Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Sándor Márai en de vuilnisbelt van de wereld

Onstuitbaar was in het begin van deze eeuw de postume opmars van de Hongaars-Amerikaanse schrijver Sándor Márai (1900-1989), wiens leven was verweven met de tragische geschiedenis van Midden-Europa in de twintigste eeuw. Hij was al in de vergetelheid geraakt toen in 2000 geleden de Nederlandse vertaling verscheen van ’Gloed’ (1942), die wereldwijd een bestseller werd.

 

De roman werd kort daarop voor het toneel bewerkt door Ger Thijs, met Eric Schneider en Dries Smits in de rollen van twee gewezen oude vrienden die met de dood in het gezicht schoon schip proberen te maken.

 

Opgelost in een eindeloze stofwolk

 

Uit dezelfde schatkamer is het in 2002 vertaalde ‘Land, land!…’ afkomstig. Het boek bevat de memoires van Márai die de jaren 1944-1948 bestrijken. In deze periode werd Hongarije een speelbal van de grootmachten en besloot de schrijver te vluchten uit zijn vaderland waarnaar hij nooit meer zou terugkeren.

De veertien jaar geleden gestorven Sándor Márai mag zich wereldwijd verheugen in een grote belangstelling. En dat is wel eens anders geweest. Toen de ontheemde schrijver in 1989 in het Californische San Diego een pistool tegen zijn slaap zette, kende vrijwel niemand hem (meer). Zelfs in zijn vaderland, dat hij veertig jaar eerder was ontvlucht, was hij als schrijver, journalist en intellectueel slechts in kleine kring bekend. Communistische cultuurbonzen probeerden een kwart eeuw geleden nog delen van zijn werk uit te geven, maar dat stuitte op weerstand van de trotse individualist die Márai was: hij verfoeide het communisme. Zelfs met de omvangrijke Hongaarse emigrantenbeweging in de VS wilde hij niets te maken hebben. Pas na zijn dood, die samenviel met de val van de dictatuur in zijn land, werd zijn werk in Hongarije (her)uitgegeven.

Márai is een schrijver die het niet hoeft te hebben van opgeklopte publiciteitscampagnes. Zijn werk heeft het hart van de lezers vooral veroverd dankzij mond-tot-mondreclame, met als eerste Nederlandse vertalingen van ‘Gloed’ en het kleinood ’De erfenis van Eszter’ uit 1939. Maar het bewijs dat we met een waarlijk groot Midden-Europese schrijver uit de vorige eeuw van doen hebben, wordt pas geleverd met zijn autobiografie ‘Land, land!…’, waarmee hij in de voetsporen treedt van schrijvers als Franz Kafka, Hermann Broch, Joseph Roth, Robert Musil, Miroslav Krleza en Elias Canetti.

Márai’s leven was één grote zwerftocht. Hij kwam op 11 april 1900 in Kassa (nu Kosice) ter wereld, een Hongaar in Slowakije. Hij groeide op in een goed burgerlijk milieu dat met de Donau-monarchie ten onder ging. Hij was een kind van een wereld die niet meer bestaat. In zijn werk probeerde hij die verzonken wereld op te roepen, niet zozeer uit een gevoel van weemoed of nostalgie, maar om er de ondergang van te beschrijven.

Márai schreef zijn autobiografie ‘Land, land!…’ in de jaren zeventig, toen hij als banneling in de Verenigde Staten woonde. Het boek begint in het voorjaar van 1944, toen de Duitsers Hongarije hadden bezet en, zoals Márai dertig jaar later besefte, een tijdperk definitief werd afgesloten. Márai, die toen al een geweldige productie van romans, verhalen, poëzie, essays en toneelstukken op zijn naam had staan, verruilde in ’44 Boedapest voor het platteland om aan het oorlogsgeweld te ontsnappen. Maar ook daar was aan de terreur niet te ontkomen. Toen hij later weer zijn intrek wilde nemen in zijn huis, bleek het volkomen in puin geschoten. Van zijn bibliotheek – ruim zesduizend banden – restte weinig meer dan half verbrande en een tot pap verregende janboel. Nadat de Duitsers waren verdreven, kwamen de Russen de Hongaren ‘bevrijden’. Márai deed een uiterste poging om met de nieuwe situatie te leven. Wie de oorlog doorkomt, komt ook deze jaren wel te boven, was zijn idee. Het bleek een misrekening. De Russen vormden weliswaar een heel ander slag volk dan de Duitsers, maar waren niet veel beter of slechter. Het was dezelfde barbarij maar in een andere legerjas.

In zijn boek benadert Márai de veelal ruwe, primitieve Sovjet-Rus – of Oezbeek of Kirgiziër – zo onbevooroordeeld mogelijk. Hij probeert de ‘Slavische ziel’ te doorgronden en te achterhalen wat de Oktoberrevolutie met de Russen heeft gedaan. Die ziel vindt hij niet onder de soldaten of partijbonzen die zijn huis in beslag nemen als commandocentrum. Hij ziet vooral een chaotisch ‘systeem’ dat de burgers en ook de schrijver, die zo gehate bourgeois, simpelweg van hun ‘ziel’ wil beroven. Zo merkt Márai op over een collega-schrijver: ‘In de Russische cel werd hij persoonlijk niet slecht behandeld. De bewaker gaf hem soms sigaretten, alles wat hij daar meemaakte was onverschillige routine. Maar zolang hij gevangene van de Russen was, liet de angst hem geen seconde los dat hij in dit Sovjetsysteem als persoon opgehouden had te bestaan, dat hij was opgelost, tot een stofje geworden dat in een eindeloze stofwolk over de grijze steppen wordt meegesleurd door de oostenwind.’

Márai ziet grove en onbetrouwbare lieden, die plunderend en verkrachtend voorbijtrekken. Hij ziet geestelijk verarmde mensen uit een bezitloze en ongeletterde klasse die tuk zijn op andermans mijn en dijn. Ze boezemen de schrijver steeds meer weerzin in, maar wekken ook zijn mededogen. Voor de Russen, die van huis uit nog wel enig respect hadden voor schrijvers, is Márai een niemand. Naam, reputatie of status, het is allemaal van nul en generlei waarde. Márai concludeert na maandenlange observaties: ‘Ze zagen het hoogste, ultieme doel in het oplossen van de persoonlijkheid, het ogenblik waarop de mens zijn persoonlijkheid overstijgt en ‘zich mengt in het wereldritme’. Voor mij als westers mens klinkt deze visie werkelijk als Chinees of Hindi in de oren, want als ik mijn persoonlijkheid, deze merkwaardige idee-fixe, opgeef, dan geef ik de zin van mijn relatie tot het leven op.’

Na de oorlog nemen de communisten – Hongarije als vazalstaat van de Sovjet-Unie – geleidelijk de macht over.

 

Hongarije was in die tijd als een mens met

een geamputeerd been, die ligt dood te bloeden.’

 

Burgers worden naar willekeur opgepakt, gemarteld en ‘verdwijnen’. Vrienden en collega’s vertrekken naar het buitenland, plegen zelfmoord of likken zich in bij de nieuwe machthebbers. Land en goederen worden onteigend. Russische ‘missionarissen’ verkondigen hun wrede ‘waarheid’, en de nieuwe elite neemt klakkeloos de privileges over van de zo verfoeide oude elite. ‘Hongarije was in die tijd als een mens met een geamputeerd been, die ligt dood te bloeden.’

De nieuwe terreur lijkt in veel op de oude, maar het blijkt nóg gruwelijker te kunnen. Overigens, van het onmenselijke karakter van dat communistische systeem, van de stalinistische zuiveringen, van de gruwelen in de goelags, bleek in die jaren veertig al onthutsend veel bekend. Sla de geschriften er maar op na van de Franse schrijver André Gide en de bij de bolsjewieken in ongenade gevallen Russische auteur Maxim Gorki. Maar de buitenwereld wilde er niet aan.

In 1948 ontvluchtte Márai zijn vaderland toen zijn uitgevershuis werd genationaliseerd en hij een publicatieverbod kreeg. Vluchten bleek de enige uitweg, niet alleen om het vege lijf te redden, vooral om als individu, als onafhankelijk denkend mens nog op de been te kunnen blijven. Een schrijver die niet schrijft, houdt immers op te bestaan: ‘Er is geen uitweg, want de schrijver kan niet zwijgen. Ook op de vuilnisbelt van de wereld moet hij spreken, in een massagraf ligt hij nog te declameren.’

Land, land!…’ is een indrukwekkend tijdsdocument, een ode aan het vrije woord, en aangrijpend in zijn nuchtere en minutieuze beschrijvingen. Het ontroert door de welhaast onderkoelde toon die Márai het hele boek weet vol te houden, waardoor de ervaringen die hij beschrijft des te indringender worden. Behalve een genadeloos zelfportret geeft het boek een haarscherp beeld van een klein Midden-Europees land dat als een lam door uitgehongerde wolven wordt verscheurd. Márai toont ons feilloos de dwalingen van de menselijke geest.

Hij zoomt in op een maatschappij in verval, waaruit alle (zelf)respect en beschaving wegvloeit en waarin normen en waarden lege woorden zijn. Het individu is volledig ondergeschikt gemaakt aan het collectief. Deze geterroriseerde samenleving wordt beheerst door angst, wraak en haat. Het is als een langzaam werkend gif dat de mens meedogenloos en op den duur onverschillig en apathisch maakt. Wie of wat is de mens als het erop aankomt, als alle zekerheden en vertrouwdheden wegvallen, als hij volkomen op zichzelf aangewezen is: wat, wie blijft er dan over?

Land, land!…’ is rijker en aangrijpender dan Márai’s tot dusver vertaalde romans. In deze autobiografie, waarin het wemelt van verwijzingen naar literatuur en filosofie, wordt de verloren tijd op welhaast proustiaanse en niets ontziende wijze met woorden terugveroverd. In dat opzicht doet Márai denken aan de negentiende-eeuwse Franse schrijver Stendhal en meer nog aan het werk van Elias Canetti, die zelf ook een speelbal was van zijn tijd, en aan de Nobelprijswinnaar Imre Kertész, die bewonderend over zijn landgenoot Márai heeft geschreven. ‘Land, land!…’ is ook nog eens hoogst actueel. Márai zag indertijd overal om zich heen een gebrek aan normbesef en een verlies aan beschaving. Hij was met zijn heldere blik somber gestemd over het ‘avondland Europa’, maar de grote verteller die hij is laat geen pathos of nostalgie toe, noch al te groot pessimisme.

Márai’s leven eindigde tragisch. Zijn ballingschap vertoont frappante gelijkenissen met een andere grote schrijver uit de vorig eeuw, de Duitser Thomas Mann, die in 1933 huis en haard verliet om zich via Zwitserland in de VS te vestigen. Maar Mann keerde na de oorlog terug naar ‘huis’. Márai niet. We weten nu dat hij anoniem, na allerlei omzwervingen, uiteindelijk in de VS terechtkwam. Hier zou hij, kort nadat zijn vrouw Loia (Ilona) stierf, met wie hij zestig jaar samenleefde, vergeten en verlaten uit het leven stappen.

Toen, in 1989, kon de rusteloze banneling niet weten, dat het door hem zo verafschuwde regime in zijn vaderland nog slechts negen maanden aan de macht zou zijn. Wrang en bitter is het – o ironie van het wispelturige lot – dat kort daarop Márai’s eerherstel begon in het ‘herboren’ Hongarije, waar zijn honderdste geboortedag in 2000 uitbundig werd gevierd. Het zou Márai met verbijstering en ongeloof hebben vervuld.

 

Sándor Márai: ’Land, land!…’ Oorspronkelijke titel: ‘Föld, föld!….’ Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy. 366 blz, met noten, uitgeverij Wereldbibliotheek.

 

Er zijn altijd autoritaire regimes geweest en ook dichters, mensen van de pen, die zichzelf verlaagden tot het slaafs verheerlijken van de tiran (Mátyás Rákosi, red.). Maar in de geschiedenis van de autoritaire systemen is geen voorbeeld te vinden – zelfs niet in het geïntimideerde intellectuele leven, van Hitlers Reich en de Sovjet-Unie van na de stalinistische zuiveringen – van een generatie schrijvers die met zo’n enthousiaste koorzang een tiran bewierookt. Moest ik dat afwachten? Moest ik met ingehouden adem zwijgen, terwijl er hoogdravend over vrijheid werd gesproken door degenen die een goed leventje hadden door een samenleving van haar vrijheden te beroven?’

 

(Uit: ‘Land, land!’)

 

2003

UA-37394075-1