Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Søren Kierkegaard en de zelfgekozen kwellingen van een melancholicus

Hij was de dorpsgek van de stad. Totdat het vuistdikke ‘Of/Of’ (1843) verscheen. Toen begon de zegetocht voor de Deense filosoof Søren Aabye Kierkegaard (1813-1855). Het was zijn officiële debuut, waarmee de schrijver-filosoof in één klap faam verwierf. Het boek, waarvan alleen het scandaleuze ‘Dagboek van de verleider’ eerder werd vertaald, is na meer dan anderhalve eeuw integraal in het Nederlands vertaald.

In Kopenhagen moet er halverwege de negentiende eeuw, om Nescio te parafraseren, geen wonderlijker kerel hebben rondgelopen dan Søren Kierkegaard. Hij was een charmante jongeman, ongetwijfeld, maar ook een rare vogel, een lanterfanter, een stadse dorpsgek.

Wie toen voorspelde dat in deze welbespraakte dwaas, wiens handel en wandel door de gegoede burgerij nauwlettend in de gaten werd gehouden, een groot filosoof en schrijver schuilging, werd voor gek verklaard. Toch groeide de Deen na de publicatie van zijn fabelachtige filosofisch-literaire en ‘officiële’ debuut ‘Of/Of’ in korte tijd uit tot een van de grootste figuren uit de Deense (en Europese) filosofie.

 

Men dacht dat die vreemde snoeshaan, die potsenmaker, zijn tijd in ledigheid doorbracht.

 

Toen dat boek verscheen viel bij menigeen het kwartje. Dus daaraan had die vreemde snoeshaan, die potsenmaker, van wie men dacht dat hij zijn tijd in ledigheid doorbracht, al die tijd dus gewerkt. En dat deed hij als een bezetene, veelal in de nachtelijke uurtjes als de stilte hem de vrede gaf om ongestoord te kunnen werken.

 

Søren Kierkegaard (geb. 1813) was het jongste kind van een oude depressieve vader, die zich had opgewerkt van hongerende schapenhoeder in Jutland tot steenrijke manufacturier in Kopenhagen. Op zijn veertigste trok hij zich al uit het zakenleven terug om zich te wijden aan studie, vooral theologie, en aan zijn gezin. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, die kinderloos bleef, trouwde hij zijn reeds zwangere dienstbode die hem zeven kinderen schonk. Alleen Søren en zijn oudere broer Peter Christian, die later bisschop werd, bereikten de volwassen leeftijd.

Vader Kierkegaard was een begaafde en eloquente figuur die omging met figuren uit de hoogste kringen. Hij debatteerde graag, maar was zeer dominant en dikwijls zwaar depressief. Hij had zijn zoon eens bekend dat hij op jeugdige leeftijd God had vervloekt en sindsdien in de overtuiging leefde dat hij daarvoor genadeloos zou worden gestraft. Kierkegaard, een spichtig joch met gebogen schouders als een gebochelde, vereenzelvigde zich zozeer met zijn vader dat hij aan dezelfde zwaarmoedigheid ging lijden. Hij had last van angstaanvallen en dacht geregeld aan zelfmoord.

 

Hij was een gemiddelde leerling die spiekte en plaagde.

 

Op school was Kierkegaard in alles een gemiddelde leerling, hij spiekte en plaagde, en werd in 1830 toegelaten op de universiteit. Toen hij ging studeren viel de keuze bijna onvermijdelijk op de theologie. Tijdens zijn studententijd had hij zich verdiept in de filosofie van Hegel, de meest abstracte filosoof van zijn tijd. De sporen daarvan klinken door in het vroege werk van Kierkegaard, ook in ‘Of/Of’. Kierkegaard zag evenals Hegel de wereld als een vat vol tegenstellingen en ongerijmdheden, die zich naar zijn idee maar moeilijk in één denkraam lieten vangen.

Fameus is de anekdote die Kierkegaard naar verluidt graag placht te vertellen: het verhaal van de clown die het toneel opstuift en het publiek waarschuwt voor brand achter de coulissen. De mensen klappen hun handen blauw en denken dat het om een grap gaat. Als de clown zijn boodschap herhaalt, lachen de toeschouwers nog harder. Voor somberman Kierkegaard was dat een teken dat de wereld lachend ten onder zal gaan.

 

Melancholie was ‘de doorn in het vlees’.

 

Maar vergeleken met Hegel had Kierkegaards denken niets abstracts. Hij schrijft uit een veel grotere persoonlijke en emotionele betrokkenheid, wat zijn werk in tegenstelling tot de meeste van zijn collega-filosofen zo ‘leesbaar’ maakt. Zijn ideeën zijn gekleurd door depressies en wanhoop, door zijn zelfverkozen isolement.

Melancholie was ‘de doorn in het vlees’, schreef hij. Het was volgens Kierkegaard ook de belangrijkste reden dat hij brak met zijn geliefde Regine Olsen. Die verhouding loopt als een rode draad door Kierkegaards dagboeken, maar vooral door het bijna 900 pagina’s tellende ‘Of/Of’.

Hij verloofde zich op zijn zevenentwintigste met de mooie zeventienjarige Regine, die hij toen al drie jaar kende. Maar hij wilde zich niet binden, bang als hij was voor ‘zelfverlies’, voor het verlies van zijn identiteit. Hij verdroeg geen anderen dicht op zijn huid, en was, burgerlijk als deze waren, als de dood voor allerlei sociale verplichtingen. Hij brak met Regina nadat hij zijn dissertatie had voltooid. Het bleek nogal een laffe vlucht, want hij bleef haar, nadat hij haar op papier meermaals had vernederd, als een stalker volgen. Ze was zijn eerste en enige liefde, ze was zijn muze, ze liet hem zijn levenlang niet los, ook niet toen ze een ander had, iets waarop hij furieus reageerde. Het betekende de definitieve breuk. Liefst had hij gezien dat ze zich als een ‘treurende weduwe’ had gedragen die altijd voor hem beschikbaar bleef.

 

Kierkegaardvorsers hebben alle mogelijk redenen van de breuk opgevoerd, van homoseksualiteit, impotentie, onaneerzucht, syfilis tot epilepsie en manische depressiviteit.

 

Tot aan zijn dood bleef hij aan haar hangen, en ook Regine kwam nooit helemaal meer van hem los. Wat niet altijd eenvoudig was. Ze kwamen elkaar in Kopenhagen vaak tegen, soms opzettelijk, vaker op veilige afstand van elkaar, en soms glimlachte ze in de kerk naar hem, zoals hij meermalen in zijn dagboek schrijft. Zijn verlangen naar haar was, zo luidt een verklaring, dan ook vooral het verlangen naar het verlangen en naar de herinnering aan het verlangen.

Kierkegaardvorsers hebben alle mogelijk redenen van de breuk opgevoerd, van homoseksualiteit, impotentie, onaneerzucht, syfilis tot epilepsie en manische depressiviteit. Peter Thielst meent in zijn biografie van de Deen dat het allemaal terug te voeren is op Kierkegaards bordeelbezoek, de mogelijke verkrachting van een dienstmeisje door zijn vader, zijn wanhoop en ondraaglijke zwaarmoedigheid. Misschien was Kierkegaard zowel geniaal als gek, maar ondanks het vele ogenschijnlijk autobiografische materiaal dat hij schreef, en al het getheoretiseer over en geïnterpreteer van zijn werk, weten we nog bitter weinig van Kierkegaard af.

 

Zelfkwelling

 

Zijn maniakaal hoge productie kende na de breuk geen grenzen. De eerste vrucht daarvan was ‘Of/Of’, dat Kierkegaard beschouwde als het begin van zijn schrijverschap. Hij schreef uit een soort zelfkwelling, om de breuk met Regine van zich af te schrijven, om met zichzelf in het reine te komen.

 

 De wereld kan worden verdeeld in mensen die                                     schrijven en mensen die niet schrijven.’

 

Hij schreef altijd. Kierkegaards verzamelde werken, in nog geen vijftien jaar bijeengeschreven, omvatten vijfendertig delen, waarvan een groot deel stamt uit omstreeks 1840. Alles stond in dienst van het schrijven, een wandeling, een rijtoer, een theaterbezoek, een gesprek voerde hij met het oogmerk het te kunnen gebruiken in zijn werk, wat lang niet iedereen op prijs stelde. Schreef hij niet, dan voelde hij zich beroerd, bestond hij niet meer.

Hij schreef: ‘De wereld kan worden verdeeld in mensen die schrijven en mensen die niet schrijven. Mensen die schrijven vertegenwoordigen de wanhoop en mensen die niet schrijven keuren dit af en geloven dat zij een grotere wijsheid bezitten – en toch, als zij konden schrijven, dan zouden zij hetzelfde schrijven. In de grond zijn allen even wanhopig, maar wanneer men niet de kans heeft door zijn wanhoop groot te worden, is het niet de moeite waard zijn wanhoop te laten blijken. Is dit wat het betekent de wanhoop te hebben overwonnen?’

 

Jeroen Brouwers zondvloed

 

Schrijver Jeroen Brouwers gaf deze woorden van Kierkegaard als motto mee aan zijn grote roman ‘De zondvloed’ (1988). Brouwers voelt zich verwant met de filosoof, maar hij is niet de enige. De voorloper van het existentialisme heeft in de afgelopen anderhalve eeuw heel veel kunstenaars, schrijvers en denkers beïnvloed. Hij zette schrijvers, onder wie Kafka, aan het schrijven – hij is wat men noemt een writer’s writer – en inspireerde filosofen, onder wie Sartre. De noordse somberte en melancholie van Kierkegaard zien we terug in het werk van uiteenlopende kunstenaars, van de schilder Munch tot in de films van Bergman.

 

Een spichtige gestalte in een fijngesneden maatkostuum.

 

Kierkegaard woonde als de zoon van een hoogstaand burger die met zijn kousenhandel een fortuin had verdiend, in een statig pand. ’s Avonds dook de jonge Kierkegaard op, hij was een spichtige gestalte in een fijngesneden maatkostuum, met een hoge zijden hoed op het hoofd. Hier en daar maakte hij op straat een praatje, hij bezocht regelmatig de schouwburg – geen opera van Mozart sloeg hij over (‘Don Giovanni’ was zijn favoriet). Hij liet zich in het café een goed glas wijn smaken, stak een kwaliteitssigaar op, en ijsbeerde ’s nachts tot in de vroege uurtjes in zijn uitbundig verlichte appartement, staand en schrijvend achter zijn lessenaar.

Wat hij daar uitspookte, bleef zoals eerder vermeld, lang geheim. Want Kierkegaard publiceerde wel, veelal spraakmakende (want scandaleuze) boeken die goede kritieken ontvingen en geroemd werden om hun voortreffelijke stijl, rijke inhoud en verheven ironie, maar ze verschenen niet onder zijn eigen naam.

Het was, achteraf, voor menigeen verbazingwekkend dat die gesoigneerde jongeman in zo’n korte tijd, in zo’n bezeten tempo, zoveel opmerkelijke, originele en vaak spraakmakende boeken had geschreven. Het was immers dezelfde keurige jongeman die kort daarvoor, als brallerige corpsbal, enkele provocerende schotschriften had geschreven, waaronder één tegen een andere artistieke Deense held, Hans Christian Andersen.

 

Kierkegaard hield van mystificaties en verschool zich onder uiteenlopende alter ego’s, luisterend naar pseudoniemen en heteroniemen als Victor Eremita, Hilarius Bogbinder, Johannes Climacus, Frater Taciturnus, Johannes de Silentio, Vigilius Haufniensis. Kierkegaard was de regisseur in een wijdvertakt schimmenspel.

Hij deed in het begin van de negentiende eeuw wat een eeuw later de Portugese schrijver Fernando Pessoa deed: zich eindeloos splitsen in een koor van alter ego’s, in een maskerade van schrijvers om zijn verschillende stemmen te laten horen. Wat weer nieuwe vragen opriep. Leed Kierkegaard aan een gespleten persoonlijkheid? Gebruikte hij al die alter ego’s uit zelfbescherming? Uit lafheid, zoals kwade tongen beweerden? Of uit wanhopige angst voor de boze buitenwereld?

 

Hoe het zij, hij bleef zich miskend voelen, hij voelde de afgunst, de botheid en het leedvermaak. Naar aanleiding van de reacties op zijn debuut en de spotzieke reacties van de mensen om hem heen, noteerde Kierkegaard in zijn dagboek: ‘Ook als ik met het schrijven van ‘Of/Of’ niets anders bewezen zou hebben, dan is het in ieder geval een feit dat men in het Deens een literair werk kan schrijven, dat het mogelijk is te werken zonder het koesterende kompres van de sympathie, zonder de stimulans van de verwachting nodig te hebben, dat men kan werken terwijl men het tij tegen heeft, dat men ijverig kan zijn zonder het te lijken, dat men zich in alle stilte geheel aan iets kan wijden, terwijl nagenoeg iedere armzalige student zich mag veroorloven je een lanterfanter te noemen. Mocht dit boek op zich waardeloos zijn, dan is alleen al het ontstaan ervan het kernachtigste epigram dat ik over ons wauwelende filosofische heden geschreven heb.’

 

Of/Of’ is een nog altijd spannende, prachtig geschreven ontwikkelingsroman, waarin de vertwijfelde auteur zichzelf op de pijnbank legt.

 

Een waardeloos boek had hij allerminst geschreven. ‘Of/Of’ sloeg indertijd in als een bom, en al mogen veel ooit belangrijke boeken uit de negentiende eeuw inmiddels hopeloos gedateerd zijn of een belegen en stoffige indruk maken, voor Kierkegaards boek gaat dat niet op. Het is een nog altijd spannende, prachtig geschreven ontwikkelingsroman, waarin de vertwijfelde auteur zichzelf op de pijnbank legt, in een soort prefreudiaanse psychische analyse.

Het boek is als een schaakspel, met Kierkegaards alter ego’s als schaakstukken, en vernuftig opgebouwd uit essays, brieven, een preek, cultuurhistorische miniaturen en aforismen zoals: ‘Het is mij te moede, zoals het een schaakstuk te moede moet zijn wanneer de tegenstander ervan zegt: dat stuk kan niet spelen.’ Het varieert van ‘Het dagboek van de verleider’ tot verhandelingen over Don Juan, Faust, Gretchen en Antigone, over toneel en over de erotiek, tot de brieven van rechter Wilhelm aan zijn jongere vriend en een kort nawoord, een soort preek, van een Jutlandse dominee.

 

Geestelijke perversie

 

Hoogtepunt vormt ‘Het dagboek van de verleider’, nog altijd een topper van de erotische wereldliteratuur, die in zijn geestelijke perversie doet denken aan de achttiende-eeuwse libertijnse roman ‘Les liaisons dangereuses’ van Choderlos de Laclos. Dat het indertijd zoveel ophef veroorzaakte, is niet verwonderlijk.

Aan het woord is ene Johannes, die tot in de finesses uitlegt hoe je op listige wijze een onschuldig meisje, Cordelia (met een knipoog naar Shakespeares ‘King Lear’), in wie we natuurlijk Regine herkennen, tegen de geldende zeden in met leugens en streken het hof maakt tot ze zich geheel uit vrije wil aan hem overgeeft. Daarna laat de verleider haar als een baksteen vallen. Hij heeft zijn doel, verleidingskunst als hoogste genot, immers bereikt.

Kierkegaard was ontzet over de nadruk die op dit deel van het boek werd gelegd. Het behoorde ook in de context van het hele boek gelezen te worden, want de verleider werd elders flink de oren gewassen.

 

Kluizenaar

 

Of/Of’ bevat weliswaar verschillende ‘stemmen’, er is één centrale verteller, een zekere Victor Eremita, een kluizenaar, die zijn boek in een beproefde schrijverstruc opdient als een gevonden manuscript. Dat Kierkegaard zichzelf niet noemde, heeft waarschijnlijk te maken met de omstandigheid dat hij Regine wilde beschermen. En Regine is alom aanwezig in ‘Of/Of’. Kierkegaard zet de estheet tegenover de ethicus.

De verleider staat model voor de eerste, hij beschouwt genot als de hoogste waarde, rechter Wilhelm voor het tweede; hij oordeelt streng over de verleider tot wiens werkelijke beweegredenen hij weet door te dringen. Aan de hand van de ‘gesprekken’ tussen beide personages zoekt Kierkegaard naar de betekenis van de erotiek. Het enige nadeel van het boek is dat al die mystificaties ervoor zorgen dat je soms het spoor bijster dreigt te raken. En ook het religieuze pathos hier en daar zal niet aan iedereen besteed zijn.

 

Na een korte, onwaarschijnlijk vruchtbare periode was hij ineens leeggeschreven.

 

Na die korte maar onwaarschijnlijk vruchtbare artistieke periode was Kierkegaard vrijwel leeggeschreven. Hij begon zich te herhalen. In zijn laatste levensjaar kwam er vrijwel niets meer uit zijn pen. Voor een pastoraat kreeg de felle kerkcriticus die hij was, geen medewerking van de bisschop. Tot overmaat van ramp verliet Regine met haar man, die tot gouverneur van de Deense Antillen was benoemd, Kopenhagen. Ook leefde hij op te grote voet. Hij kon zijn personeel – huishoudster, huisknecht, secretaris – nauwelijks nog betalen. Het werd hem allemaal teveel. Kort daarop stierf hij, op 42-jarige leeftijd.

 

Søren Kierkegaard: ‘Of/Of’ (‘Enten-Eller’), met als ondertitel: ‘Een levensfragment uitgegeven door Victor Eremita’, oorspronkelijk gepubliceerd in 1843 te Kopenhagen, vertaling Jan Marquart Scholtz, uitgeverij Boom, Amsterdam, 884 blz, uitgeverij Boom, Amsterdam.

 

Augustus, 2000

UA-37394075-1