Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

The Police van heel dichtbij

Stewart Copeland, drummer van The Police, liep tussen 1978 en 1985 vaak met een camera ‘aan het oog geplakt’. Uit die meer dan vijftig uur 8-millimeterfilm stelde hij de ‘rockumentary’ ‘Everyone stares: The Police inside out’ samen.

 

De muziekfilm toont van dichtbij de opkomst en ondergang van de band van zanger/bassist Sting (Gordon Sumner), gitarist Andy Summers en Copeland.

Midden jaren tachtig was The Police behalve wereldberoemd een popindustrie geworden. De band maakte albums aan de lopende band, bracht talrijke singles uit en reisde met een uitgebreide crew continu de wereld rond. Op den duur raakten de muzikanten oververmoeid van dat eindeloze toeren. Ook hadden ze er tabak van om voor de zoveelste keer ‘Roxanne’, ‘Can’t stand losing you’, ‘So lonely’, ‘De Do Do Do De Da Da Da’ en ‘Message in a bottle’ te spelen, die in de bekende, straffe en uitbundige bas- en drumsolo’s steeds langere versies kregen. En tenslotte waren ze ook elkaar spuugzat.

Het begint met The Police allemaal eind jaren zeventig. De hippietijd is voorbij en na de disco, symfonische rock en hardrock zijn de geesten rijp voor iets nieuws als new wave en punk. Het is nu nauwelijks voor te stellen dat The Police als punkbandje begon. Het is dan nog een doorsnee band van gewone aardige Britse jongens, die net als al die andere talentvolle muzikanten ervan overtuigd zijn dat ze het gaan maken. We zien het drietal met hun manager in een aftands busje door Engeland en de VS toeren, de hele dag onderweg, van het ene naar het andere optreden, peentjes zwetend bij het sjouwen van de eigen apparatuur. De muzikanten beginnen aan het succes te ruiken. Daarna is het Europese continent aan de beurt, waarbij ze ook Pinkpop aandoen.

Er zit veel couleur locale in de film, met doorgaans heldere beelden, soms grofkorrelig, wazig en vlekkerig. Er zijn kleedkamerbeelden, interviews, signeersessies en er is veel jongensachtige meligheid. Het plezier spat er ook op het podium vanaf, gefilmd vanachter het drumstel. Overal weet het trio met zijn explosieve optredens de aandacht op zich te vestigen.

En nadat ‘Roxanne’, aanvankelijk een jazzy bossanova, met een opzwepende reggaebeat wordt opgefrist, is het hek van de dam. De band heeft zijn specifieke sound gevonden en het publiek is niet meer te houden, met beangstigende momenten van opdringerige en hysterische fans tot gevolg.

Ze schijnen nu weer de beste maatjes te zijn, maar in 1986, op het hoogtepunt van hun roem, konden de drie elkaar niet meer luchten of zien. Copeland heeft vaker verklaard dat vooral hij en Sting elkaar soms de tent uitvochten. Enkele jaren geleden hebben ze de ruzie bijgelegd en maakte The Police een reünietour, waarbij ook de Arena werd aangedaan. In de film is van die frictie weinig te merken, op wat irritaties en speldenprikken na. Wel valt op dat de onbezonnen muzikanten uit het begin weldra veranderen in bedachtzame rocksterren die veel tijd kwijt zijn aan fotoshoots en zich nauwelijks nog op straat wagen.

Artistiek wordt The Police steeds beter. Sting bulkt van de ideeën, ontpopt zich meer en meer als het artistieke brein en gaat daarbij steeds meer zijn eigen gang. Copeland is met zijn camera de observator die met zijn ironische commentaar het stormachtige succes relativeert. Summers steelt de show in de film. Hij zorgt met zijn strapatsen voor wat lucht in de turbulente wereld van succes waarin The Police in die jaren gevangen zit.

 

Augustus, 2010

UA-37394075-1