Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Tegen wie ziek is wordt gelogen

Proust, Dostojevski, Vestdijk, Tsjechov en Kafka. Grote schrijvers die bovendien meesters waren in het van binnenuit beschrijven van de zieke mens. Ze waren daartoe niet alleen in staat dankzij hun verbeeldingskracht, maar ook omdat ze een ziekte zelf aan den lijve hadden ondervonden of omdat ze die als (huis)arts, zoals Tsjechov en Vestdijk, van nabij konden observeren. De betekenis en heilzame werking van hun boeken en van nog zeventig andere schrijvers vormen de rode draad van ’Ziektebeelden – Essays over literatuur en geneeskunde’.

 

Opmerkelijk genoeg bestond er nog niet zo’n boek in het Nederlandse taalgebied. In de medische opleiding speelt literatuur, anders dan bijvoorbeeld in de Angelsaksische landen, nauwelijks een rol van betekenis. Sterker, wie in het Nederlandse taalgebied iets zoekt over de relatie tussen literatuur en geneeskunde is nog altijd aangewezen op ‘De zieke mens in de romanliteratuur’ uit 1964 (!) van Simon Vestdijk, een grote naam uit een voor velen schimmig verleden die in dit boek trouwens veelvuldig opduikt.

 

Zonder mijn ziekte zou ik er nooit achter gekomen zijn wat het betekent om een menselijk wezen te zijn.’

 

Ziek-zijn, fysiek of psychisch, is een drama in verschillende betekenissen van het woord. Ziekte confronteert de mens met zijn beperkingen en sterfelijkheid. En in die zin heeft ziekzijn door de eeuwen heen altijd scheppende kunstenaars geïnspireerd. ‘Zonder mijn ziekte’, zei de Engelse schrijver Dennis Potter, ’zou ik er nooit achter gekomen zijn wat het betekent om een menselijk wezen te zijn.’ Potter was ervan overtuigd dat hij zonder zijn ziekte – de huidziekte psoriasis, waaraan ook de hoofdpersoon lijdt in de naar zijn scenario gemaakte legendarische tv-serie ‘The singing detective’ – als schrijver nooit zoveel diepgang had kunnen bereiken.

De schrijver zat, hoe beroerd hij zich ook voelde, niet bij pakken neer. Hij zei: ‘Ik was er ook niet kwaad over zoals Philip Marlow in ‘The singing detective’. Of gedeprimeerd. Ik ben een vechter. Een depressie kost vreselijk veel energie, en ik denk dat je die beter kunt besteden aan vechten dan aan treuren. Je moet de ervaringen die opdoet gebruiken. Gebruik ze, doe er wat mee!’

 

Geen zieke of ziekte is alleen

 

Eindeloos veel is er geschreven over ziekte en ziek-zijn. Een wetenschappelijke beschrijving van een ziekte is echter vaak dor, afstandelijk, klinisch, ontoegankelijk. Zelden kom je daarin iets te weten over de manier waarop de patiënt zijn ziekte ondergaat en beleeft, hoe een ziekte de patiënt in zijn wurgende greep heeft en beperkt in zijn dagelijkse doen en laten, want ook zijn blik op de buitenwereld verandert. Overal om zich heen ziet hij ineens ziekte en pijn. Geen zieke of ziekte is alleen.

 

Ik lees literatuur om in ruime zin vertroost te worden.’

 

Literatuur of fictie zit ’de waarheid’ vaak dichter op de huid dan factie, het feitelijke relaas, ook al ’liegen’ romans de waarheid. Ze overtuigen meer dan de wetenschappelijke beschrijvingen en de autobiografische boeken van mensen die hun ziekte als een soort therapie van zich af proberen te schrijven.

Of, zoals huisarts Henriëtte van der Horst schrijft over dementie aan de hand van de roman ’Scar tissue’ van Michael Ignatieff: ‘Misschien is het de kracht van de literaire schrijver, die een extra dimensie geeft aan het thema. Ik lees autobiografische boeken als ik iets wil weten over wat de ander heeft meegemaakt, met daarbij altijd de gedachte dat het verdraaid is. Datgene wat prijsgegeven ’mag’ worden staat er in. Maar ik lees literatuur om in ruime zin vertroost te worden.’

 

Tegen iemand die doodziek is, wordt gelogen. Zieke mensen weten dat en voelen zich daardoor extra geïsoleerd.’

 

Renate Rubinstein meende dat een zieke vooral troost put uit de ironie. Zij schreef over haar slopende ziekte multiple sclerose in ’Nee heb je’, een boek dat uitmunt in zijn ironische benadering van ziekte in het algemeen en de ziekte van de schrijfster in het bijzonder.

Bits schreef zij: ‘Tegen iemand die doodziek is, wordt gelogen. Zieke mensen weten dat en voelen zich daardoor extra geïsoleerd. Mocht zo iemand in uw omgeving zijn, bedenk dan: spot, oprechtheid en liefde. Dat is de beste troost. (…) Ik bedoel de zeldzame vorm van liefde die niet lichamelijk is en niet halfzacht maar die gepaard gaat met spot en oprechtheid.’

 

Een patiënt lijdt, en de pijn, geestelijk of lichamelijk, is soms ondraaglijk. Maar er zijn ook mensen die de pijn opzoeken, om hun grenzen te verleggen, om boete te doen, om de aandacht te trekken, om zichzelf te bewijzen of omdat ze pijn als een genot ervaren.

Naar pijn als een niet onaangename metgezel verwijst Ben Crul, huisarts en hoofdredacteur van het blad Medisch Contact, in zijn bijdrage over de roman ’De renner’ van Tim Krabbé. In dit geromantiseerde sport- en overlevingsboek levert de hoofdpersoon tijdens het wielrennen prestaties die hij eigenlijk niet voor mogelijk hield. De hoofdfiguur zegt over zijn lichaam: ‘Ik was ontroerd door zijn trouw, het leek of hij alleen maar blij was dat ik weer een beroep op hem deed.’

 

In ’Ziektebeelden – Essays over literatuur en geneeskunde’, een gortdroge titel van een allerminst saai boek, proberen de auteurs – van schrijvers, filosofen en taalkundigen tot artsen, psychologen en juristen – antwoord te geven op vragen als: welke romans worden door en voor dokters aanbevolen om te lezen? Welke voorkeuren hebben dokters? Wat spreekt hen aan? En waarom? Wat kunnen dokters van literatuur leren? En patiënten? En andere lezers?

 

De artikelen zijn alle opgezet volgens eenzelfde stramien. Het uitverkozen boek wordt kort samengevat, er is een korte biografische schets van de schrijver. De auteur van het stuk geeft aan welke invloed het boek op hem of haar heeft gehad, geeft een analyse, stelt een diagnose van het thema, en geeft aan waarom artsen en/of patiënten dit zouden ’moeten’ gaan lezen.

Academisch en wollig taalgebruik is zoveel mogelijk gemeden. Zelden verzandt een auteur in een overdaad van vakjargon of gedetailleerde rimram. Eén kanttekening. Wie afgaat op ‘Ziektebeelden’ krijgt de indruk dat de ’canon’ van medisch-literaire werken vrijwel uitsluitend uit moderne werken bestaat. Dat is bezijden de waarheid. Zo had het klassieke gedachtegoed van Pascal, Petrarca, Dante of Molière in dit boek niet misstaan. De samenstellers geven dit ook grootmoedig toe, het had dit boek nóg completer kunnen maken.

 

Maar het zijn vooral de persoonlijke visies van de auteurs die ‘Ziektebeelden’ zo boeiend maken. Neem het stuk van Marijke Boorsma. Zij zit ‘letterlijk’ in ‘Het refrein is Hein’, schrijft ze over Bert Keizers boek: ‘Want ik ben in deze weken ‘Hein’ voor mijn gevoel al vaker tegengekomen dan in tien jaar huisartsenpraktijk.’

 

Keizer durft de ‘triomfen’ van de geneeskunde in twijfel te trekken.’

 

Keizer schrijft in zijn boek over zijn verpleeghuiservaringen en de medische onzin en prietpraat die achter de façade van vermeende kennis en geleerdheid schuilgaat. Ook artsen zijn maar gewone mensen die stuntelen in de nabijheid van de dood. ‘Ik denk dat Bert Keizer tot de kleine minderheid van de dokters behoort’, schrijft Boorsma, ‘die blijft zoeken naar de mens achter de appendicitis of het hartinfarct. Hij durft ook de ‘triomfen’ van de geneeskunde in twijfel te trekken. Daar is misschien wel meer moed voor nodig dan je verschuilen achter de wapperende witte jas en de glanzende scanners. Zelfs in het verpleeghuis zie ik collega’s enthousiaste pogingen doen om de 96-jarige die op niet mis te verstane wijze aangegeven heeft ‘klaar te zijn met leven’ nog net voor de dood weg te grissen.’

 

Volgens Boorsma zou ‘Het refrein is Hein’ van Bert Keizer verplichte kost moeten zijn voor elke aankomende of zittende dokter, want ‘nog steeds worden aanstaande artsen opgeleid in de ‘marmeren hallen’ van de universiteit en leert men over het leven vrijwel niets’.

 

F.Meulenberg, J.van der Meer, A.Oderwald (redactie), met bijdragen van diverse auteurs onder wie A.van Dantzig, Douwe Draaisma, A.J.Dunning, Martin van Amerongen, Rudolf Geel, Bert Keizer, Wiel Kusters, Nicolaas Matsiers, Adriaan Morriën en Winnie Sorgdrager: ‘Ziektebeelden – essays over literatuur en geneeskunde’, uitgeverij Lemma, Utrecht, 730 blz.

 

December, 2002

 

UA-37394075-1