwel gezegd, maar het heeft hem wel de romanstof geleverd voor ‘Hajar en Daan’ (2004). ,,Dat zou ik nooit geschreven hebben als ik er niet middenin gezeten had. Dat boek was meteen mijn afscheid.’’

 

,,Ik had allerlei artistieke aandrangen. Ik hield me erg bezig met muziek, toneel, cabaret. Ik had een bandje, we speelden jazz, bepop, Miles Davis, Monk.”

 

Als dichter duurde het even voordat hij zijn draai gevonden had. ,,Het is een beetje wat Mulisch zei: je wordt als schrijver geboren. Ik was als kind een lezertje. Toen ik een jaar of tien was genoot ik van Havank, vanwege diens taalgebruik. Op de middelbare school had ik een heel goede leraar Nederlands. Dat scheelde enorm.’’

,,Ik had allerlei artistieke aandrangen. Ik hield me erg bezig met muziek, toneel, cabaret. Ik had een bandje, we speelden jazz, bepop, Miles Davis, Monk. Ik speelde trompet, maar had geen goede embouchure om het de hele avond vol te houden, en ben toen op piano overgegaan. Het was allemaal een beetje ongericht, al was het wel duidelijk dat schrijven mijn stiel zou worden.’’

Hij kwam begin jaren zeventig in Amsterdam bij een gezelschap terecht dat hartstochtelijk met toneel bezig was. ,,Ik heb toen ook stukken geschreven, waarvan er enkele zijn gespeeld. Het is achteraf allemaal niet zo geweldig, maar het was toen wel belangrijk. Het wereldje viel uiteen, de betrokkenen verdwenen in de toneelwereld, en ik bleef wat verweesd achter. Ik heb de poëzie opgepakt en nooit meer laten vallen.’’

 

,,Ik woonde intussen al vijftien jaar in Amsterdam en dacht, ja, wat zal ik hier nog over reigers, slootkanten en mistige polders schrijven?”

 

Hij debuteerde als dichter in 1976 in de Revisor. Querido raakte geïnteresseerd en drie jaar later verscheen zijn debuut ‘Waar ik nog ben’, een traditionele bundel, waarvoor hij stof ontleende aan zijn jeugd in Oostwoud. ,,Starten in de voetsporen van een ander mag best. Je moet tenslotte ergens beginnen.’’

Na de debuutbundel was er een zekere onvrede. ,,Ik woonde intussen al vijftien jaar in Amsterdam en dacht, ja, wat zal ik hier nog over reigers, slootkanten en mistige polders schrijven? Dat was weliswaar mijn ziel, maar ik had, bijvoorbeeld, ook al kennisgemaakt met het werk van Habakuk II de Balker (het pseudoniem waaronder H.H. ter Balkt aanvankelijk publiceerde). Dat heeft enorme indruk op mij gemaakt. Dat was zó’n eigen stem. Hier was iemand aan het woord die in dezelfde situatie zat als ik. Ook hij kwam van het platteland, ergens uit Twente, ook hij had een kankerend heimwee waarmee hij geen raad wist. Hij had een eigen thematiek, zo van, de wereld gaat naar de kloten. Dat begreep ik onmiddellijk, al begreep ik de poëzie zelf misschien niet meteen. Maar uiteindelijk kwam ik met Chris van Geel-achtige gedichtjes aanzetten, al kende ik die nauwelijks. Ik zal het wel ergens in een bloemlezing gelezen hebben, en dan heb je maar één tikje nodig.’’

 

,,Het mannetje van de traditie dat bij iedereen stiekem op zijn schouder zit mee te kijken of in je oor fluistert, was weg. Dat was een enorme bevrijding.’’

 

Zijn bezoek aan de Documenta in Kassel in 1982 was een openbaring. Hier ontdekte hij het werk van de Neue Wilde, neo-expressionistische schilders als Dokoupil, Kippenberger, Baselitz, Immendorff en Lüpertz, die vaak met enorme doeken blijk gaven van een innerlijke woede en sociaal onbehagen. ,,Het was de tijd van het wilde schilderen. Ik wist wel iets van schilderkunst af, maar dit was voor mij een totaal onbekende wereld. Dat maakte een ongelooflijke indruk. Ik dacht: als je zo kan schilderen kan alles. Het mannetje van de traditie dat bij iedereen stiekem op zijn schouder zit mee te kijken of in je oor fluistert, was weg. Dat was een enorme bevrijding.’’

In die tijd kende de Nederlandse poëzie wel veel goede dichters, maar was zij lang niet zo veelvormig als nu. ,,Het was Van Geelachtig, Kouwenaarachtig of neo-anekdotisch, zoals bij Herzberg. Ik eis er geen belangwekkende rol in op, maar wat de Maximalen rond 1988 vonden dat er moest gebeuren, had ik al in ‘Nieuwe veters’ gedaan. Ik zocht naar een vorm bezig die mij uitdrukte en na Kassel ben ik veel woester en ontregelender gaan dichten.’’

De weerslag daarvan is vooral te zien in ‘Nieuwe veters’. Is daarin de ware Robert Anker opgestaan? ,,Ja, maar met een voorafkondiging, een prefiguratie in de bundel ‘Van het balkon’ (1983), laatste afdeling ‘Achter glas’. Daar zie je dat iemand ergens uít wil.’’

 

‘Maar na de steeg is hij hem kwijt, waar hij kijkt: onzekerheid

voor onze man in Amsterdam en tot een tram die belt

hem wekt tot in de werkelijkheid waarin hijzelf moet wonen:

ernstig zit de ander achter het raam, koffer op zijn schoot.

Hij moet erachteraan als hij nog ooit vanzelf wil spreken.

Ik gun ons wel wat straatrumoer en houd een taxi aan.

`Volg die tram!’ De auto trekt hem in de kussens

met een wiel over de stoep maar even later zit hij klem.

Van Beek, hoe zeg je dat, hij bijt hem toe: ‘Rijden, ik betaal!’

De chauffeur vloekt zijn bakkebaarden stijf en ragt

de Leidsestraat in. Op het plein springt zijn vrachtje op de stoep.’

 

Uit: Goede manieren, XIV

 

Zelf beschouwt Robert Anker ‘Nieuwe veters’ en ‘Goede manieren’ als hoogtepunten in zijn poëtisch oeuvre, ,,al lijkt het dan net alsof alles wat daarna kwam minder is,’’ haast hij zich eraan toe te voegen, ,,en dat vind ik niet. Het is anders. Kijk, elke nieuwe bundel moest totaal anders zijn. Dat is steeds de opdracht die ik mezelf geef. Ik kan een bepaald kunstje wel steeds herhalen, maar dan verveel ik me.’’

Goede manieren’ ‘speelt’ met Nijhoffs ‘Awater’. Dat heeft hij bewust gedaan. ,,Het was een kleine uitdaging om een hedendaags ‘Awater’ te schrijven. Het personage heet niet voor niets Van Beek. Dat ís al bijna Awater.’’

 

‘Als niet dan

 

Als het niet de bladeren zijn

niet de bloesems en de vruchten

maar de takken die ze dragen

als het niet de takken zijn

maar de stam

niet de stam maar de wortels

niet de wortels maar de aarde

niet de aarde niet de regen

en als het God niet is

dan is het de sluimerende kiem

die losgeraakt van welke boom

in zijn grappige pluizige wiegje

voorbij mijn raam komt drijven.

Of de volgende.’

 

Voor Robert Anker is een gedicht ‘meer dan alles wat er aan woorden en ideeën in staat’. ,,Elk woord staat wel in het woordenboek, maar de combinatie van woorden maakt het vaak al wat vreemder. Soms is dat geen probleem. Neem Nijhoff, ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’ (uit ‘De moeder de vrouw’). Kopje thee erbij, niks moeilijks aan. Maar als je het uit hebt is er een bijna muzikale ervaring, gebeurt er iets in je hoofd wat muziek ook doet. Iets ongrijpbaars. Dat heeft elk goed gedicht.’’

 

,,Ik ben het niet eens met de opvatting dat je een gedicht niet te veel moet analyseren omdat je het anders kapot zou maken.”

 

Een goed gedicht bewaart volgens Anker altijd een geheim. ,,Ik ben het niet eens met de opvatting, die je nogal eens in onderwijskringen hoort, dat je een gedicht niet te veel moet analyseren omdat je het anders kapot zou maken. Dat is onzin. Het wordt alleen maar rijker. Als je klaar bent, sluit het zich en ligt het in al zijn raadselachtigheid weer voor je. Kun je opnieuw beginnen. Close reading is een verrijking.’’

 

‘Dat ze gepest werd toen ze tien iedere

pauze tegen de muur gehoond

door haar vriendinnen tien tot

een opgetrokken voet een machteloze knie

dat haar schrille kinderstemmen kerfden tot

een pot vol barsten.

 

Dat ze bleef zwijgen als een pot.

 

Maar toen ze bijna jarig was maar wie

zou ze daarvoor moeten vragen

dat ze brak en viel in scherven.’

 

Uit: Albumblad

 

Dit is zo’n gedicht waarbij je denkt, dat móest de dichter kwijt. ,,Ja, het klinkt erg autobiografisch hè? Ik kan dat niet ontkennen. Ik heb daar in ‘Een soort Engeland’ ook over geschreven,’’zegt de vader van twee volwassen kinderen. ,,Ik was 21 toen mijn dochter werd geboren. Dat was niet helemaal de bedoeling, maar ja, zo ging dat in die tijd, 1967. De pil was er wel, maar het was nog niet zo algemeen. Intussen was ik vader, maar dat vond ik alleen maar leuk. Nou ja, het is niet altijd goed met haar gegaan. Het gaat tot op de dag van vandaag een beetje op en neer.’’

 

‘Daar heeft hij toch weer de reddingsboei te pakken

Maar voor hoe lang o hartenpijn jij Laura lief

Vanuit de diepte van de razende muziek

Haar stem o pappie (pappie?) waarom was ik nog

Zo jong toen ik het huis verliet voor deze tocht

Naar Nergensthuis maar schatje dat heb ik je toch

Altijd gezegd ja maar tegengehouden niet

Je wil was ook te sterk voor jezelf een dief

Ben ik geworden van mijn eigen leven nee niets’

 

Uit: Ballade van mijn dochter die opbelt om te vragen of ze weer eens langs zal komen

 

,,Het voordeel is dat je op zo’n leeftijd onbekommerd het vaderschap aangaat. Heel anders dan je bij veel ouders van tegenwoordig ziet, op wier schouders een bijna ondraaglijke last van verantwoording lijkt te rusten. Daar had ik geen last van. Anderzijds moest ik mijn hele leven nog op poten zetten. Dat zat elkaar wel een beetje in de weg.’’

De dichter legde zich gaandeweg meer toe op proza. Is dat op een organische manier gegaan? ,,Een vriend van me die ook schrijver is, voorspelde op grond van ‘Goede manieren’ dat ik nog eens proza zou gaan schrijven. Een jaar later stond er in Tirade een verhaal van mij. Twee of drie verhalen in de bundel ‘Volledig ontstemde piano’ zijn uitwerkingen van gedichten uit ‘Nieuwe veters’.’’

,,Toch zijn het voor mij gecompartimenteerde zaken. Proza is een heel ander genre. In poëzie voltrekt zich geen tijdsverloop. Het is fijn dat ik het allebei een beetje kan, want je kunt niet de hele dag poëzie schrijven. Je kunt wel de hele dag aan een roman werken, je moet er wel voor gaan zitten, anders komt er niks. Ik ben niet iemand die met een schriftje rondloopt, maar ik ben er wel altijd mee bezig.’’

 

‘want godsdienst duurt zolang als god

maar poëzie is eeuwig van de mens

die zichzelf nooit loskrijgt uit zijn raadsel

dat hij bestaat dat alles wat bestaat er is’

 

Uit: Vs Murray

 

Vs Murray’ reageert op een gedicht van Les Murray, waarin de Australische dichter beweert dat poëzie en religie zo ongeveer hetzelfde zijn. ,,Ik ben niet religieus, nu ja, misschien wel religieus maar niet gelovig. Daar komt de broekbewapperde mens vandaan. Dat is het beeld van de westerse mens die op de dijk aan de rand van het leven omringd wordt door de metafysische stormen van het niets. Wat deze mens doet is niet capituleren voor het grote niets en dan maar gaan geloven dat zich daar ergens een God bevindt. Hij draait zich om en loopt het enige wat er is tegemoet, het leven zelf. En daar moet je het maar mee zien te doen en je plek zien te vinden. Dat is een antimetafysische houding. En die wordt geprikkeld door dichters als Les Murray die belijdend katholiek is, net als mijn vriend Willem Jan Otten, en beweert dat religie en poëzie ongeveer hetzelfde zijn. Ik ben het daar niet mee eens. Er is wel een relatie tussen poëzie en religie en daar kom ik als dichter nog steeds niet uit. De poëzie komt waarschijnlijk ergens uit het religieuze domein van onze geest vandaan.’’

 

‘Nee ik had geen heimwee

Ik verruilde mijn vetkuif voor een bebopkop

Ik rookte Franse sigaretten en staarde fronsend in de lens

Ik had een roman op schoot en staarde uit het raam –

Maar Babette droeg rinkelende ringen om haar enkels

Een krans van bloemen in het haar ze droeg geen ondergoed

En danste op blote voeten voor me uit tot ik struikelde

Toen had ik heimwee’

 

Uit: Heimwee naar heimwee

 

In de door de kritiek veronachtzaamde bundel ‘Heimwee naar’ (2006) zijn niet zomaar wat losse kruimels bij elkaar gezet, benadrukt Anker. ,,Ik weet niet precies meer hoe, maar op een gegeven moment had ik op verzoek ‘Heimwee naar Kouwenaar’ geschreven, ter ere van diens 80ste verjaardag. Er volgde nog een dergelijk gedicht en nog iets. Het werd echt een project, waaraan ik kalmpjes doorwerkte tot 2006.’’

,,Het woord heimwee is een beetje verneukeratief. Het suggereert dat het om heimwee gaat, maar daar gaat het helemaal niet om. Het gaat over iets wat zich in mijn hoofd aandiende, wat heimweeachtige gevoelens of een bepaalde emotie opriep. Dat kan het werk van iemand zijn, zoals dat van Hermans. Wat is nou de kern van mijn emotionele verbondenheid met zijn werk? Het gedicht moest een soort taalwerk worden dat zich meteen weer loszong van zijn aanleiding.’’

 

‘De dichter en de stad

 

zelfauguratie

 

De dichter hoort niet bij de stad maar weet de stad dat

Als zij binnendringt en huishoudt en hem vloert?

 

Vraag de dichter niet om tranen, hij geeft gevoel

Te denken bij het schrille hartzeer dat hem wenkt.

 

Vraag ook deze dichter niet omhoog te kijken

Hij pist over de rand en Abdel kan weer dweilen.

 

Hij deserteerde niet toen hij de optocht verliet

Hij klom naar binnen bij het raadsel dat hem dient.

 

Vraag hem niet om uitleg van wat hij niet begrijpt

Zijn woord voorspelt een waarheid die ontspoort.

 

De dichter hoort bij de stad, dat oude kind

Dat wat wij niet verloren zijn steeds vindt.’

 

De dichter en de stad’, ondertitel ‘zelfauguratie’, schreef hij bij zijn installatie als Amsterdamse stadsdichter. In die functie huldigt hij het standpunt dat wat hij schrijft goede poëzie moet opleveren. ,,Ja, de lat moet net zo hoog liggen als voor een bundel.’’

Hij bladert in ‘Nieuwe veters’. Is er een gevoel van voldoening? ,,Grote voldoening. Ik ben heel blij met dit boek, dat alles er is. Ik ben ook heel blij met de fantastische vormgeving. En ik heb er ook heel bewust alles in gezet. Ik heb niets geschrapt uit vroeger werk. Ik sta overal nog steeds achter, ook al zie ik sommige gedichten, waarvan ik denk, mwah, ach, maar toch, dat was ik en dat verloochen ik niet.’’

 

Robert Anker: Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006. Uitgeverij Querido, 408 bladzijden.

 

Juli, 2008

 

(Verscheen eerder in een bekorte versie in het poëzietijdschrift Awater.)

UA-37394075-1