Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Rogi Wieg – Een humorist doet geen kwaad

Rogi Wieg (1962) is behalve een van de slordigste een van de interessantste Nederlandse schrijvers van zijn generatie. Hij kan omslachtige, rare en stroperige zinnen laten volgen door sprankelende, pakkende formuleringen, waarin hij meer zegt dan een minder talentrijke collega op een hele bladzijde.

Met zijn verhalenbundel, ‘Souffleurs van de duivel’, een hoogtepunt in het grillige oeuvre van deze grillige schrijver, bewijst Wieg dat hij tot die zeldzame groep jonge auteurs behoort die wars van tijdgeest of trends haar eigen weg gaat.

Als vroegrijpe dichter vestigde Wieg, zoon van joodse ouders die in 1956 uit Hongarije naar Nederland vluchtten, op zijn vierentwintigste naam met dichtbundels met fraaie titels als ‘Toverdraad van dagverblijf’. In deze poëzie van het grote woord en het grote gebaar balanceerde deze romantische melancholicus dikwijls op de rand van het sentiment zonder naar edelkitsch door te slaan. In de latere dichtbundels als ‘Spek van mooie zijde’ overschreed hij die grens zodanig dat de stamelende narcist de

overhand kreeg.

Intussen was Wieg ook proza gaan publiceren. Na de novelle ‘Beminde onrust’ (1990) verscheen de bundel ‘Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken’ (1991), drieëntwintig verhalen die lang niet alle overtuigden, maar waarvan een aantal wél geslaagde prozastukken aantoonde dat Wieg over de gave beschikt om in bondige, beeldende taal, en niet zonder ironische ondertoon, een interessante wonderlijke belevingswereld op te roepen.

Zijn eerste oefening van lange adem, de roman ‘De moederminnaar’ – over een zonderling die zich als Oedipus Rex bij een psychiatrische kliniek aanmeldt om zich te laten behandelen – zou buitengewoon geslaagd zijn geweest als Wieg de epiloog had

geschrapt, waarin de schrijver de geneesheer-directeur nog eens haarfijn laat vertellen wat de lezer op eigen gezag allang had begrepen. Het proza in deze roman wijkt nogal af van wat hij daarvoor publiceerde, in die zin dat Wieg veel zuiverder en krachtiger formuleerde, alsof hij zich wilde bevrijden van het juk van de ouwelijke, romantische dichter.

GEESTIGER, SPEELSER, LICHTVOETIGER

De schrijver Wieg heeft de dichter Wieg allang overvleugeld. En al is de schrijver in zijn nieuwe bundel ‘Souffleurs van de duivel’ niet daadwerkelijk een nieuwe weg ingeslagen, het valt op dat de verhalen geestiger zijn dan voorheen, speelser en

lichtvoetiger ook, in elk geval minder zwaar op de hand. Wie enigszins bekend is met dit proza treft ook hier weer wereldvreemde, geschifte figuren aan.

Deze figuren zijn buitenbeentjes, eenzame, sociaal onaangepaste figuren die moeilijk contact kunnen maken. Mannen, jongens eigenlijk, die maar niet volwassen willen worden, maar die toch op sympathie van de lezer kunnen rekenen. Slapjanussen zijn het, maar aardige slapjanussen, die met het uitvergroten van hun eigen tekortkomingen wijzen op die van ons, de lezers. (Niet zij zijn gek, maar de wereld waarin zij leven.)

WAT DOET DE WIND ALS HIJ NIET WAAIT

Zo wordt een van die figuren, in ‘Wat doet de wind als hij niet waait’, een soort moderne dorpsgek in korte broek en op gymschoenen, door meedogenloze kinderen nagezeten. Het is een absurdistisch verhaal waarin Wieg op zijn best is. Je leest soms even dwaze als diepzinnige gekkenpraat: ‘Over moppen mag je geen grappen maken. Humor is een serieuze zaak. Rottigheid heeft geen lichtheid in zich.’ ‘Hij was geen humorist, want een humorist doet geen kwaad.’

Wieg beroert steeds dezelfde thema’s. De frictie tussen waarheid en leugen, werkelijkheid en verdichting, goed versus kwaad, de hang naar geborgenheid en het onvermogen daartoe, verlatingsangst, de dwangmatige obsessie voor geweld, ernst versus onzin, de dood.

KOP NOCH STAART

Wieg vertelt geen verhalen in de traditionele zin, met kop en staart. Ze zijn eerder schetsmatig, veel verhaallijntjes maakt hij ook niet af, wat soms ergernis oproept omdat verwachtingen niet worden ingelost. Ook de stijl irriteert vaak, doordat Wieg er met de haren bijsleept wat er niet echt toedoet, waardoor het verhaal in een warboel dreigt te ontaarden.

Maar raadselachtig genoeg neem je dat allemaal voor lief in ontroerende en beklemmende verhalen als ‘Alma en Felix’, een welhaast klassiek verteld verhaal over een jongen en een demente Hongaarse grootmoeder, en in ‘Souffleurs van de duivel’ (‘Wat wil de duivel?’), waarin de hoofdfiguur erover peinst moordenaar te worden. In deze in dichterlijk proza geschreven verhalen is Rogi Wieg op zijn best.

Rogi Wieg: ‘Souffleurs van de duivel’, uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 250 pag.

Publicatie: 1996

UA-37394075-1