Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Willem Dijkhuis, Vitalis en Nijhoff – ‘We verkwanselen ons rijke culturele erfgoed’

Met ‘je bent jong en je wilt wat’ heeft vitalisme niets te maken. Maar waarmee dan wel? In de kortste nacht van het jaar dompelen Willem Dijkhuis en zijn gasten zich tijdens Vitalis onder in alle facetten van het vitalisme. Leidraad is de dichter Martinus Nijhoff.

 

Willem Dijkhuis (1942) uit Anna Paulowna is een ‘gekke man’. In 1989 praatte hij twee keer de klok rond over de Bergense bard Adriaan Roland Holst. Tien jaar later wees hij op de onvermoede krachten van fatigatio, oftewel vermoeidheid. Op 22 juni 2003, in de Sint-Jansnacht, besluit hij zijn curieuze drieluik met Vitalis, genoemd naar de zwervende muzikant uit Hector Malots beroemde ‘Alleen op de wereld’ (‘Sans famille’, 1878), die zich over de vondeling Rémi ontfermt.

Dijkhuis is een fenomeen. Erudiet, flamboyant, vitaal. Hij is natuurkundige, docent bedrijfskunde en publicist. Bedenker van een ‘eeuwigdurende kalender’, zijn stukjes in Het Financieele Dagblad waarin hij historische gebeurtenissen en wetenswaardigheden in een paar honderd woorden met elkaar vervlecht.

Een man die zich vreselijk (oprecht) kan opwinden over de onverschillige wijze waarop Nederlanders hun rijke culturele erfgoed verkwanselen. Maar laat de naam Roland Holst vallen en je bent voorlopig niet van hem af. Zeg Nijhoff en hij wordt lyrisch, hij veert op en begint spontaan – jawel, ze bestaan nog – uit het blote hoofd diens verzen te reciteren. ,,Já! Ik ken tientallen gedichten van Nijhoff al zó lang uit mijn hoofd. Ik kan ze altijd ter sprake brengen als ze van pas komen. Nederlanders zeggen: ik ken het uit mijn hoofd. Ík, meneer, ik ken het spul uit mijn hart. Of zoals de Engelsen zeggen: I know it by heart.”

 

,,Je moet de boel een beetje sierlijk laten verwilderen.”

 

In het Jachtslot op de Mookerhei wijden hij en zijn gasten zich een doorwaakte nacht lang aan het vitalisme. Tijdens deze manifestatie ontvangt Dijkhuis gasten van allerlei snit: kunstenaars, musici, geleerden, ondernemers. ,,En er is veel muziek omdat ik denk dat muziek naast poëzie een van de bronnen is waaraan alle vitaliteit zich laaft”, zegt Dijkhuis in zijn huis buiten de bebouwde kom van Anna Paulowna. Het is ‘het enige bewoonde rijksmonument in de gemeente’, waar zonlicht over de weelderige, rommelige tuin strijkt, ‘want je moet de boel een beetje sierlijk laten verwilderen’.
Bourgondisch
Rode draad op Vitalis is de dichter Martinus Nijhoff, die een halve eeuw geleden stierf en over wie volgende week ook tijdens Poetry International uitbundig de lof wordt gezongen. Voor de in Haaksbergen (Twente) geboren Dijkhuis is Nijhoff (1894-1953) met afstand onze grootste dichter uit de vorige eeuw. Maar dat niet alleen. Hij staat voor hem bovenal symbool voor alles wat het vitalisme vertegenwoordigt. Met genot of levensgenieters heeft dat weinig van doen. ,,Godbewareme nee!” bezweert Dijkhuis streng en meewarig. ,,Het heeft niets met Bourgondisch te maken. Met alles wat lekker en gezellig en prettig is. Maar ik begrijp het wel. Het woord vitaliteit wordt maar al te graag geassocieerd met je bent jong en je wilt wat, alsof het iets BNN’erigs is.”

 

,,De Sint-Jansnacht. De kortste nacht van het jaar. Dat heeft iets magisch.”

 


Wat is vitalisme dan wél? Vitalisme is een (filosofische) stroming die het leven centraal stelt en vanuit het leven alles wat ís probeert te verklaren. Toegegeven, dat klinkt tamelijk abstract. Misschien moeten we voor een beter begrip van het vitalisme gewoon de deur uit. De natuur in, de hei op, zoals Dijkhuis doet met Vitalis: ,,Het feest wordt niet toevallig gehouden in de Sint-Jansnacht. Het is de kortste nacht van het jaar. Dat heeft iets magisch.” De gastheer zit ontspannen, licht onderuitgezakt aan tafel. ,,En als het ons gegeven is begint Vitalis bij het volle zonlicht en eindigt de volgende ochtend óók bij vol zonlicht.” Hij recht de rug, zet zich schrap en door de woonkamer galmt zijn karakteristieke ver-dragende stem:

 

Het tuinfeest

De juni-avond opent een hoog licht
Boven de vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De bomen langzaam in hun groen donker licht.

Wij, aan het dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen ’t in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu ’t uur eind’lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen.

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartussen.’

Stilte. Hij kijkt zijn gast strak aan. Dan: ,,Dát gedicht is fantastisch, daar zit nou de gezochte vitaliteit in!” Dit is kortom een gedicht – van Martinus Nijhoff, dat spreekt – dat perfect de sfeer schetst die Dijkhuis voor ogen staat met Vitalis, afgeleid van vitalitas, van vitalisme. Dat vitalisme bloeide in het interbellum, in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Een rijke culturele periode waarin cultuurcritici, onder wie de historicus Johan Huizinga, tegelijkertijd wezen op de ernstige crisis waarin de westerse beschaving verkeerde. Ze pleitten voor een moreel of religieus reveil en worstelden met vragen die nog altijd actueel zijn. In dat opzicht staat die tijd dichter bij de onze dan we ons misschien realiseren.

 

,,Het interbellum is de centrale periode in de hele twintigste-eeuwse cultuur. Wij zijn daar een beetje in versukkeld geraakt.”

 


Dijkhuis: ,,Wij waren in tegenstelling tot onze omringende buitenlanden – Duitsland, België, Engeland – niet bij de Eerste Wereldoorlog betrokken. Ik geef toe, het is een schot voor open doel, we zijn blij dat we onze neutraliteit hebben kunnen bewaren. Maar door onze neutraliteit in wat in Engeland de Great War heet, hebben wij in Nederland niet het soort tijdsbenul gehad van de interbellumgeneratie. En het interbellum is juist de centrale periode in de hele twintigste-eeuwse cultuur. Wij zijn daar een beetje in versukkeld geraakt. Andere landen die periode juist met verve hebben beleefd.”

 

Nijhoffs oeuvre, klein in omvang, maar groot in kwaliteit, is van een bedrieglijke eenvoud. De poëzie is zowel klassiek als modern en raakt zowel het gemoed als het verstand.


,,Dat interbellum, met zijn art deco, duurde van 1918 tot 1939. Nijhoffs eerste bundel is van 1916, ‘De wandelaar’, en Nijhoffs laatste grote werk is ‘Het uur U’, uit 1942. Een betere definitie van een interbellumdichter kun je nauwelijks geven.” Nijhoffs oeuvre is betrekkelijk klein in omvang, maar groot in kwaliteit. Het is van een bedrieglijke eenvoud, deze poëzie die zowel klassiek als modern is en zowel het gemoed als het verstand raakt. Klassiek zijn ‘De moeder de vrouw’ (‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’), ‘Het kind en ik’ en ‘Impasse’. En niet te vergeten ‘Awater’, een modern heldenpos over een ikfiguur die op kantoor denkt aan een gestorven dierbare en in de straten van de stad het spoor volgt van de hem onbekende Awater. Het bevat de ‘onsterfelijke’ regels: ‘De schrijfmachine mijmert gekkepraat./ Lees maar, er staat niet wat er staat.’

Knaap

Dijkhuis was al vroeg in de ban van deze poëzie. En dat voor een bèta. ,,Mijn vader was musicus, hij was leerling van Hendrik Andriessen (organist en componist), en hoewel ik later wis- en natuurkunde ging studeren, ben ik met het muzische opgegroeid. Nee, mijn puberteit is niet beschadigd door het nuttige. Mijn vader leerde me dat het in het leven niet alleen gaat om het bereiken van een doel, hij leerde me dat er méér was dan dat. Ik schreef in 1964 als een nog bijna waardeloze knaap van 22 al een artikel over zijn poëzie in het literaire tijdschrift Merlyn. Zo zou ik nu niet meer over Nijhoff schrijven.”

 

,,Nijhoff is natuurlijk dé ware dichter des vaderlands.”

 

,,We hebben nu een Dichter des Vaderlands, red.), maar na 1945 was Nijhoff natuurlijk dé ware dichter des vaderlands. Hij was een echte literator geworden, een praatpaal voor de overheid. Hij leverde toen een zeer belangrijke bijdrage aan de nieuwe psalmenvertaling, zijn bijdrage daarin is echt fundamenteel geweest. Hij heeft ook een schitterende Euripidesvertaling gemaakt. Vandaar ook de naar hem genoemde Nijhoffprijs voor vertalingen. Toch moet hij ermee gezeten hebben dat na ‘Het uur u’ (over een anonieme man die de straatbewoners met hun middelmatige bestaan confronteert, red.) de muze, zijn dichterschap hem verlaten had.”

 

,,Dat moet hem vreselijk veel verdriet hebben gedaan, daar ben ik van overtuigd. In ’53, een paar dagen voor de watersnood, is hij aan een hartaanval gestorven. Hij rookte net als ik een beetje te veel sigaretten. Hij was ineens weg. Ik ben nu zelf ouder dan Nijhoff geworden is. Dat stemt tot nederigheid. Want dat oeuvre, zo klein is het nu ook weer niet hoor, is van eenzame klasse. Lang na zijn dood maakte de grote Russische dichter Brodsky (Nobelprijs voor literatuur in 1987) kennis met zijn werk. Hij was een en al bewondering. Hij vond ‘Awater’ uit 1934 een van de beste gedichten die in de twintigste eeuw geschreven zijn.”

 

Sommigen hebben de prins der dichters liefdeloos gedumpt op de mestvaalt van de literatuurgeschiedenis.

 

In tegenstelling tot Nijhoff lijkt Adriaan Roland Holst, een andere lievelingsdichter van Dijkhuis, langzaam de vergetelheid in te glijden. Over hem wordt tegenwoordig nogal eens meesmuilend gedaan. Sommigen hebben de prins der dichters al liefdeloos gedumpt op de mestvaalt van de literatuurgeschiedenis. Tot verdriet van Dijkhuis, die tijdens een poëziemarathon in Bergen aan Zee in 1989 een etmaal lang boomde over ‘Een winter aan zee’. Is Roland Holst dan níet passé?

,,Nee!” reageert Dijkhuis vermanend. ,,Allerminst! ‘Een winter aan zee’ is van alle tijden, dat gaat nooit over.” Hij reciteert het openingsvers:

 

‘Eens liep zij hoog te spreken

langs de Noordzee; een dag

kermde er om aan te breken –

zij overstemde hem,

sprekend nog met de nacht.

Sinds haar de nacht doorzwijmelt

klimt op de kou om mijn stem

een meeuw, en kermt en tuimelt.’

,,Er zijn gedichten van Roland Holst die tijdloos zijn. Maar ons cultureel klimaat verdraagt niet veel poëzie. De grootste dichter die we hebben gehad in de 17e eeuw is naar mijn smaak eerder Hooft dan Vondel. In de 19e eeuw was er maar een kleine minderheid die opmerkte dat die jongen van Hooft toch ook leuke sonnetten geschreven had. De waarachtige waardering voor Hooft kwam pas in de 20e eeuw. Beiden worden evenwel niet meer of nauwelijks gelezen, tenzij door deskundologen.”

,,Wij leven niet meer met ons verleden. De sterfdag van de Camões in Portugal is een nationale feestdag, een dag van herinnering. Wij hebben zulke relaties niet met onze dichters. Wij zijn een volk van regenten, reformatoren, rebellen. Daar zitten geen dichters bij. Daardoor krijg je dat kwakkelklimaat. Terwijl wij toch fantastische dichters hebben. Fantastische gedichten ook, fantastische dichtregels.”

,,In het buitenland kun je ter bekroning van je wetenschappelijke betoog aankomen met een regel van een dichter. Da’s heel normaal. Dat moet je bij ons niet proberen. Hier verwachten ze dat je de zaak afrondt met ‘de gulden kun je maar één keer uitgeven’, of iets dergelijks. Hier hoef je heus niet aan te komen met Hoofts ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe…

Maar de grootste Nederlandse letterenprijs is wél naar P.C. Hooft genoemd. ,,Ja, maar hoe oud is die? Die is van ná de oorlog. Daarvoor hadden we ze gewoon niet, want waarom zouden dichters of schrijvers prijzen moeten krijgen? Dat bestond domweg niet in onze cultuur. Daar komt nog bij dat wij ons nationale pantheon pas na 1813 hebben opgetuigd, toen de republiek was opgedoekt en we het koninkrijk der Nederlanden waren geworden. In die tijd was Rembrandt groot. Vondel was groot. Erasmus was groot. Grotius (Hugo de Groot) was groot. Maar we hebben buitenlanders, zoals Proust, nodig gehad om te ontdekken hoe groot Vermeer wel niet was. En de reis van Monet naar de tulpenvelden heeft meer gedaan voor het imago van het exportproduct tulp dan welke overheidsinspanning ook.”

Roddel

,,Maar zo gaat het vaak in Nederland. Bij grote dichters – Nijhoff, Bloem, Achterberg – valt er altijd wel iets te vinden om ze een kopje kleiner te maken. Met roddel en achterklap. Over dranklust, zelfbevlekking en hospita’s, noem maar op. Wij leven in een klimaat dat grote poëzie niet echt omarmt. Daarom wordt ook zo lacherig gedaan over de dichter des vaderlands. Dat is gelegenheidsrijmelarij, hoor je dan. Maar je moet constateren dat Nijhoff voor bepaalde gelegenheden gewoon grote poëzie heeft geschreven, misschien wel het beste van wat hij geschreven heeft.”

 

,,Voor Roland Holst geldt hetzelfde. Neem zijn ‘Kroonjaar’: ‘Leeg en gehuldigd/ kwam hij thuis,/ vermenigvuldigd/ tot een muis’. Dat kun je eenvoudig afdoen met, daar hebben we die leuke, geestige aforist weer. Maar je kunt het ook zien als een vers dat geheel op zichzelf staat, want laten we wel zijn, het is een fantastisch beeld dat Holst hier oproept. Hij is gewoon een groot dichter. Het kan een modieuze, stinkendrijke makelaarszoon zijn geweest die maar wat graag met de wijven het nest in rolde, het neemt niet weg dat hij een paar gedichten heeft geschreven die stáán. Nee, hem kun je onmogelijk passé noemen.”

 

,,Een chirurg vertelde dat hij onder bepaalde omstandigheden, als hij écht te lang aan het werk is, alleen maar beter wordt.”

 


Na Roland Holst, wiens verzamelde werk in 2004 wordt herdrukt – ten teken van voorzichtige herwaardering? – verdiepte Dijkhuis zich in fatigatio oftewel vermoeidheid. Onder zijn leiding werden op een augustusnacht in 1999 in De Koperen Tuin (naar de roman van Vestdijk) te Leeuwarden de onvermoede krachten van fatigatio uitgelicht. ,,Een chirurg vertelde dat hij onder bepaalde omstandigheden, als hij écht te lang aan het werk is, alleen maar beter wordt. De legerchirurg van Napoleon opereerde na die vreselijke Russische veldslag aan de Berezina 36 uur non stop. Negentig procent herstelde van de mensen die hij had geamputeerd en geopereerd. Hoe dat kan? Je krijgt een soort helderziendheid, schijnt het. Het is iets magisch.”

Fatigatio is volgens Dijkhuis ‘de achterkant’ van vitalisme. ,,Indertijd zei ik reeds dat ik het – Deo volente – ooit over vitaliteit zou gaan hebben, want je kunt niet spreken over vermoeidheid zonder het ook over vitaliteit te hebben. Nu is het dan zover.”

En zonder merkbare overgang heft hij Nijhoffs ‘Lied van de dwaze bijen’ aan. De woorden gonzen als in een soort bezwering:

 

‘Het sneeuwt, wij zijn gestorven,

huiswaarts omlaag gedwereld,

het sneeuwt, wij zijn gestorven,

het sneeuwt tussen de korven.’

 

,,Dat”, zegt Willem Dijkhuis in vervoering, ,,is pas ware vitaliteit, ontdaan van alle Veronica- of BNN-gevoel.”

Martinus Nijhoff: ‘Verzamelde gedichten’, uitgeverij Bert Bakker, 464 blz.

 

Juni 2003

UA-37394075-1