Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Willem Brakman – Schrijven op het kompas van de verbeelding

Willem Brakman (1922-2008) debuteerde betrekkelijk laat op 39-jarige leeftijd. Vervolgens werd hij een productief schrijver van romans vol elegant en barok proza, alsof hij de ‘verloren’ jaren moest inhalen.

 

,,Gewone mensen schrijven geen goede boeken.”

 

Willem Brakman was een fenomeen, een buitenbeentje in de Nederlandse literatuur die het aan officiële erkenning niet ontbroken heeft. Hij ontving belangrijke literaire prijzen als de F. Bordewijkprijs en de P.C. Hooftprijs in 1980, de hoogste letterkundige onderscheiding van ons land. De excentrieke schrijver (‘gewone mensen schrijven geen goede boeken’) publiceerde minstens één en soms wel twee boeken per jaar en met zo’n hoge productie kon het niet anders dat dit naast hoogtepunten ook leidde tot zwakke(re) romans.

 

,,Ik ben een werker. Als ik een roman schrijf, mag het nog zo stralend weer zijn, ik mag jarig zijn, ik sjouw door.”

 

Hij had er een hekel aan om een veelschrijver genoemd te worden. ,,Ik haat dat woord”, zei hij. ,,Ze weten niet hoe verschrikkelijk hard werken een boek schrijven voor mij is.” Aan zijn proza zag je de worsteling er niet vanaf, dat was altijd lucide en elegant. De van origine Haagse huisarts Willem Brakman schreef elke dag, ,,zelfs op Kerstmis”, als om te onderstrepen dat een scheppende kunstenaar geen dag vrij heeft: ,,Ik ben een werker. Als ik een roman schrijf, mag het nog zo stralend weer zijn, ik mag jarig zijn, ik sjouw door.”

Speurtocht

Zijn debuut verscheen in 1961, ‘Een winterreis’, over een speurtocht van een arts naar het ware Zeeuwse verleden van zijn oude vader. De zoon had liever een jonge en vitale vader gekend. Het was een van de meest ‘autobiografische’ boeken die Brakman schreef. De manier waarop zorgde ervoor dat hij zich vervreemdde van zijn Zeeuwse familie.

Zelf groeide Brakman op in Den Haag, in een eenvoudig gezin, met een vader die een ‘abonnement op pech’ had. Studeren kon de jonge Brakman alleen doordat zijn voortreffelijke schoolresultaten hem een beurs opleverden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verkeerde hij in een kring van Haagse kunstenaars, een periode die hij als ‘verrukkelijk’ kenschetste. Hij laafde zich aan de poëzie van Nijhoff en Marsman, ging medicijnen studeren.

Hij wilde aanvankelijk psychiater worden, maar zag daar na een stage in een kliniek vanaf (‘er gebeurde daar niets: men sjokte wat rond’). Hij vestigde zich vervolgens als huisarts, later als bedrijfsarts. Aan die tijd dacht hij ‘hooguit met ergernis’ terug. Tussen de bedrijven door oefende hij zich in het schrijven en correspondeerde met de dichter en publicist Nol Gregoor, die een verhaal van Brakman liet lezen aan de schrijver S.Vestdijk. Die vond dat prachtig, het was het begin van een schrijversloopbaan. Brakman reeg vervolgens het ene boek aan het andere. Hij publiceerde in zo’n halve eeuw meer dan vijftig titels, romans, verhalen- en essaybundels.

 

,,Ik hou van autobiografieën, als ze maar onbetrouwbaar zijn.’’

 

In zijn romans wekte hij met ogenschijnlijk speels gemak Griekse goden en helden, historische figuren, schrijvers als Franz Kafka en Virginia Woolf, en Flauberts Emma Bovary tot leven. Met evenveel plezier liet hij Don Quichot door Scheveningen wandelen. Brakman was niet dol op autobiografische romans, waarin de hoofdpersoon samenvalt met de schrijver. Toch schreef hij de ‘autobiografie’ ‘J’accuse!’ (2004), met een verwijzing naar Émile Zola’s befaamde schotschrift naar aanleiding van de spraakmakende Dreyfusaffaire. ,,Ik hou van autobiografieën, als ze maar onbetrouwbaar zijn’’, zei hij. Het ging hem ook niet om de ‘feiten’ uit zijn leven, maar om wat ze bij hem teweeg hadden gebracht.

Brakman schreef het liefst op het kompas van zijn verbeelding. Hij was een meester van de suggestie en een fijnzinnig beschrijver van het detail. Hij hield ervan om raadsels rond te strooien, om zijpaden te bewandelen, al balanceerde hij daarbij wel eens op het randje van geloofwaardigheid. Voor een verhaal met kop en staart moest hij niet veel hebben. Veel speelt zich af in de ‘binnenwereld’ van de hoofdpersonen die proberen vast te houden aan wat onherroepelijk verdwijnt in wat de schrijver ‘de vergeetput’ noemde.

Fijnproevers

Brakman was geen schrijver voor een breed publiek. Hij schreef vooral voor literaire fijnproevers die waren gecharmeerd van zijn ironisch en barok proza vol archaïsmen en literaire verwijzingen, van zijn zintuiglijke taal die speels en virtuoos is, vonkt en sprankelt. Hij kon bogen op een eigen genootschap, de Brakman Kring, en had zelfs een eigen ‘secretaris’ die als Goethes Eckermann alles ijverig noteerde wat de meester zei en deed.

Er waren ook lezers die van zijn boeken gruwden, die zijn proza zanderig vonden, moeilijk en ontoegankelijk. Brakman maakte het zijn lezers inderdaad niet altijd eenvoudig. Hij schreef soms ondoorgrondelijk en wonderlijke, rare (vol)zinnen. Toch schreef hij wel degelijk gemakkelijk ‘verteerbare’ kost. Neem de roman ‘De vadermoorders’ (1989), waarin de moord op de door Francis Bacon geschilderde paus Innocentius centraal staat. Of de roman ‘Inferno’ (1991) waarin Brakman eigen herinneringen vervlocht met het leven van Dante in een verhaal over de teloorgang van de hel die in dit geval bij Voorburg begint.

Heimwee

Voor Brakman stond de vitaliteit van de jeugd min of meer centraal. ,,Niet uit slijmerige heimwee”, zei hij, ,,maar omdat de jeugd beschikt over een groot ervaringsvermogen. Een volle jeugd met geluk en angsten heeft mij gestempeld.” Het ging Brakman niet om het scheppen van orde in chaos, maar om de speelsheid van de geest. Daarvan getuigen ook zijn essays, waarin hij uiteenlopende onderwerpen aansneed. Maar het liefst schreef hij over de door hem bewonderde kunstenaars, denkers en schrijvers als Proust, Thomas Mann en Kafka. Sporen van zijn grote kennis van en liefde voor de (wereld)literatuur zijn in al zijn boeken terug te vinden.

 

,,Wie tekent of schildert, krijgt een wonderbaarlijk leeg hoofd.”

 

Brakman ‘vluchtte’ in de schrijverij omdat hij zich niet thuis voelde in het huidige tijdsgewricht. ,,Deze tijd is niet goed, maar dat is juist een stimulans om door te schrijven.” Minder bekend is dat hij als beeldend schrijver een dubbeltalent was; hij schilderde en tekende. Een aantal van zijn eigen romans en novellen voorzag hij van een omslagillustratie. ,,Wie tekent of schildert, krijgt een wonderbaarlijk leeg hoofd”, zei hij.

Zelf keek hij na publicatie zijn boeken niet meer in: ,,Een mens maakt ook geen graf open.” Hoge oplages haalden zijn romans nooit. ,,Ik heb meer dan vijftig boeken geschreven”, zei hij, ,,dat heeft me niet meer dan kopergeld opgeleverd. Ik ben nooit hoger gekomen dan een eerste druk, maar heb nooit een seconde gedacht: ik hou ermee op. Dat is een bewijs van goed schrijverschap.”

 

Mei, 2008

 

UA-37394075-1