Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Therese Cornips: ‘Als Proust onmogelijk Frans schrijft, maak ik daar onmogelijk Nederlands van’

,,De vertaler wordt soms volslagen veronachtzaamd”, zegt Thérèse Cornips, die ‘de hele Proust’ in het Nederlands vertaalde. ,,Het leek even beter te gaan, maar toch zie je weer hand over hand toenemen dat de vertaler van een boek niet eens genóemd wordt. Het is kennelijk het lot van de knecht.”

,,Proust is een perfectionist, dus moet je

als vertaler ook een perfectionist zijn.”

 

,,Alleen de vertolker wordt bejubeld. Dat geldt voor alle kunstvormen. Wie op het podium staat krijgt het applaus. Men zegt van een ‘goede vertaling’ wel: wat een mooi boek, maar bij een slechte vertaling rept men niet van ‘een slechte schrijver’ maar van een slechte vertaler.”

 

,,Als Fransen horen dat ik vertaler ben van de grote Proust, hebben ze diepe eerbied voor me.”

 

Ondankbaar werk vindt Thérèse Cornips het evenwel allerminst. Want ‘Proust vertalen betekent dat zijn grote roem toch ook een beetje op mij afstraalt’. ,,Als ik Fransen ontmoet en ze horen dat ik vertaler ben van de grote Proust, dan vinden ze dat geweldig, dan hebben ze diepe eerbied voor me, zonder dat ze ook maar iets van mijn werk gezien hebben.”
Van Marcel Proust (1871-1922), die te boek staat als een van de grootste twintigste-eeuwse schrijvers, is Thérèse Cornips’ vertaling van ‘De voortvluchtige’ (‘La fugitive’) verschenen, het zesde boek van ‘Op zoek naar de verloren tijd’ (‘Á la recherche du temps perdu’). In haar Amsterdamse bovenwoning is de vertaalster alweer druk bezig met het slot, boek zeven van de cyclus, ‘Le temps retrouve´’, dat te zijner tijd als ‘De tijd hervonden’ in twee delen zal worden gepubliceerd. Dan zal ‘de hele Proust’ eindelijk in het Nederlands verkrijgbaar zijn. ‘Á la recherche du temps perdu’, waarover wel wordt beweerd dat iedereen na het lezen ervan wijzer is dan daarvoor, verscheen oorspronkelijk in de jaren 1913 tot 1927 in zeven boeken, waarvan de meeste weer twee of drie delen beslaan. De Nederlandse vertaling van dit literaire monument liet lang op zich wachten. Pas in 1966 verscheen bij de Amsterdamse uitgeverij De Bezige Bij ‘Een liefde van Swann’ als aparte roman. Het is het enige (onder)deel van de cyclus dat ook als afgerond verhaal valt te lezen; het is een roman over de (proustiaanse) liefde, in dit geval die van Charles Swann voor Odette.

Opdracht

In de jaren zeventig besloot De Bezige Bij de hele romancyclus te laten vertalen. N.L.Lijsen vertaalde de eerste delen. Thérèse Cornips nam het leeuwedeel voor haar rekening. ,,Ik deed al wat dingen voor ‘de Bij’, ik had onder meer ‘De bastaard’ van Violette Leduc vertaald, in een tijd dat er nog niet zo bar veel Franse boeken werden vertaald. Ik vond het een heerlijke opdracht. Natuurlijk had ik Proust al gelezen, lang geleden, toen ik een jaar of 22, 23 was”, vertelt Thérèse Cornips (1926), die jarenlang de levensgezellin was van de dichter Chris van Geel (‘de man van mijn leven’), die geruime tijd, tot een paar jaar voor zijn dood in 1974, in Groet woonde. Diens debuutbundel ‘Spinroc’ (1958), een anagram van Cornips, is aan haar opgedragen.

 

,,Vroeger moest ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan het werk voor een paar centen. Dan kun je niet altijd verlangen dat de vertaling ook helemaal klopt.”

 

,,Heel veel wereldliteratuur was destijds nog niet vertaald. Alleen mensen die de moderne talen spraken konden er kennis van nemen. Maar door al die vertalingen zijn er nu heel veel lezers bijgekomen, goddank. Er zijn nu veel meer goede vertalers uit het Frans. En dat ze over het algemeen veel beter zijn dan vroeger komt onder meer doordat ze beter worden gehonoreerd.”
,,Vroeger moest ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan het werk voor een paar centen. Dan kun je niet altijd verlangen dat de vertaling ook helemaal klopt. Nu kan ik mij, dank zij subsidie van het letterenfonds, geheel aan Proust wijden. Daar heb ik dan ook een volle dagtaak aan. Ik kan elk woord wegen, dat is natuurlijk heel mooi, want als je ouder wordt, word je ook steeds kritischer.”

Knecht

‘Op zoek naar de verloren tijd’ is deels autobiografisch. Proust bedenkt geen personages, zijn romanfiguren zijn gebaseerd op werkelijk bestaande mensen. Maar Proust ‘herschept’ ze radicaal door zich met hen te identificeren. De verteller valt niet geheel samen met de schrijver, ofschoon deze wel enkele keren ‘Marcel’ wordt genoemd. Het boek geeft een kaleidoscopisch beeld van het milieu waarin Proust opgroeide en dat hij in zijn werk, in dit fresco van de hoogste Parijse kringen van rond de eeuwwisseling, zo treffend beschrijft.

De enige chronologische aanknopingspunten zijn historische gebeurtenissen: het begin van de Derde Republiek (1870), de Dreyfusaffaire (de Franse stafofficier die ten onrechte werd beschuldigd van spionage voor de Duitsers) en de Eerste Wereldoorlog. Proust fixeert indrukken uit het verleden in minutieuze en scherpzinnige beschrijvingen in soms ellenlange, meanderende zinnen (waarop bij ons Vestdijk het patent heeft) van een dikwijls grote ‘muzikale’ schoonheid.
Proust ontleedt daarin hoe mensen (kunnen) veranderen, hoe ze liegen en bedriegen, hoe hebzuchtig en ijdel ze zijn, hij laat zien dat mensen zowel hun goede als kwade kanten hebben.

Hij stelde zich daarbij het hoogste doel: alles moest precies worden gezegd zoals het alleen kan en moet worden gezegd. Door verfijnde zielsanalyses komt hij tot de ontdekking dat de verloren tijd wel degelijk is terug te halen. ,,En je kan wel zeggen dat hij daar aardig in geslaagd is. Men zegt wel eens dat Proust niet veel aan de verbeelding van de lezer overlaat, maar daar ben ik het absoluut niet mee eens.”

 

,,Soms is dat een hele puzzel ja. Proust volgt zijn gedachten, zodat hij niet altijd zo’n prachtige stijlvolle zin schrijft.”


Proust staat er om bekend dat hij moeilijk en lastig te lezen en te vertalen is. Thérèse Cornips: ,,Ik vind dat alle vertalingen moeilijk zijn. Bij Proust heb je bovendien te maken met zinnen die soms zeer ingewikkeld zijn, vol allerlei tussen en bijzinnen. Maar je kunt ze niet zomaar uit elkaar trekken; hij bedoelt het zo, pas aan het eind is de zin rond. Soms is dat een hele puzzel ja. Proust volgt zijn gedachten, zodat hij niet altijd zo’n prachtige stijlvolle zin schrijft. Het is soms onmogelijk Frans wat hij schrijft, en daar moet ik dan onmogelijk Nederlands tegenover zetten.”

,,Proust is een perfectionist, dus moet je als vertaler ook een
perfectionist zijn. Het is mijn streven, mijn taak, de schrijver zo precies mogelijk te vertalen. Ik ben er niet op uit vloeiend Nederlands van Proust te maken als er ook geen vloeiend Frans staat. Sommige zinnen zijn ook niet afgemaakt. En zoals je geneigd bent om daar in de Franse tekst overheen te lezen, probeer ik dit eveneens in de vertaling voor elkaar te krijgen. Proust weet zichzelf soms ook schaamteloos te herhalen. Hij herhaalt hele passages omdat hij vergeten is dat hij die al eerder, in een ander boek, gebruikt heeft. Maar Proust mag dan af en toe slordig lijken, iemand die maar doorbreit en doorzeurt, het blijft toch altijd muziek.”

Levenswerk

Proust, geboren op 10 juli 1871 als zoon van welgestelde ouders (zijn vader was een befaamd medisch geleerde, zijn moeder een belezen vrouw die haar zoon de liefde voor de kunsten bijbracht), begon zijn levenswerk omstreeks 1906 in zijn Parijse appartement. De schrijver verdichtte hier zijn herinneringen tot een boek van meer dan drieduizend pagina’s. Een boek vol magische ‘herinneringen’ aan zijn gelukkige kinderjaren, aan de ‘beroemde’ nachtzoen van zijn moeder, aan de talrijke liefdes, aan geuren en gerechten (de beroemde madeleinekoekjes van tante Léonie), aan de jongelingsjaren (‘In de schaduw van de bloeiende meisjes’), aan de grootmoeder (die sterft in ‘De kant van Guermantes’), de ‘perversiteiten’ (homoseksualiteit) waarover Proust in ‘Sodom en Gomorra’ buitengewoon vrijmoedig schrijft, het gekooide liefdespaar in ‘De gevangene’, de vlucht van de geliefde Albertine en haar dood in ‘De voortvluchtige’ en de volwassenheid die de verteller in ‘De tijd hervonden’ bereikt. Proust vertelt zijn verhaal niet rechtlijnig, maar spreidt zijn verhaal uit rondom een aantal hoofdpersonages, met als belangrijksten de moeder en grootmoeder, de enigen die oprecht, sympathiek en intelligent zijn.

Moralist

Thérèse Cornips: ,,Proust is geen moralist, dat geldt trouwens voor alle goede schrijvers. Het gaat hem erom hoe iets ís, niet hoe iets móet zijn. Zijn werk verrijkt je omdat je er zo veel in herkent, wat je zelf nog niet zo had gezien, waarvan je zegt: ja, zo is het. Neem de gevoelens van de verteller bij de dood van Albertine, of wat Proust over homoseksualiteit zegt, dat is prachtig.”

,,Het is verbluffend te zien hoe hij probeert te begrijpen hoe mensen in elkaar steken, hoe hij zelf in elkaar zit. Het is prachtig hoe hij de hele maatschappelijke beweging van mensen door het hele boek heen vlecht, zodat je een beeld krijgt van de mensen in hun tijd. Je beleeft hoe de een op de maatschappelijke ladder klimt terwijl de ander zakt zonder dat zoiets te voorspellen is. Daarnaast heb ik ook grote bewondering voor Prousts kijk op de letteren, op de muziek, op de beeldende kunst, op muziek.”

Aandacht

Volgens Ghislain de Diesbach, de zoveelste biograaf van het Franse genie, was Proust in het dagelijks leven een onuitstaanbare, verwaande kwast. Een snob. Een vreselijk verwend rijkeluisjoch. Een ingebeelde zieke. Een grove leugenaar. ,,Diesbach is geen proustiaan”, zegt Thérèse Cornips verontwaardigd. ,,Die Diesbach heeft meer een Privéstory geschreven. Painter (auteur van de eerste uitvoerige Proustbiografie, uit 1959, ndb) nam het werk van Proust als uitgangspunt. Die doet veel meer recht aan Proust.”

,,Proust heeft zijn milieu vaarwel gezegd door zich als een bezetene aan zijn levenswerk te wijden, wat toch van grote moed getuigt.”

Cornips voelt zelf grote sympathie voor hem. ,,Zoals hij de kringen heeft beschreven waarin hij verkeerde, vol figuren die hij zelf afschilderde als snobs en die hem beschouwden als een salonjonker. Proust heeft die wereld op een gegeven moment vaarwel gezegd door zich als een bezetene aan zijn levenswerk te wijden, wat toch van grote moed getuigt.”

,,Degenen die hem goed kenden, zijn vrienden, spraken waarderend over hem. De jonge Céleste Albaret (die de ziekelijke kluizenaar verzorgde en terzijde stond in zijn laatste levensjaren, ndb) dweepte met hem. Ze zei dat ze nooit iemand ontmoet had met zoveel warmte en charme. Het geeft dan geen pas om te zeggen dat zij maar een dienstbode was die het allemaal mooier maakte dan het was.”
,,En wat Proust ook voor zich inneemt is dat hij zichzelf niet mooier afschildert. Een lezer zei mij eens dat ik Proust waarschijnlijk niet graag als buurman gehad zou hebben. Ik zou hem daarentegen juist best als buurman gehad willen hebben. Ik hang ook de idee niet aan dat een schrijver een gewone, keurige burgerheer moet zijn.”

Marcel Proust: ‘Op zoek naar de verloren tijd’ (‘Á la recherche du temps perdu’). Vertalingen: Thérèse Cornips. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

November, 1995

 

UA-37394075-1