Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ronald Giphart: ‘Sterven kan ook iets moois zijn’

Ronald Giphart verrast in zijn boek ‘De wake’ met drie novellen die zijn geschreven vanuit een onmogelijk perspectief: een overleden man, een kind in coma en een hart. Drie kleine romans over de dood waarin het leven gevierd wordt. ,,Dat hoor je niet te zeggen, maar de dood van mijn moeder was een hoogtepunt in mijn leven.”

Ronald Giphart (1965) schnabbelt, hij schrijft columns, doet theater (hij is dit seizoen op pad met zijn kornuit Nico Dijkshoorn), maar hij blijft in de eerst plaats schrijver. Een schrijver die zichzelf steeds verder wil ontwikkelen en daarbij het risico neemt dat hij daarbij ‘verschrikkelijk op zijn bek kan gaan’. Giphart, die nog altijd te boek staat als een branieschrijver die veel seks in zijn schelmenromans als ‘Giph’ en ‘Phileine zegt sorry’ stopt, is vaak oppervlakkigheid verweten. Zijn criticasters snoerde hij de mond met zijn gelaagde rouwboek ‘Ik omhels je met duizend armen’ (2000) en zijn ‘culinaire’ roman ‘Troost’ (2005).

In de drie novellen van ‘De wake’ zet hij een volgende stap. Hij gaat verder de diepte in en verrast door de keuze van het perspectief. ,,Ik vind het voor de ontwikkeling van je schrijverschap belangrijk dat je op je bek durft te gaan, dat je nieuwe wegen durft in te slaan”, zegt de bezige schrijver tussen allerhande drukke bezigheden door in een espressobar op IJburg, Amsterdam. ,,Ik vind dat je als schrijver moet proberen om bij ieder boek jezelf zo bloot te leggen dat het compleet kan mislukken. Als ik vijf jaar geleden bedacht zou hebben, dat ik korte romans zou schrijven vanuit onmogelijke perspectieven, leek me dat echt een brug te ver. Te moeilijk. En kijk, ik heb het nu toch geprobeerd.”

 

‘Ik stelde mij de vraag: wat is wetenschap, wat is geloof?’

 

Het titelverhaal ‘De wake’ verscheen vorig jaar als speciale kerstuitgave voor de Vrije Universiteit in Amsterdam. Giphart liep daar een jaar rond als ‘Schrijver op locatie’, als niet-gelovige schrijver in een van huis uit gereformeerde instelling. ,,Ik stelde me daarbij de vraag: wat is wetenschap, wat is geloof? Daar wilde ik het over hebben. Ik vatte het idee op om een perspectief te kiezen dat onmogelijk is. Namelijk vanuit iemand die overleden is. Daarbij gaan de lezer en de schrijver ‘de afspraak’ aan dat dit niet waar is, maar doen alsof het waar is. Dat is wat in het geloof en het christendom ook gebeurt. We weten dat het logischerwijs niet erg voor de hand ligt dat er een godheid is die alles gemaakt heeft. We accepteren dat het waar is. In het christendom speelt het hiernamaals een grote rol. Ik wilde een ander hiernamaals introduceren. Iemand leeft en sterft, maar blijft toch leven. Tot een bepaald punt dan. Hoe het verder gaat, mag de lezer zelf uitmaken.”

In ‘De wake’ komen vrienden en kennissen bijeen om ’s nachts bij de dode te waken, om herinneringen op te halen, waarbij ook de schaduwkanten van de overledene worden belicht. Het idee om het verhaal in te bedden in een dodenwake werd hem door een oude bekende aangedragen. ,,Zij had zo’n wake net meegemaakt. En dat was zo mooi, zei ze, we hebben een fantastische nacht meegemaakt. Dat bracht me op het idee. Ik stond er toen nog niet bij stil dat het een katholiek gebruik was terwijl ik op een gereformeerde universiteit rondliep.”

 

‘Ik bewaar heel mooie herinneringen aan de dood van mijn moeder, hoe vreemd dit ook klinkt’

 

Het is een ingetogen verhaal, zoals alle drie vertellingen ingetogen verhalen zijn, zeker voor Gipharts doen, al zijn het geen sombere verhalen. Ze worden lichtvoetig en speels verteld, en zijn met een fijne pen geschreven. ,,Ik heb eerder geprobeerd over de dood van een moeder te schrijven en te laten zien dat sterven ook iets moois kan zijn. Ik bewaar heel mooie herinneringen aan de dood van mijn moeder, hoe vreemd dit ook klinkt. Dat hoor je niet te zeggen, maar de dood van mijn moeder was een hoogtepunt in mijn leven. Zij is op een hele mooie, bijna grappige, gevoelige, hartstochtelijke manier gestorven. Dat heb ik in ‘Ik omhels je met duizend armen’ proberen te beschrijven. Ik wilde iets dergelijks ook in dit boek laten zien.”

Angst voor de dood heeft hij zelf niet. ,,Nee, ik ben helemaal niet bang voor de dood. Het heeft ook een beetje te maken met mijn vader. Mijn vader overleed zes jaar geleden. Toen mijn jongste zoon uit het ziekenhuis kwam, gezond en wel, gaven we een feestje om dat te vieren. Mijn vader had toen net een week eerder te horen gekregen dat hij opgegeven was. Ik weet niet hoe ik zou reageren als ik nog maar een paar weken had, maar hij was compleet rustig, hij had er vrede mee. 72 was hij. Hij vertelde op dat feestje dat hij nog een paar weken te leven had. Daar schrok men erg van. Mijn vader zei: ‘Daar hoef je niet van te schrikken, want ik heb een mooi leven gehad. Ik heb mooie kinderen en mijn kleinkind is weer gezond. Mijn andere kleinkinderen doen het goed. Ik ben niet bang om dood te zijn, ik ben wel bang om te sterven.’

,,Die laatste zin heb ik letterlijk in ‘De wake’ gestopt. 72 jaar is nog best te jong, maar ja mijn moeder was 54. Martin Bril (zijn collega-schrijver en goede vriend, red.) was 49. Aan hen moest ik denken bij het schrijven. Iedereen stelt zich het wel eens voor. Stel dat je doodgaat. Hoe krijg je dat te horen? En als je overleden bent, hoe wordt er dan over je gepraat?”

 

‘India? Nooit geweest.’

 

Met het idee voor ‘Mooie mama’s’, het tweede verhaal, liep hij veel langer rond. Het zou eerst een roman worden, toen een film en werd uiteindelijk een novelle. Regisseur Robert Jan Westdijk, die zijn roman ‘Phileine zegt sorry’ heeft verfilmd, zag het al helemaal voor zich. ,,Maar in de ontwikkelingsfase kreeg ik een ziek kind. Toen dat gezond en wel het ziekenhuis had verlaten en de producent vroeg of ik weer aan de film wilde gaan werken, had ik geen zin om in dat ziekenhuis te blijven met een jongetje in coma. Mijn hoofd stond daar toen echt niet naar.” Met de verschijning van de bundel is het plan voor de verfilming van ‘Mooie mama’s’ wel nieuw leven ingeblazen. De makers – Giphart en Westdijk – hebben daarbij tv-presentatrice en actrice Sophie Hilbrand op het oog als hoofdpersoon, als de moeder van het jongetje in coma.

Hij wilde de bundel afsluiten met een hartstochtelijk verhaal, waarin ,,de passie en de liefde worden bezongen, en waarin het hart zich ook een beetje obstinaat gedraagt”. In ‘Hartstocht’ is een hart de verteller. ,,Een hart als hoofdpersoon is volgens mij niet eerder gedaan.” Zijn plan om over het hart te schrijven was niet nieuw. ,,Ik heet Giphart. Ik had ‘Giph’ geschreven in 1993. Toen dacht ik: nu moet ik ook nog een boek schrijven dat ‘Hart’ heet. Ik was met mijn uitgever aan het brainstormen. Ineens – hij knipt met de vingers – had ik het: een verhaal vanuit het perspectief van het hart. Het moest zich niet in Nederland afspelen, maar in een wereld die ik niet ken. India. Nooit geweest. Maar dan niet het India zoals ik me dat voorstel. Ik zag op CNN een interview met een Indiase legerofficier en zag zijn dochter voor me. Allemaal nattevingerwerk. Maar het was heerlijk om te schrijven. Ik schrijf vaak ’s nachts, los van mijn eigen beslommeringen, los van mijn eigen wereld. En zo schreef ik over zo’n meisje. Het werd voor mij echt. Een bijna geile schrijfervaring.”

 

Ronald Giphart: ‘De wake’, 172 bladzijden, uitgeverij Podium.

 

Van heilige huisjes

en zuchtmeisjes

 

Sinds zijn debuut ‘Ik ook van jou’ (1992) heeft Ronald Giphart tegen heilige huisjes geschopt en op lange tenen gestaan. Lezers (en critici en docenten Nederlands) houden van hem of geven op hem af. Van zijn ‘giphtaal’, zijn eigen woordvondsten (slaplachen, zuchtmeisje, avondschotel voor callgirl), is zelfs een kleine studie gemaakt door taaldeskundige Wim Daniëls. De scherpe kantjes van zijn bravoure en branie zijn er met het verstrijken van de jaren wel iets afgesleten. Als schrijver zoekt hij andere, nieuwe wegen. ,,Mijn vrouw schildert. Zij krijgt schilderles van John Noy, een bekende Utrechtse schilder. Wat ik zo mooi van hem vind, is dat hij zich om de zoveel tijd een nieuwe stijl, een nieuwe techniek eigenmaakt, en onderzoekt wat hij daarin te vertellen zou kunnen hebben. Ik merk als schrijver dat ik dezelfde drang heb. Dat ik aan het zoeken ben naar andere stijlen, andere manieren van vertellen om te zien of ik daar dezelfde verhalen mee kan vertellen. Zo loop ik al heel lang rond met het idee om een thriller te schrijven. Ik ben ontzettend begeesterd door die Scandinavische thrillers. En zo ben ik voor de Volkskrant nu bezig om een feuilleton te schrijven, waarin de lezers meebeslissen welke kant het verhaal opgaat.”

 

November, 2012

UA-37394075-1