Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Rudy Kousbroek – het verloren paradijs van een beroepsmopperaar

Rudy Kousbroek (1929-2010) had een hekel aan geestelijke luiheid en de culturele vervlakking die hij overal in Nederland bespeurde. Hij beschouwde liefdeloosheid en middelmatigheid als een bedreiging van de beschaving.

 

Door zijn rigide opvattingen werd de schrijver, die in 1975 de P.C.Hooftprijs voor zijn essays ontving, nogal eens gezien als een onaangename beroepsmopperaar wiens toorn je maar beter niet kon wekken. Maar dat was een pose, een soort zelfbescherming tegen een samenleving die in zijn ogen moreel en in cultureel opzicht aan het afkalven was.

Kousbroek voelde zich een buitenstaander. Niet vreemd voor iemand die ooit als jongen uit het paradijs van Sumatra werd gegooid en daarna jarenlang als een balling in Frankrijk bleef wonen voordat hij terugkeerde naar Nederland. In autobiografische essays als ’Een kuil om snikkend in te vallen’ (1971), ‘Een passage naar Indië’ (1978) en ’Het meer der herinnering’ (1984) schreef hij onder andere over het rijk van Insulinde, de gordel van smaragd, waar hij zijn jeugd doorbracht en zijn onschuld verloor. Het nam in zijn werk bijna mythische vormen aannam. Niet alleen Multatuli, Louis Couperus, Maria Dermoût en Hella S. Haasse verrijkten onze literatuur met hun verhalen over ‘Nederlandsch-Indië’.

Oceaanstomer

Herman Rudolf Kousbroek werd op 1 november 1929 geboren in Pemantang Siantar op Sumatra in de archipel Indonesië, toen nog Nederlands-Indië geheten. Na een kort verblijf in Nederland keerde het gezin terug naar Indië, waar de kleine Rudy tot zijn twaalfde op een kostschool zat. Hij werd opgevoed door de baboe (Indisch kindermeisje). Zijn moeder leidde een luxe leven, zij ging liever tennissen. De kleine Kousbroek was een koppige drammer. ,,Met Rudy praat je niet”, zei zijn onderwijzer, ,,met Rudy debatteer je.” Het maakte hem er als kind niet geliefder op.

Bijna de hele tweede wereldoorlog bracht Kousbroek door in Japanse interneringskampen, onder meer in het kamp Soengei Sengkol. ,,Die hele oorlog was een training in er niet-zijn, in niet opvallen”, zei hij. ,,Want als je opviel werd je geslagen.”

Koelies

In het kamp, schreef hij in ‘Het Oostindisch kampsyndroom’ (1992), begreep hij het gedrag van de koelies die door de kolonisten lui en dom werden gevonden. Tegenover de Japanse bezetters van Indonesië gedroegen de Nederlanders zich precies zo: doen also je achterlijk bent, uit zelfbescherming, om je zo min mogelijk kwetsbaar op te stellen.

Voor de nostalgicus Kousbroek was het Indië van zijn kindertijd een soort hof van Eden. Zelfs binnen het prikkeldraad van een jappenkamp werden de sporen van het paradijs niet uitgewist. Het jaar dat hij daar verbleef, noemde hij eens provocerend ‘de gelukkigste van mijn leven’. Zo bezien is het misschien beter te begrijpen waarom hij in de jaren tachtig zo heftig de degens kruiste met zijn gezworen vijand, de schrijver Jeroen Brouwers, die ook in een jappenkamp had gezeten. Volgens Kousbroek had Brouwers in zijn roman ‘Bezonken rood’ (1981) de wantoestanden sterk overdreven.

In 1946 kwam hij naar Nederland. Op de middelbare school in Amsterdam sloot hij vriendschap met de dichter Remco Campert, met wie hij in 1950 het tijdschrift Braak oprichtte dat wordt beschouwd als een icoon van de beweging van Vijftig. In die tijd begon Kousbroek aan de studies wiskunde en natuurkunde, maar voerde hij niet veel uit omdat hij het te druk had met het schrijven van gedichten en vooral met het praten erover.

In Parijs ontmoette hij zijn vrouw, de in 2004 overleden schrijfster Ethel Portnoy. Hij kwam in contact met dichters als Gerrit Kouwenaar, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hugo Claus. Een bijzonder dichter was hij niet. Na zijn eerste bundels publiceerde hij vrijwel geen poëzie voor volwassenen meer. ,,Met poëzie moet je de beste van de wereld zijn, anders is het de moeite niet”, was zijn verklaring. ,,Middelmatige poëzie is als middelmatige wiskunde. Daar heeft niemand iets aan.”

Atheïst

Kousbroek bleef proza schrijven om, zoals hij eens schertsend zei, ,,de harten van jonge meisjes te veroveren”. Hij onderscheidde zich vanaf de jaren zestig vooral met essays die verschenen in literaire bladen, kranten en opinietijdschriften. Hij reageerde op alles wat hem na aan het hart ging, of dat nu de literatuur betrof, het kampsyndroom, auto’s, seks, beeldende kunst, computers, bruggen en auto’s. Hij fulmineerde met soms nauwelijks bedwongen woede tegen alles wat hem een doorn in het oog was. Als polemist raakte hij betrokken bij tal van discussies, zoals die over euthanasie. Godsdienst was een ander stokpaardje van hem. Volgens hem was er meer moed nodig om níet dan wel te geloven. Er zat een nadeel aan vast: ,,Geloof je niet, dan sta je overal alleen voor.”

Kousbroek schreef essays, onder meer verzameld in ‘Anathema’s’ ofwel banvloek (1969-2010, 9 delen), zoals ze in ons land nog maar zelden worden geschreven: helder en concreet, belezen en erudiet, enthousiasmerend en een tikkeltje belerend, want diep in hem zat een schoolmeester verborgen. Hij hield van provoceren. ,,Popmuziek heeft een vernietigende uitwerking op een hele generatie,’’ zei hij bijvoorbeeld. Een haast vertederende opmerking, al was het maar vanwege die naïviteit die eruit spreekt.

Dieren

Kousbroek verheerlijkte graag dieren. Hij publiceerde in 1969 een van zijn meest gelezen boeken, ‘De aaibaarheidsfactor’, over het raadsel mens in de gedaante van een kat, met illustraties van zijn dochter Hepzibah, die in 2009 aan een leverziekte overleed. Behalve essays publiceerde hij kinderverzen, reisverslagen, herinneringen, een roman en vertaalde hij werk van de Fransman Raymond Queneau in wie hij De Ideale Schrijver zag.

Na veertig jaar Parijs keerde hij in 1989 terug naar Nederland. De liefde voor Frankrijk bleef: ,,De Franse cultuur is de enige die zich met enig succes te weer heeft gesteld tegen de invloed van Amerika.” Kousbroek, die later trouwde met de Ierse schrijfster Sarah Hart, onttrok zich meer en meer aan de waan van de dag om zich te warmen aan zoete herinneringen. Zo greep hij in het prachtige fotoboek ‘Opgespoorde wonderen’ terug op de paradijselijke staat van weleer, want hij had moeite met het ouder worden. ,,Je denkt heel lang: dat overkomt anderen, maar mij niet. En dan begin je te merken dat je langzamerhand onzichtbaar wordt.”

 

April, 2010

UA-37394075-1