Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Tonnus Oosterhoff: een bewonderde kluizenaar

Van Tonnus Oosterhoff wordt wel eens gekscherend gezegd dat hij meer literaire prijzen heeft dan lezers.

 

Dat is natuurlijk onzin. Tegelijk is het ook weer niet zo absurd als je bedenkt dat zijn naam in literaire kringen met ontzag wordt uitgesproken, maar dat hij bij het lezerspubliek niet of nauwelijks bekend is.

Voor zijn werk ontving de dichter, schrijver en essayist de P.C.Hooftprijs 2012, ’s lands hoogste literaire onderscheiding.

Voor de laureaat zelf kwam die toekenning niet echt als een verrassing, want ‘vroeg of laat’, had hij al gezegd, zou hij de prijs toch wel krijgen. Dat klinkt pedanter dan het is, want die toekenning lag inderdaad al jaren in de lijn van de verwachting bij een auteur die over erkenning niet te klagen heeft. Zijn werk is vele malen bekroond, wordt sinds jaar en dag door critici uitbundig geprezen vanwege de speelsheid, experimenteerdrift en eigenzinnigheid. En hij wordt al geruime tijd in een adem genoemd met andere groten uit de naoorlogse poëzie als Lucebert en Hugo Claus.

Oosterhoff is sinds hij begon te publiceren in 1988 een van de opmerkelijkste dichters in het Nederlandse taalgebied. Weinig hedendaagse dichters vinden zoveel bewonderaars en navolgers onder hun collega’s. Zodanig dat het de dichter inspireerde tot het volgende korte vers vol (zelf)spot:

 

‘Het is een genoegen

Tonnus Oosterhoff te zijn.

‘Ik zou het ook wel willen.’

Jawel, maar dat gaat niet!

Dat gaat niet.’

 

Tonnus Oosterhoff ontvangt de P.C. Hooftprijs, waaraan een geldbedrag van 60.000 euro is verbonden, voor zijn sterk vernieuwende poëzie, verspreid over bundels met veelzeggende titels als ‘Boerentijger’ (1990), ‘Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen’ (2002). ‘Hersenmutor’ (alle gedichten 1990-2005) en ‘Leegte lacht’ (2011). Volgens de jury is zijn werk buitengewoon oorspronkelijk en heeft het de Nederlandse dichtkunst van keurslijven bevrijd. Op de toekenning valt niets af te dingen, wel op deze wonderlijke argumentatie. De Nederlandse dichtkunst is immers allang een uitbundige vrijplaats waarin alles kan en mag en opgelegde regels of dominante stromingen nauwelijks nog een rol spelen.

Tonnus Oosterhoff (Leiden, 1953) is in een wereld waarin het succes van een artiest of kunstenaar vaak valt of staat met diens optreden in de media een vreemde eend in de bijt. Hij leeft teruggetrokken in het gehucht Klein-Ulsda op het Oost-Groningse platteland, vlakbij de rivier waar hij brugwachter is geweest. Vrouw en kind wonen in Amsterdam. Hij is kopschuw als het om publiciteit gaat en laat zich dan ook liever niet in met het gewemel dat met de grote prijs gemoeid gaat. Dat hij zelden naar buiten treedt, heeft ook een praktische reden. Hij past ervoor om in de piste van het literaire circus zijn kunstje te doen. Hij wil voorkomen dat hij tussen de lezer en zijn werk komt te staan, ‘waardoor de lezer het niet meer zelf zal invullen’. Hij zou liefst als een literaire kluizenaar leven van wie men zich afvraagt of hij wel echt bestaat.

Voor Oosterhoff is de poëzie een vrijplaats van de taal, waar hij onbegrensd kan ontregelen en experimenteren. Hij schrijft gedichten waarin altijd iets op het spel staat en neemt daarbij voor lief dat hij daarin soms meesterlijk kan falen. Het ene gedicht is kort, traditioneel, bevat dialogen of is anekdotisch. In het andere meanderen de regels alle kanten op. De ene keer stuit je op een gesloten taalbouwsel, de andere keer is het helder als glas, ontroerend, gevat en grappig. Soms spreekt er een sombere ernst uit. Of hij steekt ergens de draak mee of overweldigt met ironie of (zelf)spot.

Nu en dan levert hij maatschappijkritiek, zoals in het gedicht ‘Witte blues’:

 

‘Weer een aanmaning van de Kamer van Koophandel,

waarvan de wet me dwingt lid te zijn. Koeien krijgen

van de wet een vijftien centimeter hoger plafond

op hun tocht naar de slacht. Zo blijft ze de rug heel.

Boze boeren eisen het recht hun velden

onder regenbuien te trekken. Lex dura,

goede wet, goede wet!’

 

Oosterhoff maakt ook digitale gedichten. Op cd-roms en zijn website komen zijn beeldschermgedichten tot leven en probeert hij van zijn bewegende poëzie muziek of jazz van taal maken. Wie een gedicht aanklikt ziet de regels oplichten, langzaam veranderen, zichzelf aanvullen of vervangen, en weer verdwijnen. Dat levert beurtelings prachtige en spannende, amusante en ongrijpbare dichtregels op, al verdwaalt de lezer wel eens in de mist die de dichter optrekt.

Ook in zijn verhalen zet hij de lezer graag op het verkeerde been en experimenteert hij met allerlei stijlen en genres. Daarbij schuwt hij ook het pulpgenre niet. Geen onbekend terrein voor iemand die voordat hij het domein van de literatuur betrad broodschrijver was voor bladen als ‘Mijn geheim’ en ‘Intiem’.

Dat zijn boeken mondjesmaat worden verkocht, lijkt Oosterhoff niet te deren, gezien de ontwapenende zelfspot in ‘Leegte lacht’:

 

‘twaalf lezers, je veertien belachelijke lezers’.

 

Door alle lof en lauwerkransen heen ziet hij in de spiegel de ‘bourgeois dichter’ en relativeert:

 

‘je leeft voor niets

met je argwanend gemompel.

Omdat niemand luistert meen

jij dat je respect verdient.

 

Maart, 2012

UA-37394075-1