Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Willem Frederik Hermans en het grote medelijden van een misantroop

Nergens schreef Willem Frederik Hermans (1921-1995) onverbloemder over zichzelf dan in zijn novelle ‘Het grote medelijden’, die eindigt in een soort verantwoording van zijn schrijverschap: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie’.

 

Het is deze drie-eenheid van ‘verschrikkelijke waarheden’ waarop het schrijverschap van Hermans dreef en dat aanvankelijk zoveel weerstand opriep en hem zoveel vijanden bezorgde.

 

Naar dit verhaal is de bundeling van de verzamelde novellen van Hermans genoemd, dat als een soort opwarmertje geldt voor de uitgave van het verzameld werk dat vanaf 2004 moet verschijnen. Behalve ‘Het grote medelijden‘ is er onder veel meer de klassieke novelle ‘Het behouden huis’ in opgenomen en ‘Madelon in de mist van het schimmenrijk’, een uitgebreide versie van het boekenweekgeschenk uit 1993, en veel vroege verhalen, waaruit blijkt dat Hermans al op zeer jonge leeftijd gave verhalen kon schrijven.

Een ’groot medelijden’, oorspronkelijk opgenomen in de bundel ‘Een wonderkind of een total loss’ (1967), koestert Hermans voor de personages in zijn romans en verhalen. Hierin probeert hij orde te scheppen in de chaos, in het ‘sadistische universum’ waarin we gevangen zitten en waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Het leven is immers een aaneenschakeling van ongerijmdheden en toevalligheden.

 

Zeker Hermans’ vroege werk – tot ongeveer begin jaren zeventig – onderscheidt zich door een groot ‘agressief’ mededogen met de mens die zichzelf niet kan kennen: hij ziet zichzelf anders dan de anderen hem zien, geen twee mensen zien ooit de werkelijkheid hetzelfde, geen mens ook die weet wie zijn vriend is en wie zijn vijand, want wie nu je vijand is kan het volgende moment je vriend zijn en andersom.

 

Onverstoorbaar, met een ijzeren consequentie droeg Hermans zijn (zwarte) visie uit, met als hoogtepunten de romans ‘Ik heb altijd gelijk’, ‘De donkere kamer van Damocles’ en ‘Nooit meer slapen’ en de bundel ‘Paranoia’. Uit het laatste boek is de meesterlijke novelle met de uitdagende titel ‘Het behouden huis’ afkomstig, een beklemmend verhaal dat speelt in de Balkan. De hoofdpersoon, die strijdt aan de kant van de partizanen, zoekt zijn toevlucht in een onbewoond huis, dat kort daarop alsnog verwoest wordt.

 

Maar zelden zal een schrijver zich zo bloot hebben gegeven als Hermans in de novelle ‘Het grote medelijden’. Het speelt in Parijs, ver voordat de schrijver zich er voor langere tijd zou vestigen. Hoofdpersoon is Richard Simmillion, die Hermans in veel meer verhalen opvoert, maar nergens zo overduidelijk het alter ego van de schrijver is. Richard overdenkt tijdens zijn zwerftocht door in Parijs zijn pijnlijke verlegenheid, zijn mensenschuwheid, zijn schaamte en angsten, zijn afkeer voor sociaal contact:

 

Zoals sommige mensen met één been door het leven moeten gaan, zo andere met hun verlegenheid. (…) Mijn verlegenheid is onherstelbaar als een afgezet been.’

 

Richard doet schaamteloos eerlijk verslag van zijn gemoedsstemming. Illusieloos en lijdzaam, zonder dat het tot een en al somberte leidt, want Hermans vertelt zijn verhaal tamelijk monter en laconiek, waardoor het des te beklemmender wordt.

 

Een groot medelijden voelt Richard ook voor een zekere Otto Verbeek, in wie eenvoudig Menno ter Braak is te herkennen. In de Parijse metro laat Richard zijn gedachten over deze gevreesde polemist uit de jaren dertig gaan, die Hermans alter ego evenwel als een mislukkeling en wereldvreemde figuur ontmaskert. Hermans was geobsedeerd door de in zijn ogen buitensporig overgewaardeerde essayist Ter Braak, die hij eerder in zijn legendarische essaybundel ‘Mandarijnen op zwavelzuur’ (1964) had afgeserveerd, en vooral een Nietzsche-naprater noemde.

 

In Parijs richt Richard niet alleen zijn gramschap op Verbeek/Ter Braak, maar ook op zijn zelfingenomen zwagers Friso en Adam. Hij veracht ze vanwege de wijze waarop zij met achteloos gemak en met veel succes door het leven laveren. In tegenstelling tot Richard, die zich als schrijver miskend voelt. Hij ergert zich groen en geel aan types als zijn zwagers en Verbeek, die roem en fortuin vergaren zonder in zijn ogen iets bijzonders te hebben gepresteerd.

Het zijn kortom schimmen van ‘superieure geesten’ die ook in Parijs zijn humeur verpesten. Troost zoekt hij bij een Russische vriendin, wier ‘lichaam wit is als het geblankette gezicht van een geisha’. Maar de liefde bij Hermans is vooral lichamelijk, en troosteloos.

 

Het grote medelijden’ eindigt met een verantwoording van de schrijver, zijn visie op de mens en de wereld, die hij bijna vrolijk samenvat met de woorden scheppend nihilisme. Volgens Hermans is namelijk alleen via de kunst, de literatuur, aan dat verstikkende nihilisme te ontkomen. Het begrip mag tegenwoordig een ‘leeg woord’ zijn geworden, losgezongen van zijn oorspronkelijke betekenis, door sociologen en filosofen te veel in de hoek van de religie zijn gedrukt, in verband met Hermans (en Nietzsche) heeft het zijn ‘glans’ nog niet helemaal verloren.

 

In het hermansiaanse universum huizen wij allen in een donkere kamer, waarin alles berust op moedwil of misverstand. Misschien wordt Hermans’ werk daarom wel zo vaak koud en emotieloos genoemd. Een misverstand, moedwillig of niet. In zijn werk is er enerzijds – onderhuids – altijd de ingehouden woede, maar anderzijds getuigt zijn proza van een enorme bedwongen emotie.

 

Neem nu de novelle ‘De elektriseermachine van Wimhurst’, waarin Richard Simillion alias Hermans opnieuw, maar nu een stuk jonger, de hoofdpersoon is. Zijn klasgenoten vertrappen zijn schooltuintje. Uit wraak knutselt Richard een elektriseermachine in elkaar. Als Richard op school wil demonstreren dat hij eenzelfde toestel in werking weet te zetten, vergalt de leraar zijn triomf door een gloeilamp op de machine aan te sluiten. Richard voelt zich verslagen alsof hij ’een glas limonade heeft gedronken waarin iemand een schep zout heeft gedaan’.

 

Opvallend is dat Hermans al vroeg zijn toon te pakken had en de thematiek uitwerkte die later zou terugkeren in zijn grote romans. In deze verzamelbundel staan surrealistische, associatief geschreven verhalen als ‘Atonale’ en absurde en fantastische als ‘De kat Kilo’ en ‘Ezelsoren’, naast realistische als ‘Elektrotherapie’.

 

Curieus is ‘Inferno’ (1943), een spiritistisch verhaal in de geest van Edgar Allen Poe, waarin een vrouw via een medium contact probeert te krijgen met haar omgekomen geliefde. In het verhaal zit trouwens ‘In de mist van het schimmenrijk’ verstopt, de titel van het boekenweekgeschenk dat een halve eeuw later zou verschijnen, en uit fragmenten bestaat van het oorlogsdagboek van de student Karel R., dat Hermans later zou herzien en omdopen in ‘Madelon in de mist van het schimmenrijk’.

Prachtig is ook ‘Een wonderkind of een total loss’, waarin Hermans een kritische nooit kraakt over het huwelijk, zoals hij dat verder zou uitwerken in de ‘academische romans’ ‘Onder professoren’ en ‘Uit talloos veel miljoenen’.

De thematiek in de latere novellen ‘Philip’s sonatine’, ‘Homme’s hoest, ‘Geyerstein’s dynamiek’ en ’De zegelring’ blijft dezelfde, maar deze miniaturen missen de overweldigende kracht van het eerdere werk.

 

Zo beschouwd is ‘Het grote medelijden’ een wonderlijk ratjetoe geworden. Dat is mede te wijten aan de eigengereide Hermans zelf, die enerzijds het etiketje novelle plakte op verhalen die dat predikaat eigenlijk niet of nauwelijks verdienen en anderzijds novellen bestempelde als verhalen die moeiteloos als novelle kunnen worden aangeduid. Zodoende missen we in deze bundel vernuftige vertellingen als ‘Paranoia’ en ‘Glas’.

 

Hoe het zij, met ’Het grote medelijden’ is eens te meer het bewijs geleverd dat Willem Frederik Hermans in de naoorlogse Nederlandse letteren op zeldzame hoogte stond. Zijn werk, met de romans ‘De donkere kamer van Damokles’ en ‘Nooit meer slapen’ voorop, is van internationale allure. Daarom mag het een daad van gerechtigheid worden genoemd dat na Mulisch en Nooteboom nu ook Hermans eindelijk, zij het postuum, successen viert in Duitsland. Sinds de verschijning van een nieuwe vertaling van ‘Die Dunkelkammer des Damokles’ wordt hij bij onze oosterburen onomwonden gerekend tot de grootste Europese schrijvers van de twintigste eeuw.

 

Willem Frederik Hermans: ‘Het grote medelijden’, verzamelde novellen, 616 blz, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

 

2003

UA-37394075-1