Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Samuel Beckett: exuberant schrijver werd grote zwijger

We worden allemaal gek geboren, sommigen blijven het.’ Dat zei de Iers-Franse (toneel)schrijver en dichter Samuel Beckett (1906-1989), wiens werk tot het meest indringende, oorspronkelijke en raadselachtige behoort dat de twintigste-eeuwse literatuur heeft voortgebracht.

 

In vertaling is de monumentale biografie van Beckett, ‘Tot roem gedoemd’ (Damned to fame) door James Knowlson, verschenen. Tegelijkertijd kwam van de winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur 1969 een jeugdwerk in vertaling uit, de roman ‘Droom van matig tot mooie vrouwen’.

 

EEN WIT VEL PAPIER WAAROP ALLES STAAT

 

Wie Samuel Beckett zegt, zegt ‘Wachten op Godot’, zijn toneelstuk uit 1952 waarmee hij in een tijd dat het existentialisme van Sartre cum suis hoogtij vierde, in een klap zijn reputatie vestigde, en dat in 1999 in Groot-Brittannië gekozen werd tot het belangrijkste Engelstalige toneelstuk van de twintigste eeuw.

 

Zo werd ‘En attendant Godot’, zoals het oorspronkelijk in het Frans geschreven stuk heet, in 1957 opgevoerd voor 1400 gevangenen in de beruchte strafgevangenis San Quentin – ooit bezongen door Johnny Cash. De directie, de bewaking en de acteurs waren hypernerveus: hoe zullen de gevangenen reageren, zullen ze het wel begrijpen, zullen ze niet in opstand komen tegen dit raadselachtige, confronterende en voor hun misschien totaal onbegrijpelijke stuk?

 

De zaal was van meet af aan muisstil, het applaus overdonderend. De gevangenen begrepen heel goed waar dit over ging. Over wachten, wachten, wachten, de tijd doden, zelfmoord overwegen, niets doen, over zin en onzin. En daarbij, wie is in godsnaam Godot?

 

Op wie wachten die twee haveloze zwervers Vladimir en Estragon, ergens op een verlaten landweg? ‘Er gebeurt niets, er komt niemand, er gaat niemand, het is vreselijk’, zegt Estragon. Dan draaft er een boodschapper op die vertelt dat de heer Godot, met wie zij een afspraak hebben, niet kan komen, maar er morgen zeker zal zijn. Hetzelfde patroon herhaalt zich.

 

Godot laat niets van zich horen. Bestaat hij wel? Ze ontmoeten wel een ander duo, (de blind geworden) Pozzo en Lucky, meester en slaaf, in wier aanwezigheid de tijd even hilarisch, diepzinnig als absurd verstrijkt. Het stuk eindigt zoals het begon. Vladimir en Estragon wachten. Op Godot. Op God? Op de dood? Op verlossing, die vergeefs is?

 

Is Godot een mythische figuur, of eenvoudig een goedgekozen naam? Een eenvoudige sterveling? Beckett haalde er als hem ernaar gevraagd werd zelf luchtigjes de schouders over op. Het is een naam, meer niet. Wat niet wegneemt dat theater- en literatuurhistorici na een halve eeuw nog steeds niet zijn uitgeschreven over Godot en het stuk.

 

Beckett schreef natuurlijk meer, veel meer dan alleen ‘Wachten op Godot’. Hij schreef prachtige romans als ‘Molloy’ en ‘Malone meurt’ (Malone sterft) en beklemmende toneelstukken als ‘Happy days’ (‘Gelukkige dagen’), waarin Winnie tot boven haar middel is ingegraven, en ‘Play’ (‘Spel’), waarin Beckett de klassieke driehoeksverhouding van het boulevardtoneel ridiculiseert door de personages in vuilnisvaten (of urnen, volgens de regieaanwijzingen) te laten spelen waaruit alleen hun hoofden steken.

 

WIE KENT SAMUEL BECKETT NOG?

 

Beckett, die in 1969 de Nobelprijs voor de literatuur ontving, is beroemd. Nog steeds. Maar hóe beroemd is hij eigenlijk nog? Wie kent hem nog? Dat zijn naam en werk bij de jongere generaties steeds minder herkenning oproept, is misschien niet zo verwonderlijk.

 

Het wordt pijnlijker wanneer zelfs bij academici geen lichtje opgaat wanneer zijn naam valt, zoals in 2000 leek uit de rechtszaak tegen een Iranese asielzoeker. Toen deze politieke vluchteling tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag zei dat hij in eigen land behalve schrijver toneelstukken van Beckett in het Farsi vertaalde, bleek de landsadvocaat noch de rechter ooit van Beckett te hebben gehoord.

 

De verbijsterde arme vluchteling probeerde de magistraten uit te leggen wat hem bij uitwijzing naar eigen land – waar het woord nog altijd als een geducht wapen wordt beschouwd – voor vreselijks boven het hoofd hing. De heren keken vol onbegrip.

 

Tegenwoordig wordt een beetje dubbel tegen de auteur aangekeken. Het wonderlijke van Beckett is dat zijn werk enerzijds wordt afgedaan als achterhaald – het absurdisme zou niet meer van deze tijd zijn, omdat het leven, de mens zelf absurd is (geworden) – terwijl er anderzijds theatermakers zijn die nog altijd zweren bij zijn werk. In de lage landen worden zijn stukken altijd wel ergens opgevoerd.

 

HET BESTAAN ALS ZIEKELIJKE GRAP

 

De troosteloosheid van Becketts werk, waarin tegelijk ook weer een vorm van troost besloten ligt, een duistere, weinig opbeurende wereld, het universum als een zwart gat, als de Grote Leegte, waaruit geen ontsnapping mogelijk is, de dood als het Grote Niets, het bestaan als een ziekelijke grap, dat zo pijnlijk is dat het tragikomisch wordt, de grondeloos sombere toon, en dat besef van eindigheid (nergens misschien mooier beschreven dan in de roman ‘Molloy’), ja, dat gaat sommigen te ver. Omdat het té uitzichtloos is. Onverdraaglijk eigenlijk. In de ogen van Beckett was het menselijke bestaan nu eenmaal absurd. Het leven ‘bestaat slechts uit rondrennen in steeds kleinere cirkels’.

 

 

ACTUELER DAN OOIT

 

Maar hoe je het ook wendt of keert, Beckett is tegelijk nog altijd actueel, misschien wel actueler dan ooit. In zijn werk is het noodlot alom tastbaar, je moet vechten om te overleven, overal heerst chaos, maar om het leefbaar te houden, om te kunnen blijven ademen, is het noodzakelijk om (zelf) orde in de chaos te brengen.

 

Je kunt in Becketts stukken met een beetje goede wil ook een spiegel van de huidige jachtige samenleving in zien, waarin de mens drukdrukdruk en zappend door zijn leven gaat, maar in wezen dodelijk eenzaam is en een gevangene van zijn gedachtewereld. Door je druk te maken, heb je geen tijd om bij de pakken te gaan neerzitten. Om de verveling te verdrijven, om het wachten (zonder te weten waarop) te bekorten en tegen de innerlijke verscheurdheid houd je elkaar aan de praat tot er geen woorden meer zijn, tot woorden overbodig zijn en er slechts een pijnlijk zwijgen rest.

 

Het is fascinerend te volgen hoe het schrijverschap van Beckett is ontstaan. James Knowlson laat dit stap voor stap zien in zijn boek. Uit zijn vuistdikke biografie – 1123 bladzijden waarvan er 122 uit noten beslaan – komt Beckett in de eerste plaats tevoorschijn als een gecompliceerde en intellectuele persoonlijkheid. Maar hij was geen academische droogstoppel, hij was een beminnelijk man die tegelijk buitengewoon geestig kon zijn en zeer begaan was met het lot van de minderbedeelde mens.

 

PLEITBEZORGER VAN MENSENRECHTEN

 

Beckett was een fel bestrijder van de apartheid, een pleitbezorger van de mensenrechten. Hij steunde tijdens de Koude Oorlog Oost-Europese schrijvers en vrijheidsbewegingen zowel moraal als financieel. Beckett was tegendraads, een unieke figuur in de literatuur, de ‘laatste modernist’. Maar geen politiek schrijver, zoals Sartre dat was.

 

Beckett was een eenzelvige figuur, een kluizenaar die zich liefst terugtrok in de beslotenheid van zijn geest. Maar zijn liefdesleven was, na zijn doorbraak in 1947 met ‘Wachten op Godot’, toch onstuimiger dan verondersteld, want tot op hoge leeftijd hield hij, die weerloos was tegenover vrouwelijk schoon, er naast zijn huwelijk vriendinnen op na, onder wie zijn Nederlandse vertaalster Jacoba van Velde, die zelf als schrijfster enige roem vergaarde met haar roman ‘De grote zaal’ uit 1953.

 

Dat Knowlson, een alom gerespecteerd Beckett-kenner, nu de ‘definitieve biografie’ van Beckett heeft geschreven, is niet zo verwonderlijk. De hoogleraar Frans heeft Beckett meer dan twintig jaar gekend, ze waren min of meer bevriend. Zijn gedegen en uitputtende onderzoek heeft er in deze evenwichtige biografie in elk geval toe geleid dat onomstotelijk is vast komen te staan dat Beckett is geboren op 13 april 1906, op Goede Vrijdag, op de dag van Christus’ kruisiging. Beckett stierf vlak voor kerst, op 22 december 1989, vlak voor de geboorte van de Heiland.

 

‘S AVONDS LAAT TOT LEVEN

 

Voor wie daar graag de symboliek van in wil zien: veel personages van Beckett komen ’s avonds laat tot leven om de volgende ochtend tegen zonsopgang pas te gaan slapen.

 

Samuel Barelay Beckett was een telg van een welgestelde protestantse Ierse familie uit Dublin. Hij studeerde Romaanse talen. Na de dood van zijn vader in 1933 ging hij ruim twee jaar in psychoanalyse om te ontsnappen aan de ijzingwekkende haat-liefdeverhouding die hij met zijn strenge, gelovige moeder had.

 

Beckett liep tegenover zijn ouders overigens zijn leven lang met schuldgevoelens rond omdat hij in zijn ogen nooit aan hun verwachtingen – docent Romaanse talen aan de universiteit van Dublin worden – heeft kunnen voldoen. Tegelijk ontworstelde hij zich langzaam aan het keurslijf dat Ierland voor hem was. Dankzij het schrijverschap wist hij op de been te blijven. De literatuur was alles, daarvoor liet hij een glansrijke carrière als hoogleraar lopen.

 

Op zijn dertigste had Beckett een bundel verhalen en enkele gedichten op zijn naam staan, en schreef hij een mooi essay over Proust, die hem met Schopenhauer en Joyce het meest heeft beïnvloed. Beckett beschouwde James Joyce zelfs als een tweede vader. Hij leerde Joyce tijdens een uitwisselingsprogramma in de jaren twintig in Parijs kennen. Hij bewonderde zijn mede-Dubliner zozeer dat hij zelfs diens gewoonten ging imiteren. Zo kocht hij te krappe schoenen om op dezelfde manier als Joyce te kunnen lopen en hield hij op dezelfde manier als Joyce zijn sigaretten vast. Maar bovenal was Joyce voor Beckett hét voorbeeld van een compromisloos schrijverschap.

 

Hoezeer Joyce hem beïnvloedde blijkt wel uit de in 1992 postuum gepubliceerde roman ‘Dream of fair to middling women’, nu vertaald als ‘Droom van matig tot mooie vrouwen’, waarin de 26-jarige leerling Beckett dezelfde uitzinnige, hilarische stijl met een duizelingwekkend aantal literaire verwijzingen (naar Dante, Joyce, de Bijbel) toepast als zijn meester Joyce.

 

Het boek, waarvoor hij geen uitgever kon vinden, gaat over een aartsluie figuur die door Europa zwerft en voorzichtig uitgedrukt nogal onbeholpen is in zijn omgang met (wellustige) vrouwen. Wat een verschil met de latere boeken van Beckett die in tegenstelling tot Joyce – zie ‘Finnegans wake’ – steeds zuiniger ging schrijven.

 

In de jaren dertig maakte Beckett een reis door Duitsland, hij bezocht musea en schrok van het nazisme dat toen steeds meer zijn stempel op de samenleving drukte. In 1937 vestigde Beckett zich in Parijs, waar hij – en dat is een van de nieuwe feiten die Knowlson gedetailleerd weet op te dienen – in de oorlog betrokken raakte bij het verzet, wat hem nadien een Franse onderscheiding opleverde. In 1942 ontsnapte hij ternauwernood aan arrestatie en bracht de rest van de oorlog door in Zuid-Frankrijk, waar hij en zijn Franse levensgezellin Suzanne Deschevaux-Dumesnil op het land werkten om in hun onderhoud te voorzien.

 

DOORBRAAK OP 47-JARIGE LEEFTIJD

 

Becketts doorbraak volgde op 47-jarige leeftijd, met ‘Wachten op Godot’. De naoorlogse jaren, de periode 1946 tot 1953, was de productiefste in Becketts leven. Hij schreef toen de boeken en toneelstukken die tot op de dag van vandaag gelezen, opgevoerd en becommentarieerd worden.

Zijn stukken werden ook allengs korter, soberder, kaler.

 

De meeste schrijvers verspillen andermans tijd met te lange werken’, zei hij. ‘Ik probeer alles zoveel mogelijk te beperken. Mijn laatste werk zal ooit een wit vel papier zijn.’

 

Vermaard werd hij om zijn beheersing van de taal, om de zuiverheid, de eenvoud ervan, het gebruik van ‘geluid en stilte’ in zijn werk.

 

EEN INDRUKWEKKEND VERSLAG

 

‘Tot roem gedoemd’ is een indrukwekkend en soms oeverloos verslag van Becketts worsteling met het leven (en de ontmoetingen, visites, reizen, theaterregies en sterfgevallen), maar bovenal met zijn werk. Je kunt bezwaar maken tegen soms volslagen onbeduidende details, waar de ware Beckett-adept ongetwijfeld anders over zal denken. Alsof de biograaf bij wijze van spreken elk boodschappenbriefje dat Beckett ooit heeft geschreven of waar hij met zijn vrouw Suzanne de vakanties doorbracht en van welk uitzicht hij genoot, als een relikwie heeft opgespoord om na te gaan wat het effect daarvan was op het werk van de schrijver. Dat stoort. Het is de enige smet op een verder voorbeeldige en evenwichtige biografie. Hierin laat Knowlson zich niet meeslepen door allerlei vergezochte interpretaties, iets waaraan Becketts vorige biografen onder wie Deirdre Blair (die ook een biografie van Simone de Beauvoir schreef) zich nogal eens vergrepen. Wie de biografie aanschaft, wordt een bijzondere en raadselachtige, poëtische tekst van Samuel Beckett cadeau gedaan: de vertaling van ‘Worstward Ho’ uit 1983 – een van Becketts laatste teksten, die in de vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer de titel ‘Ten slechtste gekeerd’ heeft meegekregen.

 

In zijn nadagen, toen Beckett werkte voor de televisie, probeerde hij in zijn stukken een soort poëzie te schrijven dat geen woorden meer nodig had. De eens exuberante schrijver was voorgoed de grote zwijger geworden. Uiteindelijk had Beckett bijna genoeg aan een wit vel papier waarop alles stond wat er te zeggen viel.

 

James Knowlson: ‘Tot roem gedoemd, het leven van Samuel Beckett’, gebonden met vele illustraties, 1123 pagina’s. Oorspronkelijke titel: ‘Damned to fame’, vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer. ‘Droom van matig tot mooie vrouwen’ (Dream of fair to middling women), paperback, 272 pag, vertaling Anneke Brassinga. ‘Ten slechtste gekeerd’ (Worstward Ho), paperback, 38 pag. Vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer. Alle uitgaven: De Bezige Bij, Amsterdam.

 

November, 2000

UA-37394075-1