Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Tsjechov: alleen voor wie humor heeft

De Russische (toneel)schrijver Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) stierf op 44-jarige leeftijd in het Duitse kuuroord Badenweiler als een vreemdeling in een vreemde stad, ver weg van familie en zijn publiek, aan de gevolgen van tuberculose, waaraan hij twintig jaar leed.

 

Tot voor kort wilde Badenweiler er niet van horen dat de Grote Rus uitgerekend in deze heilzame omgeving was overleden. Want in een kuuroord stérf je niet. Daar kom je alleen verkwikt en als herboren vandaan.

Bij zijn dood was Tsjechov al een beroemdheid. En niet alleen in Rusland waar, in Moskou, duizenden treurende Moskovieten bij het station de kist van de dode schrijver opwachtten om hun grote zoon de laatste eer te bewijzen. (Een anekdote, die in het werk van schrijver niet had misstaan, wil dat een groot aantal burgers door een misverstand abusievelijk tot aan het kerkhof achter de baar van een generaal aanliep.)

Tsjechovs roem had zich toen al verbreid via Oost-Europa en het duurde niet lang of zijn toneelstukken werden ook in de rest van het continent gespeeld. En ze zijn nooit meer van het repertoire geweest.

Na Shakespeare is hij wereldwijd de meest gespeelde en daardoor vermoedelijk ook de meest geliefde toneelschrijver. Ook bij ons volgen er elk jaar nieuwe ensceneringen van befaamde stukken als ’Oom Wanja’, ’De meeuw’, ’Drie zusters’ en ’De kersentuin’.

Tsjechovs faam berust allereerst op zijn toneelwerk, waarover hij zelf eens met zelfspot opmerkte dat ’ik ook gezondigd heb op toneelgebied, zij het met mate’. Daarnaast schreef hij schitterende verhalen als ’Zaal 9’, ‘Het duel’ en ’De zwarte monnik’, zijn langste stukken die nog steeds korte verhalen zijn. Voor zowel zijn proza als zijn toneel geldt dat Tsjechov veel erbarmen heeft met zijn personages en hen tegelijk alle hoop uit handen slaat.

Wie Tsjechov wil spelen, moet van goeden huize komen. En het zijn niet alleen de topgezelschappen, zoals Toneelgroep Amsterdam en Het Nationale Toneel die zich aan de Russische meester wagen. Zijn verzameld werk is in verschillende oude en nieuwe vertaling verschenen bij uitgeverij G.A.van Oorschot, in de monumentale Russische Bibliotheek.

Van Tsjechovs werk zijn trouwens talloze vertalingen voorradig, die in kwaliteit dikwijls sterk van elkaar verschillen.

Ter ere van Tsjechovs honderdste sterfdag verscheen een waar kleinood: ’Tsjechov. De kunst van het lezen’. Een prachtig boekje over het leven en werk van de meester, dat uitkwam bij de kleine uitgeverij Hoogland & Van Klaveren. Het werd geschreven door een andere Grote Rus, Vladimir Nabokov (1899-1977). Diens stuk komt uit ’Lectures on Russian literature’, waarin hij behalve het werk van Tsjechov dat van Gogol, Dostojevski en Tolstoj voor studenten en andere lezers probeert te ontsluiten. Nabokov schreef zijn essays tussen 1941 en 1958, toen hij als Russische balling literatuur doceerde in Amerika. Wereldberoemd werd hij zelf eind jaren vijftig dankzij zijn geruchtmakende roman ’Lolita’, over de verzengende liefde van een oudere man voor een ’nimfijn’, en de autobiografie ’Geheugen, spreek’, over zijn vlucht voor de bolsjewieken en nadien voor de nazi’s.

Nabokov pluist in zijn boek op heldere en speelse wijze, zonder ijdel vertoon van geleerdheid, het werk van zijn grote voorganger uit. Volgens hem schreef Tsjechov ,,droevige boeken voor humoristische mensen, dat wil zeggen: alleen een lezer met gevoel voor humor zal hun droefheid echt kunnen waarderen’’. Hij gaat uitvoerig in op ’Het dame met het hondje’, een van Tsjechovs mooiste verhalen, en op het toneelstuk ’De meeuw. Het verbaast hem niet dat de critici – de priesters van de middelmaat, zoals Nabokov ze smalend noemt – aanvankelijk nauwelijks raad wisten met Tsjechovs toneelwerk. Het verschilde immers radicaal met wat gewoonlijk in de theaters was te zien. Bovendien had hij lak aan theaterwetten en literaire conventies.

Nabokov bewondert Tsjechov, maar niet blind, op details is hij zelfs buitengewoon kritisch. Hij vindt dat Tsjechov zich van sommige scènes met een jantje-van-leiden heeft afgemaakt. Stilistisch was hij ook allerminst een meester zoals Gogol en Nabokov zelf dat waren. Tsjechovs kracht en meesterschap schuilen in het geheel, in de manier waarop hij personages aan de hand van een paar details tot leven weet te wekken.

Het boekje is mooi vertaald door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet. Dit schrijvers- en vertalersduo zette eerder op speelse wijze liedteksten van The Beatles om in het Nederlands, friste Shakespeares ’Hamlet’ op en zette zijn tanden in het onvertaalbaar geachte ’Finnegans wake’ van de Ierse schrijver James Joyce. De twee vertaalden het essay over Tsjechov in de geest van Nabokov. En dat is geen sinecure, want de nukkige schrijver was een perfectionist, een Pietje precies die ’geen slak te min vond om er zout op te leggen’.

 

Vladimir Nabokov: ’Tsjechov. De kunst van het lezen’. Vertaald uit het Engels en van noten voorzien door Robbert-Jan Henkes & Erik Bindervoet. Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, 96 blz.

 

2004

UA-37394075-1