Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Woudenberg versus Fortuyn: ‘Het prinsje tegen de draak’

Wie was Pim Fortuyn? Een dandy of een charlatan? Een gevaarlijke politicus of een zachtmoedige, flamboyante persoonlijkheid met wie het lot op de loop ging?

 

Theatermaker Helmert Woudenberg maakt op grond van het leven van het omstreden fenomeen de geprezen solovoorstelling ‘Fortuyn’, over een jongetje uit Velsen-Noord dat later in het mediapark in Hilversum werd vermoord.

 

Helmert Woudenberg, op tv onder meer bekend van zijn rol in de politieserie ‘Flikken Maastricht, verwierf bekendheid met solovoorstellingen als ‘De hemel’, ‘De hel’ en ‘Jezus’. Met zijn solo ‘Fortuyn’ slaat hij een andere weg in. Of is dat schijn? ,,Het was de bedoeling dat ik de reeks zou voortzetten met ‘Jozef’. Daar zal het ook beslist van komen’’, zegt de robuuste Woudenberg met zachte, dwingende stem waarmee hij op het toneel moeiteloos de aandacht weet vast te houden. ,,Maar er trad enige huiver op toen ik merkte dat ik wel erg met het religieuze werd vereenzelvigd. Er waren mensen in het theater drie vroegen of ik theologie had gestudeerd of prediker was. Ik besloot van deze lijn af te wijken en iets geheel anders te doen.’’

Hij koos voor Fortuyn omdat hij parallellen ontdekte met zijn eigen leven. ,,Ik kwam erachter dat we hetzelfde sterrenbeeld hebben, Waterman. Hij is bovendien van mijn generatie, hij is van 1948, ik van 1945. De jaren zeventig, de tijd van de democratisering in de samenleving. Zo bezien is de voorstelling ook een geschiedenis van een generatie.”

De babyboomers Fortuyn en Woudenberg mogen veel gemeen hebben, de verschillen zijn groot. Terwijl Fortuyn in de jaren zeventig en tachtig doceerde aan de Rijksuniversiteit Groningen, was Woudenberg in 1969 een van de oprichters van het legendarische Werkteater. Hij voerde in de jaren tachtig met acteur Gees Linnebank (1945-2006) de artistieke leiding van Theater in Arnhem, om zich daarna vooral op solowerk te richten. ,,Fortuyns optreden”, zegt hij, ,,boeide mij indertijd maar matig. Wel groeide mijn fascinatie voor hem. Wat heeft hem gemaakt tot wie hij geworden is? Dat heeft te maken met mijn belangstelling voor de oorsprong, de jeugd van iemand. Daar komt bij dat ik als wees extra geïnteresseerd ben in ouders.”

‘Hij was voor zijn moeder een soort prinsje.’

 

,,Fortuyn was de lieveling van zijn katholieke moeder. Zijn oudere broers waren

potiger. Hij was voor haar een soort prinsje, je moest niet aan dat ventje komen. Zijn moeder was vooral erg intiem met hem als het tussen zijn vader en haar slecht ging. Als het tussen hen weer goed ging, liet ze hem links liggen. Hij had een uitgesproken bewondering voor zijn moeder, ook een zekere angst, zij was stevig en overheersend. Zij zat aan het hoofd van de tafel thuis, niet zijn vader. Dat stak hem. Bij zijn vriendjes was dat wel het geval. In zijn ogen was zijn vader daardoor een ontzettende slapjanus. ‘Ik heb het er nooit met hem over gehad’, schreef hij, ‘maar ik heb hem dat nooit kunnen vergeven’.”

Fortuyn zette zich volgens Woudenberg af tegen zijn vader, een handelsreiziger. ,,Zijn vader was een beetje van het chique soort, hij liep altijd in overhemden. Het was wel een knappe man, geliefd bij de vrouwen. Hij sleet zijn laatste dagen in een verzorgingshuis, met een houthakkershemd aan. Fortuyn zag dat met lede ogen aan. In een nooit uitgezonden interview vraagt Frans Bromet: ‘Heb je het erg druk?’ Zegt Fortuyn: ‘Ik heb het verschrikkelijk druk, ik weet van voren niet of ik van achteren leef. Ik kan het nauwelijks allemaal een plaats geven in mijn agenda, en nou is gisteravond mijn vader ook nog overleden. Het is gewoon moeilijk om hem te begraven. Ik hoop dat ik nog ergens een gaatje vind om naar de begrafenis te gaan.’ Natuurlijk, het was vlak voor de verkiezingen, maar ik vind het tekenend. ‘Ach, die man’, zei Fortuyn over zijn vader, ‘met hem heb ik afgerekend’. Fortuyns hele politiek denken komt daar in terug. Hij noemde de islam een achterlijke godsdienst, hij pleitte wél voor de emancipatie van de moslima’s. Dat slaat terug op zijn katholieke moeder die zich inzette voor de vrouwenemancipatie in de kerk.’’

 

‘Als hij uiteten ging kwam

de freule in hem los.’

 

Fortuyn had een zwak voor uiterlijk vertoon. ,,Hij had intiem contact met een adellijke dame, een soort freule uit de buurt van Velsen. Zij nam hem mee naar het Concertgebouw, stelde hem aan kunstenaars voor, leerde hem de talen. Zoals ik hem nu zie, had Fortuyn veel van een priester. En in zijn manieren veel van die freule. Als hij uiteten ging kwam de freule in hem los. Vroeg hij de ober of die wel aan de kurk van de wijn had geroken of stuurde hij loempia’s terug omdat ze te slap waren. Een vriendin wilde na zo’n diner een zak patat halen, waarop hij heel verontwaardigd zei: ‘Maar mopje, dat kán toch helemaal niet? We hebben net lekker gegeten’. ‘Maakt toch niet uit’, zei ze, ‘ik heb gewoon zin in een zakje patat, zoveel heb je daar ook niet te eten gekregen’. Hij was kwaad, ze gingen naar de Febo, zaten even later in de auto met een zak patat. Zei hij: ‘Nou, schat, geef mij er ook maar eentje’.”

Fortuyn was geliefd én gehaat. Wat vindt Woudenberg nu zelf van hem? ,,Ik heb wel respect voor hem. Het is bewonderenswaardig zoals hij in Groningen gevochten heeft, voor zichzelf, soms terecht, soms volslagen onterecht. Hij nam geen blad voor de mond. ‘Ik zeg wat ik denk en ik denk wat ik zeg.’ Dat heeft hij waargemaakt, waarbij hij af en toe dingen dacht die hij beter niet had kunnen zeggen. Hij was erg dominant, hij wilde alles in de hand houden en was gekwetst als je hem afviel.’’

,,Hij was heel open over seks, zijn homoseksualiteit, darkrooms. Ook was hij openhartig na zijn nederlaag bij Leefbaar Nederland (waar hij als lijsttrekker moest opstappen, waarna hij de Lijst Pim Fortuyn begon, red.). Dat frappeerde me. Hij kon zich kwetsbaar opstellen, ruiterlijk toegeven dat hij fout zat. Hij was eens op bezoek bij een vriend wiens tienerdochter net terug was van vakantie in Spanje. Fortuyn vroeg haar: ‘En, heb je nog lekker geneukt?’ Dat meisje was daar zo verontwaardigd over dat ze op hem toeliep en hem een knietje gaf. Haar vader wilde haar bestraffen. Maar Fortuyn zei: ‘Nee, ze heeft gelijk, ik ga te ver. Zoiets moet ik helemaal niet zeggen, sorry, ze staat volkomen in haar recht’.”

 

‘Hij wilde erkenning, maar het

was vechten tegen de bierkaai.’

 

,,Aan de andere kant was hij rancuneus, een doordrammer bij wie je niets verkeerds moest doen of hij verbrak de relatie en wilde hij je nooit meer zien. Een vriendin had haar dochtertje van zes verloren. Toen de moeder op de begrafenis had gesproken begon Fortuyn te applaudisseren en zei: ‘Lieverd! Dat je dit ook al kunt, voor mij mag je het nóg ‘ns doen!’ Heel kwetsend; een van zijn rare, onaangepaste kanten.”

,,Hij was ook een erg eenzame man, vooral in zijn Groningse periode. Hij was daar niet erg gewild. Hij woonde in een wijk waar één flat bewoond werd en dat was de zijne. Hij wilde erkenning, maar het was vechten tegen de bierkaai. Hij raakte overspannen en ging in psychotherapie.”

Woudenberg concentreert zich in zijn solo op de persoon Fortuyn, niet op diens politiek. ,,Nee, ik neem geen standpunt in, zeker niet politiek. Wat Fortuyn politiek beweerde was vaak zwak. Hij haalde veel uit een boekje en zette het naar zijn hand. Maar als er werd doorgevraagd zat hij met zijn mond vol tanden. Hij wist het allemaal wél in een vlotte stijl te presenteren. Hij herhaalde daarbij een uitspraak van zijn moeder: ‘Het hebben van de zaak is het eind van het vermaak.’ Zelf zei hij: ‘Als ik minister-president word, is het voor twee maanden’.”

 

‘De sterke vader moet terug, want

de moeder is geëmancipeerd genoeg’

 

Fortuyn werd door velen beschouwd als een ongeleid projectiel met enge autoritaire trekjes. ,,Kort voor de moord was er een debat tussen Melkert (indertijd PvdA-lijsttrekker) en Fortuyn, nota bene op 5 mei. Melkert zei: ‘U roept om de grote leider zoals indertijd in nazi-Duitsland! Dat maakt u gevaarlijk.’ Fortuyn ontkende, zei: ‘Hoe kunt u dat tegen mij zeggen? Hoe durft u! U bent toch wel heel ongenuanceerd.’ Hij vond het vreselijk dat hij in het buitenland ook zo werd weggezet. Hij wilde niks met figuren als Filip de Winter (Vlaams Belang) te maken hebben. Ik geloof dat hij het meende. Toch zit er wel iets in. Fortuyn zei in zijn boek ‘De verweesde samenleving’: de sterke vader moet terug in de politiek, want de moeder is al geëmancipeerd genoeg. De moeder is zelfs zo sterk dat ze moeder en vader tegelijk zou kunnen zijn. Maar wij, de babyboomers, hebben nagelaten om de kracht van de vader in te zetten. Dat zegt veel over de man in dat houthakkershemd. Het heeft te maken met het verlangen naar de vader.”

In dat opzicht kruisen de levens van Fortuyn en Woudenberg elkaar.

Woudenbergs eigen vader sneuvelde als SS-soldaat aan het Oostfront. Zijn moeder overleed in een psychiatrische kliniek. ,,Mijn ouders heb ik nooit gekend, zij gingen dood toen ze 21 en 25 waren. Ik had pleegouders, ik denk dat ik op die manier anders gevormd ben. Ik had een heel ander leven gehad, realiseerde ik mij, als mijn ouders waren blijven leven. Ik denk dat mijn leven dan een stuk ingewikkelder zou zijn geweest. Van zo’n tweede generatietrauma heb ik geen last gehad, neven en nichten van me wel. Zij moesten in therapie. Hun vader kwam terug van het Oostfront en hun moeder werd na de oorlog kaalgeschoren.’’

 

‘De hel’: ‘Hè, hè, eindelijk

komt het eruit, werd er gezegd’

 

Op zijn vijftigste baarde Woudenberg opzien met de solo ‘De hel’ over zijn ouders. ,,Er werd gezegd: hè hè, eindelijk komt het er uit. Maar daar ging het mij niet om. Het was juist een eerbetoon aan mijn ouders. Mijn moeder logeerde aan het begin van de oorlog bij een oom en tante in IJmuiden. Daar kwam op zekere dag een man of tien binnen, ze sloegen de oom en tante in elkaar omdat ze NSB’ers waren. Mijn moeder begreep dat niet, ze hield zich niet in met politiek. Ze werd alleen in dat huis achtergelaten, en vanaf dat moment raakte ze politiek bevlogen. Mijn vader vocht in het Nederlandse leger aan het begin van de oorlog, terwijl zíjn vader werd opgepakt en in de gevangenis werd gezet. Toen dacht hij: waarvoor ben ik eigenlijk aan het vechten? Hij meldde zich bij het Duitse leger. Midden in die ellende hebben ze nog moeite gedaan om mij op de wereld te zetten. Mijn oom zei: ‘Dat huwelijk van hen was een feest, zij waren twee heel gelukkige mensen’.’’

,,Mijn ouders zijn allang dood. Toch heb ik het gevoel dat ze zich nog erg met mijn leven bemoeien. Je erft van je ouders veel meer dan de kleur van je ogen of je haar of je bouw. Fascinerend vind ik het idee dat als een man in 1250 niet een kind had verwekt of een man en vrouw elkaar waren misgelopen wij hier niet tegenover elkaar hadden gezeten. Dat het leven van je ouders en soms ook van je grootouders de kop opsteekt in je eigen leven, alsof jij nog dingen recht moet zetten die zijn blijven liggen.’’

Opnieuw is de overeenkomst met Fortuyn frappant. ,,Ja, zijn moeder had een conflict met de bisschop van Haarlem over het katholieke welzijnswerk. De bisschop eiste van haar dat ze achterwaarts zijn kamer zou verlaten. Dat vertikte ze. De bisschop moest bakzeil halen en liep woedend weg. Fortuyn zei: ‘Als je maar niet denkt dat ik achteruit loop als ik straks naar de koningin ga.’ Dat is natuurlijk idioot, want dat hoef je helemaal niet meer. Maar toch, het zat in zijn genen.’’

,,Toen mijn vader dood was, stortte mijn moeders wereld in. Ik was nog geen vijf maanden en kwam met haar terecht in een psychiatrische inrichting in Duitsland. Mijn oma heeft een maand gezocht voordat ze ons vond. Mijn moeder bleek al dood, ze was begraven op de binnenplaats van de inrichting. Ik lag daar binnen, een hummeltje te midden van de wereldbrand. In mijn pleeggezin kwam ik er langzaam achter dat je er alleen voor staat in je gevecht tegen goed en kwaad. Ik was het jongetje dat vecht tegen de draak. Dat herken ik bij Pim Fortuyn. Hij was ook zo’n jongetje, al moest hij erg uitkijken dat hij niet zelf de draak werd.’’

 

‘Het zit blijkbaar in m’n

genen, dat prediken’

 

Woudenberg ontwikkelde als toneelmaker (schrijver, regisseur, acteur) een inmiddels beproefde spelmethode: solotoneel dat metafysisch van aard is, gebaseerd op de vier elementen vuur (gedrevenheid), water (openheid), lucht (heldere denktrant) en aarde (rust). ,,Ik wilde het hogere op het toneel. In Arnhem vonden ze ’t niks. Ik dacht: als ik niemand meekrijg, ga ik het zelf doen. ‘Zwarte kunst’ was mijn eerste solo, hij sloeg waanzinnig aan, ook internationaal. Toen ik vier was, wist ik al dat ik acteur wilde worden. Ik speelde met gezonde boerenjongens. Ik was de indiaan, zij de cowboys. Ik riep: ‘Bleekgezichten, volg mij!’ Mijn broers kwamen niet meer bij. Het enige bleekgezicht was ik, want door de Engelse ziekte was ik sterk vermagerd. Toen ik jaren later in Hoofddorp optrad, kwamen die kinderen kijken. Ze reageerden enthousiast. Wat je nu op toneel doet, deed je vroeger ook, zeiden ze.”

Hoe komt het dat hij, die niet godsdienstig is opgevoed, vooral succes heeft met zijn solo’s over Bijbelse figuren? ,,Zo’n solo als ‘Jezus’ is typisch van iemand die daarmee niet belast is. Het zit blijkbaar in mijn genen, dat prediken. Mijn overgrootvader, ook Helmert Woudenberg geheten, was een orthodox-christelijke boer in de Amsterdamse Jodenbuurt. Hij had een boerenbedrijf tussen de joodse marktkooplieden en oud ijzer handelaars. Zijn vader was een lekenprediker. Die vond de dominee veel te academisch. Hij vond dat het evangelie verkondigd moest worden door boeren en vissers zoals de apostelen dat waren geweest. Op de boerderij had hij vijftig man uit de omgeving, een soort sekte, voor wie hij predikte. Het is zoals Jan Siebelink beschrijft in zijn roman ‘Knielen op een bed violen’.”

 

Solovoorstelling ‘Fortuyn’ van en door Helmert Woudenberg. www.grunfeld.nl

 

Oktober, 2006 

UA-37394075-1