Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Willem Frederik Hermans: ‘Ik heb geschreven om wraak te nemen’

In november 2005 was de koninklijke presentatie van het eerste deel van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Hermans was een veelzijdig schrijver van internationale allure. Maar ook een rancuneuze treiterkop die reputaties met sardonisch plezier verpletterde. ,,Ik heb geschreven om wraak te nemen”, verklaarde hij eens, waarbij hij in de eerste plaats aan zijn schooltijd dacht toen hij zelf het mikpunt van spot en pesterijtjes was. ,,Wat is daar voor bijzonders aan?”

 

De verschijning van Hermans Volledige Werken is een daad van culturele beschaving. Het verzameld werk van een van onze grootste naoorlogse schrijvers wordt hiermee geëerd in wetenschappelijk verantwoorde edities, gemodelleerd naar de Franse Pléiade-edities, waarmee Frankrijk zijn grote schrijvers eert.

Het verzameld werk in vierentwintig banden (twee per jaar) bevat bovendien de publicaties zoals de schrijver ze bedoeld had. Dat wil zeggen: met de laatste door hemzelf gecorrigeerde versie. Hermans had namelijk de gewoonte om in elke volgende druk correcties aan te brengen. Daarin kon hij heel ver gaan, zoals in het geval van ‘Conserve’, zijn romandebuut uit 1947, dat hij tien jaar later ,,als een schoolmeester, zin voor zin” herschreef.

Tegelijk met het eerste deel verschijnt de bundel ‘Niet uit kwaadaardigheid’, waarvoor publicist Max Pam ‘de scherpste polemieken’ van Hermans bijeenbracht. De titel verwijst naar het vernietigende stuk dat de schrijver in 1955 schreef over de eens toonaangevende literatuurcriticus H.Gomperts: ,,Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder op zijn bel.”

De meeste schrijvers raken na hun dood snel in de vergetelheid. Hermans niet. Integendeel. Postuum krijgt hij in het buitenland allengs de erkenning die hem bij zijn leven onthouden werd. In Duitsland wordt hij inmiddels bij de Europese top van de twintigste eeuw gerekend. Sinds zijn dood is het nauwelijks rustig rond de schrijver geweest. Er verschenen tal van heruitgaven van zijn werk. En ook de vloed aan publicaties óver de schrijver blijft aanzwellen. Het lijkt er soms op alsof iedereen die het tijdens Hermans leven verstandiger achtte te zwijgen om niet de woede van de schrijver op te wekken, nu zijn zegje wil doen.

Willem Frederik Hermans was immers een spotlustige pestkop die het met bijna iedereen aan de stok had. Hij wees zijn ‘vijanden’ met vilein genoegen op hun ‘gebreken’ en joeg als polemist velen tegen zich in het harnas. Hij had vele gezichten. Hij was een veelkoppig monster dat de ene keer zachtmoedig en aardig was, het volgende kwaadaardig en wrokkig. Hij waande zichzelf door ‘gevaarlijke gekken omringd’, maar doordat Hermans nogal humeurig kon zijn, een uitgelaten stemming afwisselde met een vileine, voelde menigeen zich door de schrijver ‘bedreigd’ en geïntimideerd.

Zijn vriend wijlen Freddy de Vree schreef over Hermans het boek ‘De aardigste man ter wereld’, een titel waarin geen woord ironie zit. Hermans kón – volgens naasten en vrienden – ook beminnelijk, voorkomend en aardig zijn. Je ziet hem voor je, op de televisie: grapjes makend en schaterend, rokend en zich nu en dan verslikkend in een akelige hoestbui.

Maar hij was ook kwaadaardig en wraakzuchtig. Als iemand hem tot in de ziel had gekwetst, sloeg hij met gelijke munt terug. Zoals in de jaren vijftig toen hij op onbetamelijke wijze en onheuse gronden voor fascist werd uitgemaakt. Hermans – en dat was een minder fijn trekje van hem – schroomde niet om hardvochtig op de persoon te spelen. Zoals in het geval van zijn vroegere vriend, de dichter Adriaan Morriën (over diens obsessie voor vrouwelijk schoon), de schrijver en criminoloog J.B.Charles (kaalhoofdigheid) en de dichter C.Buddingh’ (over diens ‘inhoudsloze dagboekaantekeningen’).

Hermans maakte ze in zijn polemieken onsterfelijk belachelijk, soms zozeer dat bij Buddingh’ kon worden gesproken van literaire moord. Buddingh’ schijnt letterlijk ziek van Hermans aanklacht te zijn geworden; die giftige aanval is de dichter van ‘De blauwbilgorgel’ nooit meer te boven gekomen. Stokebrand Hugo Brandt Corstius (‘Malle Hugo’) werd door Hermans eveneens genadeloos aangepakt, maar die amuseerde zich daar nog wel mee. Uiteraard komt in de bundel ‘Niet uit kwaadaardigheid’ ook de geruchtmakende Weinreb-affaire aan bod. Weinreb die beweerde in de Tweede Wereldoorlog duizenden joden te hebben gered, wist jarenlang een peloton Nederlandse publicisten in twee onverzoenlijke kampen te verdelen. Hermans ontmaskerde hem als een charlatan. De kwestie obsedeerde hem zozeer dat hij jarenlang aan ander schrijfwerk niet of nauwelijks toekwam.

De lijst straf aangepakte ‘mandarijnen’ – verwijzend naar Hermans befaamde bundel ‘Mandarijnen op zwavelzuur’ (1964) – is eindeloos. Je telde als schrijver, dichter of criticus in de tweede helft van de vorige eeuw pas mee als je door Hermans kritisch tegen het licht was gehouden. Hermans zelf vond zijn persoonlijke aanvallen legitiem. Hij verweerde zich door fijntjes op te merken dat hij zijn ‘vijanden’ slechts wees op hun intellectuele armoede, onzorgvuldige werkwijze en gebrekkige stijl.

Het paradoxale (en soms wrange) is dat de polemieken dankzij de op papier uitgevochten vetes ook vandaag nog een genoegen zijn om te lezen. Hoe futiel de discussies achteraf ook mogen zijn, het is de kracht van de argumenten, de speelse, heldere en dwingende stijl en vooral de bijtende humor die Hermans’ werk nog zo weergaloos maken.

Samensteller van de bundel, Max Pam, die ook een tweedelige tv-documentaire over Hermans maakte, heeft een voortreffelijke keuze gemaakt, zij het dat een archaïsch stuk over epigonisme hier misplaatst is. Daar tegenover staan veel krachtige stukken, waarin de veelzijdige Hermans goed tot zijn recht komt. Ze zijn een schoolvoorbeeld van hoe je polemisch moet schrijven, een kunst die weinig hedendaagse schrijvers en publicisten zo tot in de puntjes beheersen. Of het moet enfant terrible Arnon Grunberg zijn.

Hermans was een groot polemist. Maar zijn grootste kracht ligt bij zijn fictie. In zijn romans en verhalen toont hij aan de hand van zijn personages de mens in al zijn zwakten en gebreken. Die thematiek – alles eindigt in sof en verdriet – zit al in zijn vroege werk, in zijn eerste twee romans die nu zijn opgenomen in het eerste deel van de Volledige Werken: ‘Conserve’ en ‘De tranen der acacia’s’ (1949). In ‘De tranen der acacia’s’, met Hermans’ ‘De donkere kamer van Damokles’ (1958) grote oorlogsromans uit onze moderne literatuur, toont hij dit feilloos aan. ‘Conserve’ was nog een oefening in surrealisme, dat hij midden in de oorlog schreef om te vluchten in zijn verbeelding. In het beklemmende ‘De tranen der acacia’s’, dat bij verschijning vanwege vermeend pornografische scènes veel stof deed opwaaien, is de jonge schrijver al een gerijpt romancier die zijn thematiek gevonden heeft: een sadistisch universum vol moedwil en misverstand, waarin de eenzame mens met de moed der wanhoop orde in de chaos probeert scheppen. Of zoals de auteur schreef onder een bedrieglijk gelukkige foto van het gezin Hermans, met kleine Wim in een matrozenpakje: ,,Eigenlijk was mijn teddybeer mijn enige vriend.”

 

Willem Frederik Hermans: Volledige werken, romans, deel 1, met de romans ‘Conserve’ en ‘De tranen der acacia’s’, bezorgd door Jan Gielkens en Peter Kegel. Met uitvoerig nawoord. Uitgeverij De Bezige Bij i.s.m. het Constantijn Huygens Instituut. 792 blz. Willem Frederik Hermans: ‘Niet uit kwaadaardigheid. De scherpste polemieken’, samengesteld en ingeleid door Max Pam. De Bezige Bij, 390 blz.

 

November, 2005

UA-37394075-1