Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Tips en trucs van gitaarhelden

Zet drie gitaarvirtuozen bij elkaar uit drie generaties rockgeschiedenis en je krijgt vanzelf een spannende film.

 

Dat moet documentairemaker Davis Guggenheim voor ogen hebben gestaan toen hij voor zijn popfilm ‘It might get loud’ Jimmy Page (1944) van Led Zeppelin, The Edge (1961) van U2 en Jack White (1975) van The White Stripes bij elkaar bracht om een ode te brengen aan de elektrische gitaar.

Dat hij in die opzet maar ten dele slaagt, ligt waarschijnlijk niet aan de generatiekloof tussen de gitaristen of omdat hun persoonlijkheden en smaken uiteenlopen. De chemie ontbreekt, dat is het. Tijdens hun (muzikale) ontmoeting wisselen ze beleefd anekdotes, tips, trucs en foefjes uit. En omdat dit van ze verwacht wordt, gaan ze ook nog een potje jammen, maar het blijft tam. Misschien omdat ze te veel respect voor elkaar hebben of omdat ze in de geforceerde entourage niet voluit kunnen gaan.

Wat deze film toch meer dan de moeite waard maakt, zeker voor wie de elektrische gitaar is toegedaan, zijn de portretten van deze drie totaal verschillende muzikanten. Mooi is hoe ze terloops ‘geheimen’ van akkoordenschema’s en vingerzettingen ontsluieren, zodat we toch weer met andere oren luisteren naar grijs gedraaide popklassiekers als Led Zeppelins ‘Whole lotta love’ en ‘Stairway to heaven’, die Page zo’n veertig jaar geleden samen met zanger Robert Plant schreef.

Guggenheim volgt de drie gedreven muzikanten uitvoerig in hun natuurlijke biotoop. Hij schetst hun carrières aan de hand van die ontmoetingen en gesprekken tegen een achtergrond van prachtig archiefmateriaal. Aardig is het om Jimmy Page, met Led Zeppelin een van de pioniers van de hardrock, te zien als bleue schooljongen in een skifflegroep. We zien beelden van The Edge (David Howell Evans) in U2 als een bont uitgedost glamrockbandje. En Jack White was als jongen al zo bezeten van muziek dat hij zijn kamertje thuis zo volstouwde met muziekinstrumenten dat hij er tegen de deur aangeplakt nog net kon slapen.

De film is op zijn mooist als de drie zichzelf kunnen zijn in hun eigen omgeving. Als de 66-jarige Page met zijn zilvergrijze manen en glinsterende pretoogjes, omgeven door zijn platencollectie, als een schooljongen luchtgitaar speelt. Of als The Edge in zijn muzieklab aan het pielen is, waar hij de specifieke U2-sound probeert te verfijnen en zegt: ,,Wat ik in mijn hoofd heb, die stem, die wil ik via mijn gitaar uit de luidsprekers horen.”

Hetzelfde geldt voor White als hij muziek maakt met zijn zoontje – een kloon van senior –, als hij gepassioneerd een nummer componeert en als de benjamin van de drie naar de wortels van de rauwe blues graaft.

Het verschil valt dan des te meer op. De tegelijk bedeesde en relaxte Page is een typische exponent van de klassieke rock. De serieuze The Edge is de geëngageerde muzikant, terwijl ‘weirdo’ White als een sjamaan opgaat in zijn eigen wereldje.

 

Augustus, 2010

UA-37394075-1