Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Zelfs spruitjes at hij zonder brommen

Vrijwel iedereen kent deze regels: ’Jantje zag eens pruimen hangen,/ o! als eieren zo groot./ ’t Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,/ schoon zijn vader ’t hem verbood.’ Geen tekst voor een popsong, zou je zeggen. Mis! In 1998 maakte rapper Def P speciaal voor de cd ’Van rijm tot rap’ ter gelegenheid van de kinderboekenweek een aanstekelijke rapversie van dit akelig moralistische versje. En het klonk meteen een stuk minder braaf.

 

Vrijwel niemand – een kleine steekproef wijst het uit – kent de geestelijke vader van het gedicht nog, of komt spontaan op zijn naam, op die van Hieronijmus van Alphen (1646-1803), want over hem hebben we het. Ooit was deze dichter een beroemdheid, een bekende Nederlander in een tijd dat die titel nog enige status had.

 

Van Alphen was op het gebied van de kinderpoëzie jaren- zo niet eeuwenlang hét ijkpunt. En al was hij niet de eerste dichter die ’serieuze’ kinderpoëzie schreef, met hem is wel de geschiedenis van de Nederlandse kinderpoëzie zo’n beetje begonnen. Nee, de Nederlandse kinderpoëzie begint écht niet bij ’Het fluitketeltje’ van Annie M.G. Schmidt.

 

Een eeuw geleden werd Van Alphen op school en thuis nog (voor)gelezen. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de emancipatie van de jeugdliteratuur in Nederland begon en schrijvers als Thea Beckman, Miep Diekmann en Annie M.G.Schmidt het bedje van de jeugdliteratuur flink hadden opgeschud, was zijn rol voorgoed uitgespeeld, welk lot trouwens de meeste kinderpoëzie uit de achttiende, negentiende en begin twintigste eeuw beschoren is.

Schatkamer

Ook Anne de Vries nam Van Alphen als spil in zijn onlangs verschenen prachtige bloemlezing ’Van Alphen tot Zonderland’. Zijn boek bestrijkt de Nederlandse kinderpoëzie, van Jan Luiken, Van Alphen en Aagje Deken (inderdaad, die van Betje Wolff) via dichters als Nicolaas Beets, Jacob van Lennep, J.P.Heije (tekstdichter van liedjes als ‘Van zeven kikkertjes’), Daan Zonderland en Annie M.G.Schmidt tot aan hedendaagse dichters als Joke van Leeuwen, Willem Wilmink, Remco Ekkers, Wiel Kusters en vele, vele anderen.

 

In deze schatkamer van de kinderpoëzie komen veel bekende (kinder)dichters aan het woord. Toch zijn de onbekende poëten in de meerderheid. De Vries heeft van alles wat bijeengeharkt, van ontroerend tot mooi, van onbenullig tot vrolijk, van stichtelijk tot belerend, met de nadruk op het trefzekere, op het poëtische, zodat ’Van Alphen tot Zonderland’ niet is verworden tot een ’Van Dominees- tot Pastoorsland’.

Strenge meester

De Vries ging als een strenge meester te werk. Hij wilde voorkomen dat, zoals in Komrij’s kloeke driedelige bloemlezing van de ’Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ de verzen elkaar vanwege de omvang bij wijze van spreken van de bladzijden drukten. In zijn dikke, lichtblauw gekafte boek is er geen plaats voor anonieme bakerversjes, versjes ván kinderen en grotemensengedichten die ook door de jeugd niet te versmaden zijn.

De schalmei

De Vries nam voor zijn bloemlezing trouwens niet alleen bundels voor kinderen ter hand, hij ging ook te rade bij grotemensendichters als Slauerhoff, die mooie kinderverzen schreef als ’De schalmei’, bij Paul van Ostaijen, J.H. Leopold (een wiegelied), Jacob van Lennep en Albert Verwey die in zijn ’Samenspraak tot slot’ de taal met een zakdoek vergelijkt:

 

Criticus: Mijn vriend, uw versjes zijn niet goed.

Dichter: Dat kan mij weinig schelen.

Die maak ik niet om goed te doen,

die maak ik om wat te spelen.’

 

Spannend

Van Alphen tot Zonderland` is het eerste alomvattende werk over Nederlandse kinderpoëzie. En dat wekt, met terugwerkende kracht, verbazing. Verbazing ja, dat vóór De Vries nooit iemand op het idee is gekomen om de Nederlandse kinderpoëzie eens adequaat in kaart te brengen. De samensteller maalt er niet om, het maakte dit ’schatgraven in onbekend gebied’ er alleen maar leuker op. Het was net, schrijft hij in zijn mooie, bondige inleiding, alsof hij in een spannend jongensboek verzeild was geraakt.

 

De Vries ging voor zijn boek te werk als een Gerrit Komrij van de kinderpoëzie. Hij ploegde liefst vijftienhonderd boeken met kinderpoëzie door die Nederlandse en Vlaamse dichters in de loop der tijden hebben geschreven. Buitensporig veel moeite hoefde hij zich daarvoor niet eens te getroosten. Anne de Vries (1944) zit immers dicht bij het vuur. Hij is werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek (naast het Letterkundig Museum/Kinderboekenmuseum) die over de grootste kinderboekencollectie in Nederland beschikt. Hij is gepokt en gemazeld in de jeugdliteratuur, hij schreef er veel over, zoals een proefschrift over de beoordeling van kinderboeken (’Wat heten goede kinderboeken’, Querido, 1989).

 

Uitgangspunt

Wanneer in onze taal voor het eerst kinderpoëzie werd geschreven, is moeilijk te achterhalen. Vóór Van Alphen waren er wel gedichten waarin kinderen het uitgangspunt vormen, maar ze richten zich toch vooral tot volwassenen. In de Middeleeuwen was er geen behoefte aan een afzonderlijke literatuur voor kinderen. Klein en groot, jong en oud, vermaakten zich met eenvoudige verhalen of liedjes met een moralistische inslag die van mond tot mond gingen. Pas toen Van Alphens beroemde ’Proeve van kleine gedigten voor kinderen’ uit 1778 verscheen, kwam daarin verandering.

Matigheid

Lange tijd waren die gedichten, en dat geldt voor de hele jeugdliteratuur van de achttiende en negentiende eeuw, niet meer dan brave levenslessen, gericht op opvoeding en deugden, met de nadruk op matigheid, gehoorzaamheid en gezagsgetrouwheid. Van Alphen dichtte:

 

Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen,

en waarom zou mij dan het leren vervelen?’

 

Maar wat is nu precies kinderpoëzie? Een gedicht waarin een kind voorkomt, is nog geen kindergedicht. Spreek je pas van kinderpoëzie, door volwassenen geschreven, als de dichter door de ogen van een kind kijkt? Vragen, vragen, vragen. Zelfs Van Dale houdt een slag om de arm. ’Gedichten voor, ofwel van kinderen’, staat er kortweg in de Dikke. Een sluitende definitie is er niet. En die lijkt er voorlopig ook niet te komen.

Toen De Vries met zijn speurwerk begon, had hij scherp voor ogen wat kinderpoëzie is. Nu, stapels kinderpoëziebundels verder, is hij weer gaan twijfelen. Laten we het er gemakshalve maar op houden dat kinderpoëzie pas kinderpoëzie is als het speciaal voor kinderen is geschreven.

Van Alphen tot Zonderland’ laat bovendien op terloopse wijze de ontwikkeling zien van de kinderpoëzie door de jaren heen, zoals deze zich gaandeweg ontwikkelde van moralistisch naar maatschappijkritisch en antimoralistisch, al is ’de boodschap’ nooit definitief uit de kinderpoëzie verbannen.

In het verzet tegen het burgermansfatsoen onderscheidde zich vooral Annie M.G.Schmidt, die terecht een grote rol in het boek is toebedeeld. Annie M.G., die zich wel degelijk ook moralistische terzijdes veroorloofde, schreef zowel het venijnige ’Ik ben lekker stout’ als het bozige ’Het zoetste kind’, met wie het slecht afloopt, waarmee

 

ik weer heb aangetoond:

de deugd wordt niet altijd beloond.’

 

Een fragment:

 

Het zoetste kind dat ik ooit zag

was Pieter Hendrik Hagelslag.

Hij veegde altijd trouw zijn voeten,

hij zat nooit in de goot te wroeten,

ging ’s avonds – ongevraagd – naar bed

en at zijn vlees met randjes vet.

Zelfs spruitjes at hij zonder brommen,

hij vroeg op school om nóg meer sommen,

en hij zei nimmer vieze woorden

tenminste niet dat je het hoorde -.’

 

Misverstand

Maar het is een misverstand om te denken dat vroeger uitsluitend belerende en (bijbel)zware gedichten werden geschreven. De ’oude’ dichters schreven wel degelijk verstrooiende, grappige en amusante verzen voor kinderen, ofschoon ze beslist moraliserender waren dan hun evenknieën van tegenwoordig die hun ’boodschap’ wat handiger weten te verhullen.

Wie de bundel leest, doorbladert, nu en dan stilstaat bij een gedicht, springt enkele zaken in het oog. Sommige gedichten zijn misschien niet gedateerd, wel tijdgebonden, zoals ’De kleine schutter’ van C.P.E. Robidé van der Aa (1791-1851):

 

Mijn vader is een knap soldaat,

wanneer hij, in zijn schutterskleren,

voor ’t stedehuis te schildren (= op wacht staan, red.) staat,

of op de markt moet exerceren’.

 

Verliefdheid, seks, pies en poep waren vroeger – meer dan een halve eeuw terug – taboe. En als men erover schreef, werd dat verkapt gedaan, zoals in het anonieme ’Plukt geen roosje’ uit omstreeks 1815:

 

Want haar bloesem is zo teder,

komt g’er met uw handjes aan,

ach! het roosje viel terneder,

t zou verwelken en vergaan.’

 

Kindersterfte

Het zijn thema’s waar niemand nu nog van opkijkt, zeker kinderen niet. Anders was het met ’de dood’ die tot diep in de negentiende eeuw vanwege de hoge kindersterfte heel gewoon was. De dood hoorde erbij, een kind was er min of meer mee vertrouwd. Net als met God. God was toen – in Nederland domineeland – nog overal. Wel werd de dood gaandeweg weggestopt voor de tere kinderziel, om nadien weer schoorvoetend terug te keren. Zoals bij Ted van Lieshout:

 

Mijn vader ging dood – ik was toen zeven –

dat was erg, maar erger was:

die ochtend had ik hem geen kus gegeven.’

 

En ook God werd in het eens zo vrome Nederland in de poëzie steeds minder vaak aangeroepen.

 

De scherpste kantjes van het moralisme zijn langzamerhand weggesleten, en ook het vingertje wordt minder nadrukkelijk geheven. Het romantische levensgevoel en chauvinisme kwamen daarvoor in de plaats. Zo bezingt S. Abrahmsz zijn ’Holland, mijn Holland’:

 

Holland, ze zeggen: je grond is zo dras

maar mals zijn je weiden en puik is je gras

en vet zijn je glanzende koeien’.

 

De taal, het spelen met de taal, met ritme, klank en letters, lijkt altijd al een kenmerk van (goede) kinderpoëzie te zijn geweest. Annie M.G. is daarvan het grootste voorbeeld. In dichteres Joke van Leeuwen heeft zij een voorbeeldige opvolgster gekregen. Ook zij is verliefd op de taal, waarmee zij frank en vrij speelt en experimenteert, zoals in ’Eventjes duurt nog een héle poos’:

 

Vraag ik mijn vader wat hij weet

wat hij vergeet van wat hij deed

of niet deed wat ik doe,

dan zegt hij: kind, ga jij vandaag

met deze vage rare vraag

maar naar je moeder toe.’

 

Gek

Eva Gerlach, die in 2000 de P.C.Hooftprijs ontving voor haar gehele poëzie, krijgt in het boek het laatste woord. In vijf gedichten geeft zij een proeve van sprankelende kinderpoëzie, zoals in ’Hij weer’:

 

Ik, zei de gek van Tiengemeten.

Ik heb de hond in zijn staart gebeten.

Ik heb de kat aan de boom genaaid,

ik heb de wurm in een knoop gedraaid,

ik heb in het afval een vuurtje gestookt,

toen alles gaar was, smakelijk eten,

de pan bij de buren naar binnen gesmeten.

 

Wie heeft dat gedaan? Wie heeft dat gedaan?

Ik, zei de gek. Bij volle maan.’

 

In de kinderpoëzie mag geglimlacht en getreurd, geschaterd en gehuiverd worden. Met de verschijning van ’Van Alphen tot Zonderland’ is zij misschien pas echt volwassen geworden.

 

Van Alphen tot Zonderland. De Nederlandse kinderpoëzie van alle tijden’, verzameld door Anne de Vries, 515 pag., uitgeverij Querido, Amsterdam.

 

Januari, 2001

UA-37394075-1