Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Simon Vinkenoog: Een oude jongen met ongeremde levenslust

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter, schrijver, journalist en daarnaast een moderne sjamaan met een ongeremde levenslust. Maar hij zal vooral de geschiedenis ingaan als de pleitbezorger van de Vijftigers.  Vinkenoog genoot van elke dag, ,,omdat ik weet hoe kwetsbaar het leven is’’.

 

Poëzie was Vinkenoogs grote passie. Zelf was hij een verwoed dichter die eerst onder invloed stond van Gerrit Achterberg en Hans Lodeizen, later van de Franse dichter en toneelschrijver Antonin Artaud. Als dichter was hij zelf niet zo succesvol. Veel groter was zijn invloed en belang als pleitbezorger van de poëzie van anderen. Zijn belangrijkste wapenfeit was zijn bloemlezing ‘Atonaal’ (1951), waarin hij de Vijftigers introduceerde die in het naoorlogse Nederland het landschap van de dichtkunst grondig omploegden.

De bundel kwam tot stand nadat Vinkenoog zich in publicaties druk had gemaakt over de gezapige literatuurkritiek van die dagen die de nieuwe, rebelse, ‘ondergrondse’ poëzie van de Beweging van Vijftig volkomen negeerde. De beweging bestond uit (jonge) dichters als Remco Campert, Hugo Claus, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar en Lucebert die later simpelweg de Vijftigers werden genoemd.

Simon Vinkenoog werd geboren op 18 juli 1928. Zijn ouders scheidden toen hij zes jaar was. Hij had een moedercomplex, waarvan hij naar eigen zeggen door het gebruik van de drug lsd wist te genezen. Hij voelde zich als kind een buitenbeentje, een pispaaltje dat eenzaam en geïsoleerd was. Hij zat op de mulo. ,,Dat was ongeveer de hemel in het milieu waaruit ik kom”, zei hij. Hij was een leergierige jongen die veel las en aan zelfstudie deed, iets wat hij zijn hele leven zou blijven doen. ,,Als je wilt blijven leren, blijf je ook leven.” ‘Streetwise’ was hij, op een innemende wijze assertief, ,,een lange sliert” die niets achterbaks had.

Op zijn achttiende moest hij trouwen, hij werd vader. Maar het huwelijk (Vinkenoog trouwde zes keer) was geen succes. Hij werd gepest en trok weer in bij zijn moeder. Om het burgerlijke en benauwde milieu te ontvluchten, vertrok hij naar Parijs. Hij werd in 1949 pakhuisknecht bij de UNESCO, waar hij tot 1956 werkte en zich opwerkte tot archivaris. Hij begon te schrijven aan het prozaboek ‘Zolang te water’ (1954), een afrekening met het verleden. Met ‘Wij helden’ (1957) en ‘Hoogseizoen’ (1962) deed hij daarin verslag van zijn eerste dertig levensjaren. Toen hij zij (laatste) roman ‘Hoogseizoen’ schreef, onder meer over de toenmalige drugsscene van het Leidseplein, had hij zijn eerste lsd-ervaringen achter de rug.

 

Van Braak naar flowerpower

 

In Parijs voorzag hij in zijn levensonderhoud door te poseren voor kunstenaars als Zadkine, Appel en Corneille. Hij leerde dichters kennen als Lucebert, Campert, Claus en Armando die in de naoorlogse jaren hun heil in Frankrijk beproefden. Allen werden ze later gevestigde namen, maar toen waren het opstandige kunstenaars die de ‘revolutie’ verkondigden via blaadjes als Braak en Blurb, maar aanvankelijk door vrijwel niemand serieus werden genomen. Vinkenoog sloot zich bij de Vijftigers aan, en begon zijn gefotokopieerde eenmansblaadje Blurb, waarvan in totaal acht nummers zouden verschijnen, het eerste in april 1950. In datzelfde jaar debuteerde Vinkenoog als dichter met de bundel ‘Wondkoorts’ en verscheen Braak, het tijdschrift voor experimentele dichters, van Campert en Rudy Kousbroek.

In 1956 keerde Vinkenoog terug naar Amsterdam, waar hij zich in 1962 als ‘onafhankelijk schrijver’ vestigde. Hij omarmde de dichters van de Beat Generation, onder wie Allen Ginsberg. In 1964 werd hij voorwaardelijk veroordeeld tot zes weken voor het in bezit hebben van 0,16 gram marihuana. Een tweede proces volgde in december van dat jaar; hij moest zes weken uitzitten in het Utrechtse Huis van Bewaring. In de jaren die volgden schreef hij over hippies, flowerpower, underground, reizen, jazz en dans. Hij publiceerde poëzie, proza, journalistieke beschouwingen en recensies, hij maakte bloemlezingen en vertalingen, publiceerde in diverse tijdschriften, organiseerde happenings, jazz en poëziefestijnen.

 

‘Ik ben een man die iets te zeggen heeft’

 

In 1966 was hij de drijvende kracht achter Poëzie in Carré, het eerste grote poëziefestival van Nederland. In 1980 was hij medeorganisator van de eerste conferentie over de legalisatie van cannabis. Gaandeweg schreef hij vaker over levensbeschouwelijke onderwerpen. Daarin werden magie, mystiek, occultisme en parapsychologie niet geschuwd, met een filosofie van de koude grond, zoals hij zelf onomwonden toegaf. ,,Ik schrijf en vertel niet omdat ik mezelf zo belangrijk vind, maar omdat ik iets wil zeggen. Ik ben een man die iets te zeggen heeft. Veel anderen hebben vooral iets over zichzelf te zeggen.”

In 2004 nam hij, nadat Gerrit Komrij er voortijdig de brui aan had gegeven, voor een jaartje de honneurs waar als Dichter des Vaderlands. In hetzelfde jaar verscheen een van zijn meest sprankelende boeken, ‘Goede raad is vuur’, een aanstekelijk geschreven boek over zijn liefde voor poëzie en dichters met een sterk eigen geluid.

Volgens Vinkenoog ging de wereld ten onder aan domheid, luiheid en apathie. Maar een cultuurpessimist was hij niet, daarvoor hield hij teveel van het leven. Was ‘haat’ aanvankelijk nog een belangrijk thema in zijn werk, gaandeweg kwam daar ‘liefde’ voor in de plaats. Vinkenoog zat vol empathie voor zijn naasten. Overal zag hij lichtpuntjes. Het vuur doofde nooit. Zijn vrienden stierven, maar hij bleef strijdbaar en onvermoeibaar. ,,Voor zwaarmoedigheid ben ik te gelukkig”, zei de man die vol ‘vreugdevuur’ zat. ,,Als het maar swingt”, was een geliefde uitspraak van hem, toepasbaar op bijna alles was hij deed, of hij nu schreef, praatte, tuinierde, de sjamaan uithing of gedichten voorlas op dezelfde heftige en gepassioneerde manier als waarop zijn vriend Karel Appel schilderde.

 

‘De zin moet je zelf maken en niet

halen uit andermans openbaring.’

 

Het bestaan zinloos noemen, achtte hij ziekelijk. ,,Die zin moet je zelf maken en niet halen uit andermans openbaring.” Hij was een echte ‘homo ludens’, een spelende mens die in alles en iedereen poëzie zag, want ,,zonder poëzie bestaat het leven niet. Poëzie is waarmee een moeder haar kind in slaap wiegt. Daarin zit ritme, metrum, melodie. Goed is het gedicht als degene die het leest even geroerd wordt door de kunst van de dichter, als er een vonk van menselijkheid overspringt.”

In literaire kringen nam men de oude, leergierige en wijsgerige dichter niet altijd even serieus. Zijn collega Gerard Reve, met wie Vinkenoog tijdens optredens enkele keren bijna op de vuist was gegaan, sprak van ,,pantheïstische tutti frutti voor Leidseplein-analfabeten”. Vinkenoog beklaagde zich er wel eens over dat zijn latere werk niet of nauwelijks werd besproken. Hij had dat enigszins aan zichzelf te wijten. Hij was een beetje een karikatuur van zichzelf geworden, velen bleven hem zien als een sympathieke, zij het overjarige hippie die in de sixties was blijven hangen.

 

‘Wij zijn niet volmaakt, maar

ons huwelijk is dat wel.’

 

Menig Vijftiger ontving grote prijzen als de P.C.Hooftprijs (Lucebert, Campert, Kouwenaar, Kousbroek). Vinkenoog niet. Zijn vriend Gerrit Kouwenaar zei daarover: ,,Simon is er wat dat betreft wat bekaaid afgekomen. Ik vind dat onterecht. Ik vind dat hij alleen al iets behoort te krijgen vanwege de onophoudelijk enthousiasmerende rol die hij gespeeld heeft.”

Simon Vinkenoog genoot van elke dag, ,,omdat ik weet hoe kwetsbaar het leven is’’. Al dan niet onder het genot van een blowtje bleef hij schrijven en dichten. Hij ging ook met zijn tijd mee, hij verdiepte zich in poetry slam en hield sinds 2004 op zijn weblog een dagboek bij waarop hij over van alles en nog wat zijn licht liet schijnen. Daarnaast was hij redacteur van het esoterische tijdschrift Bres. In zijn nadagen was hij vaak te vinden in zijn volkstuintje niet ver van Tuindorp Nieuwendam, waar de dichter zijn eerste zes levensjaren doorbracht. In die zelfgeschapen hof van Eden voelde hij zich thuis met zijn (zesde) vrouw: ,,Wij zijn niet volmaakt, maar ons huwelijk is dat wel.”

 

Juli, 2009

UA-37394075-1