Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Robert Musil en zijn gekke, wonderlijke, meesterlijke boek

Wie is de grootste componist, de beste zanger, de beste popgroep, wie de grootste schrijver van de eeuw? Wat is de beste film, het beste lied, het beste boek van de afgelopen honderd jaar?

 

Zo met het naken van het magische jaar 2000 regent het van de lijstjes met de beste honderd van de eeuw. En niet alleen de zogenoemde deskundigen hebben er aardigheid in. Iedereen kan tenslotte zijn eigen lijstje favorieten samenstellen. En veel gewicht hoef je er allemaal niet aan te ontlenen, soms is zo’n lijstje ergerniswekkend, meestal vermakelijk.

Om ons bij boeken te beperken – in de ons omringende landen circuleren al geruime tijd allerhande lijstjes. Zo koos een panel van Britse critici vorig jaar vorig jaar al de beste Engelstalige roman van de eeuw. ‘Ulysses’ van James Joyce won, voor F.Scott Fitzgeralds ‘The great Gatsby’ en, opnieuw Joyce, ‘A portrait of the artist as a young man’. Volgens het Engelse publiek was echter de hier nauwelijks bekende Ayn Rand de beste schrijfster van de eeuw; nog ver voor Tolkien (van ‘The lord of the rings’).

In Nederland circuleren nog nauwelijks boekenlijstjes. Op het internet (www.webhome.demon.nl/top100) kan nog wel worden meegedaan aan de verkiezing van het beste Nederlandstalige fictieboek van de eeuw. Voorlopig scoren hierop vooral Gerard Reves ‘De avonden’, Louis Paul Boons ‘De Kapellekensbaan’ en Nescio’s drieluik ‘De uitvreter’, ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’ hoog.

In Duitsland werd onlangs, door ‘gezaghebbende’ literatuurcritici, ‘Der Mann ohne Eigenschaften’ van de Oostenrijker Robert Musil (1880-1942) tot het beste Duitstalige boek van de twintigste eeuw uitverkoren, vóór Kafka’s ‘Der Prozess’ en Thomas Manns ‘Der Zauberberg’. Voor wie Musils kolossale boek kent, geen verrassing. Menigeen zal echter de wenkbrauwen fronsen. Vreemd is dat niet. Op de middelbare school werd Musil noch zijn boek behandeld. Te moeilijk, maar vooral: veel te dik. Oók voor de leraar Duits waarschijnlijk. Want het boek, dat nu door Meulenhoff in de prachtige serie Boeken van de Eeuw is verschenen, is een van de gekste en raarste, wonderlijkste en wijste boeken die de twintigste eeuw heeft voortgebracht.

Het levenswerk van de Oostenrijker Musil, die eerst officier was, toen machinebouw en filosofie studeerde en zich sinds 1922 geheel aan de literatuur wijdde, is eigenlijk een monstrum van een boek, het tart alle literaire regels – artistiek, stilistisch, ambachtelijk – en overschrijdt de grenzen van ‘het denken’ van alledag, in de wetenschap, de filosofie en de literatuur. Het is zo’n uniek boek – het veelmisbruikte woord is hier volledig op zijn plaats – waarbij je aan alles kan aflezen dat het geschreven moest worden.

Waar het over gaat? Het verhaal laat zich niet na vertellen. Musil geeft ons een caleidoscopisch beeld van de culturele ineenstorting van het oude Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog en illustreert hiermee min of meer de overgang naar de moderne tijd (men zegt wel: na WO I begon de twintigste eeuw pas). Hoofdfiguur Ulrich, het alter ego van de auteur, mist karakteristieke eigenschappen, hij ervaart het leven als een experiment.

Wie eraan begint, betreedt een wereld als een grote stad waarin alles vreemd is; je leert haar pas kennen wanneer je erop uittrekt, haar gaat verkennen, pas dan geeft ze haar geheimen, haar schoonheid prijs. Het is ook niet na te vertellen, het boek is een ‘diagnose van tijdsgericht’ over de worsteling van de moderne mens, van de wanhopige mens in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Het is even licht als duister, en een boek dat na een moeizaam begint steeds beter wordt, dat misschien zelfs in het onvoltooide vierde o zo poëtische deel op zijn mooist is. Dit is zo’n boek waarvan je beseft dat hier een bezeten schrijver aan het woord is, die dit moest schrijven om er geestelijk niet aan onderdoor te gaan. Het was Musils obsessie om in woorden te vatten wat zich niet in taal laat vangen.

Het is een boek dat je bij je nekvel grijpt, dat, wanneer je er eenmaal door bent gegrepen, verslavend werkt. Niet dat elke alinea, elk hoofdstuk even magistraal is, er zitten oeverloos saaie, intellectualistische stukken in, er maar omdat het zo’n immense vergaarbak van prachtige, elegante zinnen en meesterlijk geschilderde personages is, zoals Ulrich en zijn geliefde zuster Agathe en hun ‘heilige gesprekken’, van grenzeloos geneuzel en gebazel, en superieure kletspraat. Even onderhoudend, ironisch als poëtisch, beklemmend en mystiek geladen.

Overigens: pas een jaar of tien geleden werd de 1800 bladzijden tellende roman vertaald. Het vierde deel ervan bevat onvoltooide hoofdstukken die in Musils nalatenschap werden aangetroffen. Want een waar meesterwerk van een groot schrijver moet blijkbaar onvoltooid blijven.

‘De man zonder eigenschappen’ is een boek om in te wonen, zoals Musil zelf maar liefst twintig jaar in zijn boek woonde. Het enige en voor de ware liefhebber toch niet geringe bezwaar is dat het prachtige maar door Musil niet meer voltooide vierde deel niet in deze uitgave is opgenomen.

 

Robert Musil: ‘De man zonder eigenschappen’, uit het Duits vertaald door Ingeborg Lesener, 1350 pag., uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam.

 

Najaar, 1999

 

UA-37394075-1