Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Willem Frederik Hermans en zijn haat jegens Nederland

W.F.Hermans (1921-1995) haatte Nederland en kon er tegelijk niet buiten. Daarom bemoeide hij zich overal mee. Ook toen ‘de enige Nederlandse dissident’, zoals hij zichzelf triomfantelijk noemde, allang naar het buitenland was ‘verbannen’.

 

Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans’ (2003) van historicus Ronald Havenaar (1950) bevestigt dit nog eens, een boek over het gedachtegoed van een schrijver die met iedereen ruziede, zich overal onmogelijk maakte en Nederlanders stug bleef voorhouden dat zij in een afschuwelijk land leefden.

Hermans ging zijn ‘vijanden’ op niets en niemand ontziende wijze te lijf. Of dat nu de literatuur, taal of spelling betrof, de politiek, de zeden of het gedrag van Nederlanders tijdens de Duitse bezetting.

Hermans waande zich altijd en overal door ‘gevaarlijke gekken omringd’ in een land waar, zoals hij schreef in ‘De laatste roker’ (1990), twee grote hartstochten taboe zijn: de consumptie van sigaretten en het gebruik van de Nederlandse taal. Volgens de taalpurist werd het Nederlands op barbaarse wijze vervuild en verkwanseld, onder meer door de zoveelste zogenaamde spellingshervorming. Niet alleen de taal werd in de uitverkoop gedaan en hopeloos versimpeld ten faveure van de zwakke(re) broeders, het was vooral een grove belediging voor de Nederlandse literatuur en zijn schrijvers. Al had hij van die literatuur niet zo’n hoge pet op. De eenling Multatuli, met wie hij zich om verschillende redenen vereenzelvigde, stond op eenzame hoogte. J.J.Slauerhoff, Hendrik de Vries, E. Du Perron – zij konden er mee door. De rest was ondermaats. En wie eenmaal de toorn van de meester had gewekt, werd tot op het bot beschimpt. De criticus H.Gomperts, de schrijvers J.B.Charles en Adriaan Morriën (met wie hij ooit bevriend was) en de dichter C. Buddingh’ zat hij voortdurend lelijk dwars, zozeer dat de laatste er letterlijk doodziek van was geworden.

Muizenhol’, de titel is ontleend aan een citaat uit de roman ‘Herinneringen van een engelbewaarder’, is het zoveelste boek over Hermans in korte tijd. Niettemin onderscheidt het zich van de meeste andere publicaties doordat het niet alleen Hermans’ kijk op Nederland in kaart brengt, maar ook een geslaagde poging doet om de herkomst van de woede en haat, weerzin en rancune van de schrijver jegens zijn vaderland te achterhalen. Havenaar putte voor zijn boek niet alleen uit Hermans’ essays en de uitspraken die de schrijver in interviews deed, maar ook uit zijn fictie. Dat is riskant, want een schrijver kun je de uitlatingen van zijn romanpersonages toch onmogelijk zelf ‘aanrekenen’. Niettemin vindt Havenaar dit bij Hermans geoorloofd omdat naar zijn oordeel Hermans veel van zijn romankarakters zijn eigen uitspraken in de mond legde. In Hermans’ geval is dit argument te billijken, al blijft voorzichtigheid geboden.

Rancune en (zelf)haat waren de drijfveren van Hermans schrijverschap. Hermans haatte Nederland, en hoe ver hij daarin ook ging, hij was wél consequent. Het leek erop dat hij zijn schrijverschap in dienst had gesteld van die haat. Hij kon niet anders. Niet omdat hij zo graag over Nederland wílde schrijven, maar omdat hij meende dat een schrijver zo dicht mogelijk bij huis moet blijven en moet schrijven over wat hij door en door kent. Nederland was domweg onontkoombaar. Hij voelde zich betrokken, Nederland was een passie van hem, hoe paradoxaal dat ook mag klinken. De woede die hem daarbij dreef, was weliswaar een gestileerde woede. Maar volgens Havenaar was die woede wel volkomen oprecht. Het was geen pose, noch een kunstje of maniërisme.

Waar kwam die haat, die agressie vandaan? Volgens Havenaar is veel, zo niet alles van die woede en haat te herleiden tot Hermans’ traumatische jeugd. Zijn ouders en zus, die in 1940 zelfmoord pleegde, maakten hem het leven zuur. Hij stond van meet af aan overal buiten, hij voelde zich altijd onbegrepen en door iedereen in de steek gelaten, wat hij in zijn werk later nog eens accentueerde en uitvergrootte.

Hermans was een schrijver in de contramine. Hij stond bij links te boek als een rechtse rakker, hoewel hij zichzelf links noch rechts noemde. De politiek was er volgens hem alleen maar om praktische problemen op te lossen. Opmerkelijk is dan ook het radiofragment uit 1969 dat OVT, het VPRO-radioprogramma over geschiedenis, uitzond. Hierin gaf Hermans als politiek commentator zijn mening over de politiek instabiele situatie toentertijd op Curaçao. Hij nam het daarbij op voor de Curaçaoënaren en klonk daarbij eerder als iemand die in het politieke krachtenveld ter linker- dan ter rechterzijde stond. Het was in de tijd dat Hermans, die zichzelf zag als een ‘kind van Multatuli’ die door een zelfde soort woede werd gedreven, langzaam opschoof naar rechts. Niet omdat Hermans zo rechts wás, hij was eerder een bevlogen conservatief, maar omdat hij van nature tegendraads was, zo betoogt Havenaar. Hij wilde domweg altijd anders zijn, dat zat in zijn aard, hij moest en zou een tegengeluid laten horen. Hij dwong zichzelf met vilein genoegen in de rol van de eenling, van degene die altijd werd aangevallen. In die rol was hij op zijn best. En kon hij zich afzetten tegen alles wat in zijn ogen niet deugde.

Pas nadat hij Nederland in 1973 had verlaten – eerst vestigde hij zich in Parijs, later in Brussel – en hij van een afstand naar zijn vaderland kon kijken, werd hij milder. Wat zijn werk niet altijd ten goede kwam. In de jaren zeventig was hij als schrijver over zijn hoogtepunt heen, al schreef hij nog sterke romans als ‘Uit talloos veel miljoenen’ en ‘De heilige van de horlogerie’. Zelf zag Hermans zich allerminst als de kwade genius die zijn tegenstanders in hem zagen. Integendeel: ‘Ik ben een mild man’, zei hij in een tv-gesprek met Adriaan van Dis. ‘Ik heb nog nooit iemand gekwetst of beledigd. Ik heb mensen die iets hebben geschreven wat niet klopte en bovendien in een gebrekkige stijl was geschreven, wel eens op hun tekortkomingen gewezen. Maar dat is wat anders.’

Een zwarte bladzijde in het leven van Hermans was zijn ontslag in Groningen waar hij op de Universiteit doceerde als lector in de fysische geografie en vaak zou hebben verzuimd. De affaire werd in een aflevering van het tv-programma Andere tijden opgerakeld, waarin ook de toenmalige hoogleraar directeur R.Tamsma aan het woord kwam die Hermans indertijd op een zijspoor rangeerde, en dertig jaar nadien van die opgeblazen kwestie nóg schade zei te ondervinden. Hermans beschreef de affaire uitbundig in zijn sleutelroman ‘Onder professoren – ‘een zwart boek met letters, beste lezer, op wit papier’. Hierin rekent hij boosaardig af met de collega’s, onder wie Tamsma (in het boek Tamstra geheten), die hem indertijd de voet dwars zetten. Hermans rol op de universiteit was echter bescheiden en volgens Havenaar was van plichtsverzuim geen sprake. Bovendien kun je de zaak omdraaien: als Hermans geen bijvak doceerde en naast zijn baan niet zoveel tijd had om te schrijven, hadden we nu misschien prachtboeken als ‘Nooit meer slapen’ moeten ontberen. Juist dankzij ‘Groningen’, kun je zeggen, is de Nederlandse literatuur verrijkt met enkele meesterwerken. Maar nee, men reageert voornamelijk nog boos en verongelijkt. In plaats dat men Hermans eert, weigert men er een standbeeld voor hem op te richten. Wat dat betreft is er sinds het verscheiden van een van de Grote Drie niet veel veranderd. Hermans zou het onmiddellijk beamen: wie in Nederland zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, wordt ogenblikkelijk een kopje kleiner gemaakt.

 

Ronald Havenaar: ‘Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans’, 217 blz, uitgeverij G.A.van Oorschot.

 

Maart, 2003

UA-37394075-1