Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

‘Wie muziek maakt is nooit ongelukkig’

,,Muziek is perfectie, muziek is alomvattend. Literatuur blijft altijd benadering”, zei Anna Enquist eens in een lezing over muziek en literatuur. En in ‘De beul’ van Judith Mok luidt de sleutelzin die geregeld in de roman terugkeert: ‘Wie muziek maakt is nooit echt ongelukkig.’

 

Het zijn uitspraken waarvan je niet opkijkt, zeker niet als je weet dat Enquist pianiste was voordat zij in de literatuur haar bestemming vond en dat Mok in het dagelijks leven klassiek zangeres is.

 

Schrijvers en muziek. Zo luidt het thema van de 71e Boekenweek (2006), waarin de relatie tussen literatuur en muziek centraal staat. Een veelomvattend thema, want welke schrijver is níet op de een of andere manier door muziek beïnvloed? In welk boek wordt níet al dan niet terloops verwezen naar klassieke of popmuziek?

 

De CPNB heeft het thema tamelijk breed getrokken. Alles en iedereen doet mee; jazz, opera, kamermuziek, musical, rock-‘n-roll, pop, blues. En dan kun je inderdaad putten uit een rijk palet aan genres en stijlen die kleur geven aan het veelzijdige muzikale leven. De stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) zwaait daarbij in de eerste plaats wervend met grote literaire boeken waarin klassieke muziek de boventoon voert.

 

Daarbij valt te denken aan ‘Het motet voor de kardinaal’ (1960) van Theun de Vries (1907-2005), een imposante roman over een musicus uit de lage landen die in het vijftiende-eeuwse Rome in verzet komt tegen de wereldse corruptie van de Borgia’s, en aan ‘Helse liefde’ (1997) van Frédérique Bastet, waarin de P.C. Hooftprijswinnaar van 2005 op intrigerende wijze de ‘vierhoeksverhouding’ tussen Frédéric Chopin, Franz Liszt, gravin Marie d’Agoult en schrijfster George Sand reconstrueert.

 

Daarnaast prijst de CPNB een interviewbundel aan als ‘Musicalsterren backstage’, maar zet zij vooral muziekboeken in de vitrine, met een nadruk op boeken over Mozart (250 jaar geleden geboren) en pop. Een aanrader in de laatste categorie is de roman ‘High fidelity’ van de Britse schrijver Nick Hornby, waarin de hoofdpersoon wedijvert met vrienden in allerlei nutteloze kennis over popmuziek. Dat moet menig (oude) popfanaat bekend voorkomen.

 

Maar om ons te beperken tot het domein van de literatuur: veel schrijvers en dichters maken er geen geheim van dat hun werk sterk door muziek is beïnvloed. In Nederland schieten dan de namen te binnen van Maarten ’t Hart, Hafid Bouazza, Anna Enquist, Margriet de Moor, Joost Zwagerman, Bas van Putten, Kees van Kooten, Ronald Giphart, Christine Otten, Jules Deelder en Bernlef. Velen van hen hebben behartigenswaardige dingen gezegd en geschreven over het verband tussen muziek en literatuur, maar je moet toch vooral bij hun verhalend proza te rade gaan om erachter te komen wat muziek bij een mens teweeg kan brengen.

 

Opvallend is dat het vooral schrijfsters zijn die daarin zeer bedreven zijn, onder wie Margriet de Moor en Anna Enquist. Vooral Enquist is een schrijfster wier werk, zowel haar poëzie als haar proza, zindert van de muziek. Haar eerste roman ‘Het meesterstuk’ (1994) is bijvoorbeeld geschreven op het stramien van de opera ‘Don Giovanni’ van Mozart. Muziek is dan ook haar eerste passie. En het zal niet verbazen dat zij muziek hoger aanslaat dan literatuur. Muziek is voor haar volmaaktheid, is alomvattend:

 

Niets vertelt beter hoe het is. Literatuur blijft altijd benadering. Je probeert woorden te vinden, maar die dekken nooit helemaal je bedoelingen.’

 

Dat muziek in onze tijd de hoogste kunst wordt genoemd, verbaast evenmin. Muziek is in tegenstelling tot vroeger tijden overal en gemakkelijk te consumeren (en niet altijd tot ieders genoegen). Muziek – klassiek of pop – kan veel losmaken, van de banaalste tot de meest verheven gevoelens. Ze kan ons ontroeren, troosten, uit de put helpen, nieuwe moed schenken of een ongekend geluksgevoel bezorgen. Ze kan precies verklanken wat we voelen zonder dat we onder woorden kunnen brengen wat dat gevoel nu precies is.

 

Daar kan zelfs de literatuur, hoe groots en overweldigend ook, niet tegenop. Literatuur kan ontroeren, verontrusten, schokken, amuseren, en een roman kan zeggen wat op geen enkele andere manier onder woorden kan worden gebracht. Er is echter geen andere kunstvorm dan muziek die in staat is zoveel mensen op primaire (of primitieve) wijze te ontroeren.

 

Muziek en literatuur vullen elkaar in het beste geval aan of versterken elkaar, maar het zullen altijd twee onvergelijkbare grootheden blijven. Of zoals Willem Elsschot schreef in de inleiding tot zijn roman ‘Kaas’:

 

Het tragische van Schuberts ‘Erlkönig’ wordt door Goethes woorden niet verhoogd, al wordt er een kind in gewurgd. Integendeel, al dat gewurg leidt de aandacht af van het tragische ritme. Zo ook in de litteratuur, waar men echter over geen toonladders beschikt en zich met jammerlijke woorden behelpen moet. En daar ieder woord nu eenmaal een beeld oproept, wordt door de opeenvolging van woorden vanzelf een skelet gevormd waar stijl op gesmeerd kan worden. Men kan niet schilderen zonder oppervlakte.’

 

Veel schrijvers hebben zich door muziek laten inspireren of schrijven over muziek. Soms als ‘omlijsting’, als ‘couleur locale’, maar bij sommigen is muziek meer. De schrijver probeert met woorden uit te drukken wat muziek betekent of wat zij met zijn personages doet. En daarin kan hij ver gaan. Elke lezer van literatuur weet dat een roman diep in de menselijke geest kan doordringen. De Tsjechische romancier Milan Kundera (‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’) gaat nog een stapje verder. Hij beschouwt de roman als een van de belangrijkste uitvindingen van de menselijke beschaving en vergelijkt deze met een ladder waarmee je tot in het diepst van de menselijke psyche kan afzakken.

 

Hóe diep je in de menselijke geest of zijn geheugen kan doordringen, laat Marcel Proust (1871-1922) zien in ‘Op zoek naar de verloren tijd’, de beroemdste romancyclus van de vorige eeuw waarin de Franse schrijver een haarscherp beeld oproept van chique Parijse kringen en het milieu waarin hij opgroeide. Ook wat muziek kan oproepen, brengt hij daarin onder woorden op een manier die zelden is geëvenaard of overtroffen. Een fragment uit ‘Een liefde van Swann’:

 

Het vorig jaar had hij op een soiree een muziekstuk gehoord dat uitgevoerd werd door piano en viool. In het begin had hij slechts de zuiverheid van de tonen die aan de instrumenten ontlokt werden kunnen waarderen. En het was hem al een genot geweest te horen hoe boven het ranke melodietje van de viool plotseling, aanzwellend, fors en dragend als een ruisende stroom de bronzen pianopartij baan trachtte te breken in een samenstel van eindeloze, vloeiende vormen die elkaar naderden als de mauve deining van de golven, betoverd en droefgeestig door het schijnsel van de maan. Maar op een gegeven moment, zonder een duidelijke lijn te kunnen onderscheiden, zonder te kunnen benoemen wat hem met vreugde vervulde, plotseling verrukt had hij getracht de verdwijnende melodie vast te houden – melodie of harmonie, hij wist het niet – die zijn hart wijder had geopend, zoals de vochtige avondlucht doortrokken van rozengeuren de eigenschap heeft onze neusvleugels wijd open te sperren.’

 

In de Nederlandse literatuur heeft de – reeds halfvergeten en veronachtzaamde – duivelskunstenaar S.Vestdijk (1898-1971) veel over muziek geschreven. Abstract en erudiet in zijn essays, weergaloos en gloedvol in talrijke romans, zoals in zijn meesterwerk ‘Terug tot Ina Damman’ (1934), het verhaal van een hopeloze jeugdliefde voor een afstandelijk meisje:

 

Na het eten splitste hij zich in tweeën: de ene helft maakte huiswerk, de andere rustte wat en droomde. Daartussendoor stond hij wel op om een etude te spelen, of de menuet in d-mineur van Haydn, die Ina Dammans muziek geworden was, een soort volkslied van zijn liefde. Hij speelde die menuet vroom en veel te langzaam, en neuriede er bij. Weemoediger klonk het dan welke melodie in mineur kon zijn; ook kwamen er tegenwerpingen in voor, die weer speels opgelost werden of achterhaald door parelende loopjes, en de springdans in de bas leek van een onaanrandbaar ouderwetse waardigheid, en daar hield hij het maar bij, als de muziek hem te droevig stemde bij al het geluk.’

 

Moet volgens menigeen de romankunst het afleggen tegen de muziek, bij poëzie ligt het een tikkeltje anders. In een gedicht zijn de woorden immers net zo belangrijk als de klank en het ritme. Of zoals dichter Jan Eijkelboom zegt:

 

Een gedicht moet muziek zijn en het moet beeldend zijn.’

 

De beste gedichten zingen zich als het ware los van het papier zodra ze worden gelezen of voorgedragen. Veel poëzie is niet voor niets op muziek gezet. Sommige dichters beschikken bovendien over een mooie melodieuze stem, zoals Lucebert (1924-1994), een van onze grootste twintigste-eeuwse dichters.

De Bergense bard droeg bezwerend en fluisterend, bedwelmend en orakelend zijn poëzie voor, waarbij zijn stem net als bij de oude troubadours als vanzelf begon te neuriën en te zingen en wat ondoorgrondelijk was als bij toverslag kristalhelder werd:

 

zo zuiver als de fluiten nu fluiten

is er nog nooit voor je gefloten

dat komt doordat de dood dansante

ja bijna flanerend je souffleert

hij is er wel maar raakt je niet aan

je ziet hem niet maar hoort hem alleen

je tokkelt wat mee op gebroken violen

en slaat als belleman met tedere klepel

de laatste vonken uit je kloten

 

(Uit: ‘Muziekles’, verzamelde gedichten, 2002)

 

Februari, 2006

UA-37394075-1