Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Schaamte en afwijzing in Istanbul

Schaamte en afwijzing vormen de rode draad in de City Folk-aflevering over Istanbul. In deze serie, een coproductie van Europese omroepen waaronder de NTR, portretteren filmmakers uit Europese steden hun stadsgenoten.

 

Daarin neemt het Turkse Istanbul, een multiculturele wereldstad in een overwegend islamitisch land, een speciale positie in. In deze metropool op het snijvlak van oost en west, met een Europees en Aziatisch deel, staan moskeeën en kerken naast elkaar. Gesluierden lopen naast westers ogende vrouwen. Maar zoals in veel Europese steden leven de stadsbewoners naast elkaar en tegelijk langs elkaar heen. Alles wat vreemd is wordt op afstand gehouden en onderhuids smeult er veel onvrede en verdriet, zoals blijkt uit de film van Istanbuler Özlem Ögut, die uiteenlopende stadsgenoten portretteert.

Een van hen is saxofonist Yuri Ryadchenko uit Oekraïne. De 35-jarige muzikant trouwde in het geniep met de zestien jaar jongere Turkse Ebru. Haar familie vond hem te oud, hij was een vreemdeling, gescheiden en had een dochter. Ebru werd door haar ouders naar Amerika gestuurd om te studeren en Yuri te vergeten. Maar dat was de kat op het spek binden. Haar vader: ,,Ze zei dat de relatie voorbij was, maar later vertelde ze doodleuk dat ze getrouwd waren.” Pas nadat Ebru’s familie inzag dat er tegen deze liefde geen kruid was gewassen, ging zij schoorvoetend overstag. De vader ontvangt zijn schoonzoon nu allerhartelijkst. Eind goed, al goed.

 

”s Morgens ontwaken we onder een laag sneeuw want de ramen zijn stuk.’

 

Dat geldt niet voor Ali Topcuoglu (72), een berooide straatverkoper die ooit succesvol zakenman was. Zijn zaak ging failliet, waarna hij zijn heil beproefde in Istanbul. Hij opende een restaurant, maar er is geen klandizie. Het grote gezin leefde lange tijd in een bouwval. ,,Het was steenkoud,” zegt een van Ali’s zonen. ,,’s Morgens ontwaakten we onder een laag sneeuw want de ramen waren stuk.” Ali, steevast in witte doktersjas, was lange tijd in de greep van woekeraars, iets waarover hij niet wil praten. Hij verkoopt overdag warme gevulde deeglapjes in de Grote Bazaar, ’s avonds probeert hij zijn waar te slijten in de Istiklal, een populaire winkelstraat. ,,Toen het goed ging zat ons huis altijd vol,” zegt zijn zoon. ,,Nu het slecht gaat, komt er niemand. We hebben geen vrienden meer.” Veelzeggend en tekenend voor deze crisistijd is het slot waarin Ali met de handen op de rug in zijn restaurant peinzend naar de drukke winkelstraat beneden hem staat te kijken. Achter hem in de zaak is het angstwekkend leeg en stil.

‘Hij gaat naar mijn kerk, ik naar zijn moskee.’

Niet minder ontluisterend is het verhaal van de gepassioneerde Armeense Cantozangeres Ankine Ugur. Zij probeert met de moed der wanhoop de canto, een mix van zang en dans die ooit populair was, in ere te houden. Toen ze nog jong was, trad ze bijna dagelijks op. Nu haar schoonheid is verbleekt, wordt ze zelden gevraagd. ,,Maar ja, het is haar grote liefde, waarvoor ze niets terug verlangt,” verzucht haar man.

Zij is christen, hij moslim, en dat heeft binnen het gezin nooit voor problemen gezorgd. ,,Hij gaat naar mijn kerk, ik naar zijn moskee,” zegt ze. Met haar familie is ze echter gebrouilleerd. ,,Omdat ik canto zing. Daar schamen ze zich voor. En omdat ik met een moslim ben getrouwd, wil niemand met me praten. Ze houden niet van me,” zegt ze terwijl ze de tranen de vrije loop laat. ,,Mijn broer zei: we zien elkaar voortaan alleen bij begrafenissen.” Maar ze blijft volharden. ,,Als ik oud ben blijf ik optreden, al is het met een wandelstok,” zegt ze, terwijl ze de stof van haar kleurrijke canto-jurk liefdevol door haar vingers laat glijden.

 

Maart, 2010

UA-37394075-1