Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Zonder humor is de dichter verdacht

Scherts, satire en ironie’ luidt het thema van de 72ste Boekenweek (2007), onder het motto ‘Lof der Zotheid’. Een wat omslachtige manier van de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) om de ‘humor in de letteren’ te promoten in de breedst mogelijke zin.

 

In deze Boekenweek wordt de lezer in de boekhandel overstelpt met alle mogelijke titels die humoristisch zijn of met wervende en pakkende (flap)teksten beweren leuk of grappig te zijn. Waarbij meteen de vraag rijst. Wat ís humor?

 

Volgens de conferencier in de Nederlandse literatuur, wijlen Godfried Bomans, is humor overwonnen droefheid. De Vlaamse (ook al overleden) dichter Herman de Coninck zag het wat prozaïscher: van humor is pas sprake als je hem snapt. Wie de kloeke boeken van Voskuil niet versmaadt, weet dat humor de hoogste vorm van tragiek is.

 

Een ander zweert bij galgenhumor, bedoeld om de naakte waarheid bloot te leggen, hoe pijnlijk ook. Voor menig schrijver is humor, de zwarte of wrange variant ervan, hét wapen tegen gezapigheid, illusies en hypocrisie. Humor verlicht de ondraaglijke zwaarte van het bestaan en werpt er tegelijk een draaglijk licht op.

 

MENSELIJKE DWAASHEID MET HUMOR BESTRIJDEN

 

Desiderius Erasmus meende al dat de menselijke dwaasheid en de verschrikkingen die hij aanricht alleen te verdragen zijn door erom te lachen. Neem zijn eigen spotschrift ’Morias enkomion’ of ‘Stultitiae laus’, de Griekse en Latijnse titels van een werk dat wij kennen als ’Lof der Zotheid’ (1511), waaraan de Boekenweek dit jaar zijn motto ontleent. Erasmus schreef dit ‘tussendoortje’ omdat hij onderweg naar zijn goede vriend Thomas More in Londen niets om handen had. In zijn boek hekelt deze Europeaan avant la lettre en pleitbezorger van verdraagzaamheid en meningsvrijheid, aan de hand van de Zotheid de menselijke dwaasheden.

 

Het was als ‘aardigheidje’ bedoeld, maar – o ironie van het lot – ondanks al die andere goede en geleerde boeken van zijn hand, is zijn naam al vijf eeuwen vooral verbonden aan deze briljante satire. Het boek wordt dankzij de frisheid en de snedigheid ervan nog wereldwijd gelezen, al zal de hedendaagse lezer zich er minder bij op zijn dijen slaan dan zijn zestiende-eeuwse soortgenoot.

 

DIEPZINNIGHEID VERSUS SPEELSE HUMOR

 

Niet toevallig ontlenen veel belangrijke werken uit de wereldliteratuur hun overtuigingskracht en diepzinnigheid aan de speelse humor die aan alle zwaarte een lichte draai geeft. ‘Don Quichote’ van Cervantes, ‘Gargantua en Pantagruel’ van Rabelais, ‘Candide’ van Voltaire, ‘Alice in Wonderland’ van Lewis Carroll zijn daar voorbeelden van. Het zijn boeken waarin de schrijver de lezer een lachspiegel voorhoudt. In de humor ligt hun ‘eeuwigheidswaarde’.

 

Tegelijk blijkt humor tijdgebonden. De verhalen van Bomans en Carmiggelt vormen voor oudere generaties kostelijke lectuur; jonge mensen vinden ze veelal oubollig en flauw. En omgekeerd begrijpen veel oude(re) lezers niet wat er zo leuk is aan Giphart of de columns van Youp van ’t Hek.

 

SCHUDDEBUIKEND OM GERARD REVE

 

Niemand hoort graag dat hij geen gevoel voor humor heeft. Maar dan nog, smaken verschillen. Waar de een schuddebuikt om het proza van Reve, de polemieken van Willem Frederik Hermans, besmuikt grinnikt om de vileine humor van Midas Dekkers, zich bescheurt om de onweerstaanbare meligheid van Herman Brusselmans of zich verkneukelt om ‘De avonturen van Henry II Fix’ in de roman van Atte Jongstra, daar haalt de ander mistroostig zijn schouders over op. Wat de een om te schateren vindt zó leuk, beknort de ander.

 

Een treffend voorbeeld is de anekdote die literatuurcriticus Kees Fens aanhaalt in zijn boekenweekessay ‘Op weg naar het schavot’. Fens zat tijdens een literaire avond ter ere van de 75e verjaardag van Annie M.G.Schmidt (‘Wij zijn van het amusement!’) naast Karel van het Reve. Carmiggelt sprak, velen lachten. De Hooggeleerde Broer van Gerard keek strak voor zich uit. Ineens citeerde Carmiggelt zijn kunstbroeder Gerard Reve. Karels gezicht ontspande zich en hij barstte in lachen uit. Fens schrijft: ,,De broer was thuisgekomen. Wat moet hij zich eerst eenzaam hebben gevoeld.’’

 

BEGENADIGD STILIST, GEESTIG AUTEUR

 

De Hooggeleerde Broer was net als zijn jongere broer de Volksschrijver niet alleen een begenadigd stilist, maar ook een bijzonder geestig auteur. Karel zag de wereld als een broeinest van misvattingen. Dat vatte hij als volgt puntig samen:

 

In Zijn oneindige goedheid heeft Onze Lieve Heer geen grenzen gesteld aan wat mensen zichzelf wijs kunnen maken.’

 

Wie over humor in de Nederlandse letteren spreekt, komt toch weer snel uit bij het overbekende rijtje dat moeiteloos kan worden aangevuld: Piet Paaltjens, Kees Stip, Bomans, Carmiggelt, Annie M.G., Remco Campert, Ronald Giphart, Kees van Kooten en Herman Koch en zo voorts. Ze worden gerekend tot de humoristen onder de schrijvers, al schiet het woord schromelijk tekort. Het houdt een beperking in, alsof ze auteurs met plat of onnozel vermaak geen ander oogmerk hebben dan een gemakkelijke lach opwekken, alsof hun proza bij voorbaat vluchtig is als een glimlach.

 

Multatuli, Elsschot, Hermans, Reve, Voskuil, Kellendonk, Komrij, Rosenboom en Grunberg zul je niet meteen tot de categorie van de humoristen rekenen. Toch geven ze in hun werk blijk van een groot gevoel voor humor en/of ironie, al dan niet met satirische en cynische trekjes. Neem Hermans, zijn polemieken zijn dankzij de humor en de bijtende spot in de Nederlandse literatuur onovertroffen en nog steeds uiterst vermakelijk. Hermans gaf toe dat hij de lezers met zijn stukken vooral aan het lachen wilde maken, ook al ging dat ten koste van min of meer (nu vergeten) publieke figuren:

 

,,Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder op zijn bel.’’

 

Van de hedendaagse schrijvers is Arnon Grunberg de enige die zich een waardige leerling van de meester betoont. In een essay over het gebrek aan echte polemiek in Nederland schreef Grunberg over Gerrit Komrij de volgende even komische als dodelijke regels:

 

,,Wat precies het hoogtepunt in Komrij’s oeuvre zou zijn, is niet geheel duidelijk. Zijn romans zijn het niet, zijn essays evenmin, vrees ik. We doen er goed aan ons Komrij te herinneren als een vlijtige bloemlezer. En het was natuurlijk moedig van hem om Shakespeare te vertalen zonder het Engels machtig te zijn.’’

 

Ooit bestond er in onze poëzie een kloof tussen ‘serieuze’ dichters en die van ‘het lichte gedicht’, het light verse. Dichters stonden lang te boek als een ernstig volkje dat zelden een komische noot uitprobeerde, uitzonderingen daargelaten als Piet Paaltjens, J.A. Dèr Mouw en De Schoolmeester. Nu de tijd het kaf van het koren heeft gescheiden, wordt ook de laatste terecht als een groot dichter gezien. Voor Lucebert, Hugo Claus en Gerard Reve behoorden ernst en luim, het banale en het verhevene als vanzelfsprekend bij elkaar. Zelden hoor je poëzielezers bulderen om een gedicht dat in de grond getuigt van een diepe ernst, maar Reve heeft nog steeds de lachers op zijn hand:

 

Gevraagd naar zijn opinie

over het jongste prachtboek ‘De Avonden’,

zeide eens de oude schrijver Nescio:

Dat boek? Dat is geen boek: dat is onboek.’

Toch pakt het je wel aan, Pappie,’

wierp zijn vrouw hem tegen.

Dat is zo,’ gaf hij toe. ‘Net als de cholera.’

 

(‘Literatuur’, 1973, uit Verzamelde gedichten)

 

Tegenwoordig is er nauwelijks nog enig onderscheid. Sla de poëzie van begaafde (jonge) dichters er maar op na. Alfred Schaffer, K.Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Menno Wigman en Ilja Leonard Pfeijffer bewijzen dat in de poëzie diepgang en humor moeiteloos samengaan. Nu is het eerder andersom: een dichter zonder een sprankje humor is al gauw verdacht.

 

Februari, 2007

UA-37394075-1