Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Rutger Kopland – met de dood voor ogen

‘Ik kijk en het is alsof ik mijn lichaam verlaat

als je ziet dat alles is zoals het is

meer niet – je lichaam wordt een verlaten plek’.

 

Aldus dichtte Rutger Kopland (1934-2012) in de reeks ‘Stroomdal’, opgenomen in zijn ‘Verzamelde gedichten’ die veertig jaar dichterschap overspannen.

 

 

Het zijn regels waar je anders tegenaan kijkt als je weet dat Kopland enkele jaren voor zijn overlijden de dood al recht in de ogen had gekeken. In 2005 kreeg de dichter Rutger Kopland, die bij de burgerlijke stand bekend stond als Rudi van den Hoofdakker (hoogleraar biologische psychiatrie), een hartaanval achter het stuur, waarna zijn auto tegen een boom tot stilstand kwam. Zo’n ongeluk plaatst net als de dood alles in een ander licht. Wat gebeurt er wanneer we ons lichaam verliezen? In de reeks ‘Afdaling op klaarlichte dag’ dicht Kopland:

 

‘Lichaam, denk ik, als je mijn eigen lichaam bent

waar heb je me gevonden

waar breng je me heen

waar laat je me gaan

en moet het zijn zonder jou

hoe lang, hoe diep, hoe alleen.’

 

Rutger Kopland, die in 1988 reeds de P.C. Hooftprijs ontving, was van meet af aan een van de meest geliefde, populairste en bestverkopende dichters van Nederland. Met ‘Ga nu maar liggen’ – zo bleek uit een enquête onder poëzieliefhebbers – schreef hij een van de meest favoriete liefdesgedichten uit de Nederlandse poëzie:

 

‘Ga nu maar liggen liefste in de tuin,

de lege plekken in het hoge gras, ik heb

altijd gewild dat ik dat was, een lege

plek voor iemand, om te blijven.’

 

Het is een vers dat je geregeld aantreft boven rouwadvertenties, waarmee maar gezegd is dat lezers een gedicht moeiteloos naar hun hand zetten. Ze geven er zelf hun interpretatie aan, ongedacht de bedoeling van de dichter. Kopland zelf ziet ‘Ga maar liggen’ meer als een met erotiek geladen vers – erotiek speelt vooral in zijn vroege werk een grote rol – dat een verheerlijking van de liefde is. Voor de dichter gaat het meer over verbondenheid dan over de definitieve scheiding door de dood.

Geliefd

Wat maakte de poëzie van Kopland meteen zo geliefd? Wat is het geheim van Rutger Kopland? In de eerste plaats schrijft hij poëzie over alledaagse gebeurtenissen en herinneringen. Kopland is de dichter van het verlangen, van de bedwongen wanhoop en het broze geluk. Hij belijdt zijn liefde voor de natuur (appelboom, poes, paard) in poëzie die is getoonzet met lichte ironie en weemoed. Deze poëzie heeft iets geruststellends, iets vertrouwelijks ook, waarin de dichter op bijna achteloze toon zijn woorden fluistert.

Zijn poëzie is bovendien – vaak bedrieglijk – eenvoudig. Het lijkt alsof de dichter soms maar wat voor zich uitmijmert, terwijl Kopland zijn poëzie als een ernstig spel beschouwt waarin hij peuterend in de taal naar de precieze formulering zoekt. Neem ‘Over het verlangen naar een sigaret’. In dit gedicht brengt hij de hunkering van een niet-roker naar de tijd dat hij nog onbekommerd pafte in verband met een universeel verlangen:

 

‘Ken je het verlangen naar een sigaret

naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?’

 

Koplands thematiek – de tijd, de dood, de vergankelijkheid – is die van vrijwel alle dichters. Maar het gaat er om hoe de dichter zo’n thema een nieuwe, verrassende draai kan geven en in zijn eigen woorden en klanken van een nieuwe melodie kan voorzien:

 

‘Tijd, het is vreemd, het is vreemd mooi ook

nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder

dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven.’

 

Aan de hand van zijn verzamelde gedichten valt nu prachtig te zien hoe het dichterschap van Kopland zich door de jaren heen ontwikkeld heeft. In het vroege werk domineert een anekdotisch verlangen naar het verloren paradijs van een gelukkige jeugd. Gaandeweg wordt zijn poëzie kaler, concreter ook. Hij wordt zuiniger met beeldspraak en zonder enige illusies vangt hij het leven zoals hij het ervaart in trefzekere observaties. Kopland wordt meer en meer de beschouwer van een bestaan dat hij aanvaardt zoals het is. De dichter durft de soms afgrondelijke leegte ervan onder ogen te zien.

Kopland schreef in de afgelopen vier decennia een aantal klassiekers als het prachtige ‘Onder de appelboom’ (‘ik ging zitten en ik zat/ te kijken hoe de buurman/ in zijn tuin nog aan het spitten/ was, de nacht kwam uit de aarde’) en ‘Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin’ (‘Wie/ zal de appelboom laten verkommeren,/ de stoel voorgoed laten staan in de regen? Iemand toch/ zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat.’).

Of zijn op Nijhoff geïnspireerde ode aan de moeder in ‘De moeder het water’. Huiveringwekkend mooi is ‘Zij heeft haar handen zo in haar schoot gelegd’ (,,het gesprek ligt stil, er ligt een verhaal in/ haar schoot waaruit de woorden zijn verdwenen”). Het is zo achteloos verwoord dat je haast vergeet welke menselijke tragedie hier in het bestek van acht regels passeert.

Jonge sla

Maar het meest bekend is ‘Jonge sla’, het modern-klassieke vers dat bijna beroemder is dan de dichter zelf. Het is een gedicht dat behalve veel waardering en bewondering geregeld onder vuur wordt genomen. Ooit probeerde de dichter en romancier Ilja Leonard Pfeijffer, eens de schrik van dichtend Nederland, gehakt te maken van ’Jonge sla’. Hij deed het af als kitscherig sentimenteel, maar hoe hij het ook fileerde, hij kreeg ’Jonge sla’ niet klein:

 

‘Alles kan ik verdragen,

het verdorren van bonen,

stervende bloemen, het hoekje

aardappelen kan ik met droge ogen

zien rooien, daar ben ik

werkelijk hard in.

 

Maar jonge sla in september,

net geplant, slap nog,

in vochtige bedjes, nee.’

 

In zijn latere werk was Kopland een meer bespiegelende, filosofische weg ingeslagen, en dat leverde lang niet altijd spannende poëzie op. In kwalitatief opzicht werd hij links en rechts gepasseerd door nieuwe talenten als Menno Wigman en K.Michel. Maar Kopland revancheerde zich in zijn nadagen met zijn laatste bundels. Dat leverde misschien wel de meest indringende poëzie op die hij schreef, zoals in ‘De kunst van het doodgaan’, waarvan de eerste strofe luidt:

 

‘Als het zover is – zal ik dan eindelijk

weten wat dat is, doodgaan

jezelf verlaten en weten

dat je nooit terugkeert.’

 

Rutger Kopland: Verzamelde gedichten 1966-2006 Veertig jaar dichter. Uitgeverij G. A. van Oorschot, 528 blz.

 

Maart, 2006 (met, april, 2013, enige kleine aanpassingen)

 

*

 

Het anatomisch verslag

 

Ik zat te kijken naar het sterven

van mijn moeder, haar gezicht was al leeg

maar ze ademde nog – ga toch dacht ik, verlaat

in godsnaam dat lichaam – en ze ging

 

ik geloof niet dat zij de laatste jaren wist

wie wij waren: mijn moeder, haar zoon

 

ik lees het verslag van de patholoog-anatoom

in patiëntes hersenen trof hij de bij dit beeld

gebruikelijke afwijkingen aan

 

hij beschrijft uitvoerig en zorgvuldig hoe hij

met mes en microscoop door haar hersenen

is gewandeld en wat -hij tegenkwam

 

ik wandel mee, ik ken het landschap uit het handboek

cortex, thalamus, limbische gebieden

en zie de verwoestingen

 

in deze verlaten wereld heeft ze gewoond

en ook ik woonde hier

 

ik moet wegkijken van het verslag

in mijn hoofd een leegte niet te beschrijven

alsof ook ik mijn lichaam had verlaten

 

Rutger Kopland

 

*

 

De god in mijn hersenen

 

Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij

dat ik die nacht in het verleden had geleefd

en zonder de geringste verbazing weer

geloofd had dat God bestond

 

ik wilde hem eindelijk wel eens spreken

het is een bijzonder aardige man zei iemand

je kunt hem gerust eens bellen

 

ik belde en er klonk een stem, een heel lieve stem

zodat ik niij een lieve gevleugelde vrouw voorstelde

zoals je wel ziet op felicitatiekaarten

 

wilt u god, werd er gezegd, toets dan één

wilt u god niet, toets dan niet

ik toetste één

 

en dezelfde gevleugelde vrouw zei: er is nog

één wachtende voor u en die ene bent u

 

ik herinnerde mij dat ik hier eindeloos over

moest nadenken tot ik ontwaakte en God weer

was verdwenen, ergens in mijn hersenen

 

Rutger Kopland

UA-37394075-1