Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Sándor Márais portret van een zwervende dandy

‘Ik hoor bij niemand’, sombert Sándor Márai (1900-1989) halverwege zijn ‘Bekentenissen van een burger’ over zijn gelukkige jeugd waarin hij zich misplaatst voelde. ‘Er is geen mens ter wereld – of het nu om vrouwen, vrienden of verwanten gaat – van wie ik de aanwezigheid langere tijd kan verdragen.’

 

Márais ‘Bekentenissen van een burger’ is een openhartig zelfportret van een overgevoelige jongen die volwassen wordt en zich ontwikkelt tot een schrijver van wereldformaat. Zij het dat dit – hoe wreed is ’s mensen lot – pas werd onderkend nadat hij in 1989, kort na de dood van zijn vrouw, vergeten en verlaten uit het leven stapte. Zijn autobiografische roman uit 1935 (waaraan hij later nog moet hebben geschaafd) geeft tegelijk een haarscherp beeld van de laatste stuiptrekkingen van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie die in de Eerste Wereldoorlog ten onder ging.

Bekentenissen van een burger’ is het achtste boek dat in korte tijd van de herontdekte Hongaar in het Nederlands verscheen. Het is ook het indrukwekkendste, wat het eerste deel betreft. Dat bestrijkt de periode 1900-1914 in de Donaumonarchie waar talrijke etnische, religieuze en culturele minderheden pais en vree samen én langs elkaar leefden. Het eindigt met de moord in Sarajevo op de Oostenrijkse troonpretendent Franz Ferdinand die het begin van de Eerste Wereldoorlog markeert.

Sándor Márai kwam op 11 april 1900 in Kassa (nu Kosice) ter wereld, een Hongaar in Slowakije. Hij groeide op in een welvarend, burgerlijk milieu. Zijn vader, met wiens dood in 1934 het boek eindigt, kwam uit een welgestelde Hongaarse familie, zijn moeder uit eenvoudige kringen in Moravië. ,,Het materiaal dat mijn voorgeslacht me voor de levensreis heeft meegegeven, is van eersteklas kwaliteit’’, schrijft Márai, die intense bespiegelingen over zichzelf afwisselt met prachtige miniportretten over verwanten en andere kleurrijke figuren uit zijn geboortestreek.

Hij schrijft zo zintuiglijk dat je de sfeer proeft die in de Donaumonarchie moet hebben gehangen. Toch werd de jonge Sándor al vroeg uit deze paradijselijke omgeving verstoten, door eigen toedoen, omdat het milieu waarin hij opgroeide hem verstikte. Het gaf hem enerzijds een trots gevoel, anderzijds kon hij er niet aarden. Als veertienjarige liep hij tijdens een zomervakantie van huis om nooit meer naar het oude nest terug te keren.

In het tweede deel, dat wordt ontsierd door herhalingen en wijdlopigheden (al maakt Márais elegante stijl veel goed), volgen we de schrijver op zijn zwerftocht door Duitsland, Frankrijk, Italië en Engeland. We lezen over zijn vluchtige liefdesavontuurtjes, zijn moeizame huwelijk, drankmisbruik, literaire ontwikkeling en zijn rusteloze natuur. Maar hoe enerverend en avontuurlijk zijn omzwervingen ook zijn, hij voelt zich nergens thuis. Hij is een hypergevoelige, eenzelvige figuur, die alles beredeneert. Hij is genadeloos over anderen, hij komt zelf soms over als een pedant mannetje, maar hij heeft ook oog voor zijn eigen tekortkomingen.

Márai leed aan obsessieve eenzaamheid: ,,Soms denk ik wel eens dat mijn eenzaamheid de prijs is die ik voor mijn geestelijke bevrijding moest betalen; misschien is ze de prijs voor mijn schrijverschap.’’ Schrijven hoorde bij hem als ademen bij het leven. Hetzelfde gold voor de journalistiek – hij werkte voor diverse kranten – die hij beschouwde als een levensstijl, die goed paste bij het interbellum toen ,,alles belangrijk en interessant was’’.

Weinig woorden maakt Márai helaas vuil aan de omstandigheid dat hij in 1918 ontsnapte aan ‘de slachtbank aan de Isonzo’, waar zestien van zijn klasgenoten sneuvelden. Met dezelfde weerzin schrijft Márai over het losgebroken nazimonster dat begin jaren dertig zijn beste (Duitse) vriend verslond. Hij concentreert zich liever op de onbekommerde periode van vlak na het fin de siècle en de jaren twintig toen er overal in Europa verandering in de lucht hing – een onwezenlijke sfeer van vooruitgang en revolutie, hoop en doem.

Zo stort Márai zich als een dandy in het uitzinnige uitgaansleven van het even mondaine als provinciaalse Berlijn van die tijd. Hij schrijft dan zinnen met soms nog actuele zeggingskracht: ,,De mensen ‘maakten plezier’ alsof ze hun spoedige ondergang voorvoelden en de jongeren richtten heuse bacchanalen aan op straat. De ouderen lieten hen begaan, ze hadden zo schandelijk en onbegrijpelijk gefaald dat ze niet meer de moed hadden om hun zoons en dochters tot de orde te roepen.’’

 

Sándor Márai: ‘Bekentenissen van een burger’ (‘Egy polgár vallomásai’, 1935), uit het Hongaars vertaald door Henry Kammer. Uitgeverij Wereldbibliotheek bv, 463 blz.

 

November, 2007 

UA-37394075-1