Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Mischa de Vreede (1936-2020): Kwetsbaar in wijze gedichten

Schrijfster en dichteres Mischa de Vreede overleed dinsdag 12 mei 2020 op 83-jarige leeftijd. Zij beheerste uiteenlopende literaire genres, schreef vooral om het verleden te bezweren en dat verleden bestond in haar geval grotendeels uit haar herinneringen aan de tijd die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog doorbracht in een jappenkamp, of politiek correcter, in een Japans interneringskamp op Noord-Sumatra.

Op maandag 24 september 2001 interviewde ik haar als verslaggever van het Noordhollands Dagblad in haar huis aan de kust bij Camperduin, waar ze sinds 1991 woonde. Daar in de duinen had ze, zei ze, de rust hervonden die ze nodig had om na de hectische jaren in Amsterdam weer te kunnen dichten. Het was een prettig gesprek, zo herinner ik het mij tenminste, met een mooie, kwetsbare vrouw van 65, waarmee ze naadloos paste in het beeld dat ik van haar had: een dichteres van breekbare, sensibele en eigenzinnige gedichten waarmee ik in de jaren zeventig op de middelbare school voor het eerst in aanraking kwam. Ondanks alle waardering en erkenning – ze werd weleens vergeleken met Simone de Beauvoir en Hella Haasse – zat diep in haar nog altijd de twijfelende, onzekere dichteres van weleer verborgen. Hieronder volgt de nagenoeg integrale versie van het interview uit 2001.

DOOR BESCHADIGING ZIE JE HOE MOOI IEMAND IS’

CAMPERDUIN – Meisjesachtig kwetsbaar was de poëzie waarmee Mischa de Vreede in 1959, met de bundel ‘Met huid en hand’, haar intrede deed in de Nederlandse literatuur. ‘Autobiografisch’ heette het gedicht dat kenmerkend was voor de ‘bekentenispoëzie’ die ze toen schreef:

ik ben

een lang zacht meisje

ik loop

lange zachte stappen

door de lange zachte straat

ik praat

lange zachte woorden

voor wie mij liefheeft

lang en zacht.

,,Dat gedicht ‘Autobiografisch’,’’ zegt de dichteres-schrijfster in haar huis aan de voet van de duinen in Camperduin, ,,is nog nét geen kitsch, maar het spreekt blijkbaar nog altijd velen aan.’’ Ze zegt het een beetje zuinig, bijna gegeneerd, om er direct aan te voegen: ,,Nog steeds, er blijkt nog steeds vraag te zijn naar de poëzie die ik toen schreef.’’

Voor de meermalen herdrukte bundel ‘Huid en hand’ kreeg ze in 1959 de poëzieprijs van Amsterdam. ,,Het kreeg toen veel aandacht, veel meer dan poëzie tegenwoordig krijgt.’’ Maar echt ‘genoten’ heeft ze toen niet van die onverhoedse roem. Ze was nog zo jong, bovendien had ze heel andere dingen aan haar hoofd. ,,Ja, heel veel is toen eenvoudig langs me heengegaan.’’

We zijn, in 2001, inmiddels veertig jaar verder. Na haar debuut schreef De Vreede veel, heel veel, ze publiceerde zo’n veertig boeken, romans en verhalen, waarin ze varieerde op haar thema’s: haar kindertijd in een Japans interneringskamp (in Nederlands-Indië – haar vader was dominee in Jakarta toen de stad nog Batavia heette), het afscheid en ‘kapotte’ mensen (ze schreef over ernstig zieke kinderen en gestoorde mensen), want ‘pas door een beschadiging kun je goed zien hoe mooi iemand is’. Ze portretteerde jongeren van hippe ouders uit de jaren zestig en zeventig met onbekookte ideeën. Ze schreef kinderboeken en maakte reportages voor NRC Handelsblad en Vrij Nederland over China en Indonesië en schreef columns voor tijdschriften. Ze vertaalde werk van Jerzy Kosinski (‘De geverfde vogel’), met wie ze ook correspondeerde, en ze vertaalde de beroemdste roman van Nobelprijswinnaar Saul Bellow (‘Herzog’), een vertaling die nog altijd staat als een huis. Mischa de Vreede is een eenling in de literatuur, altijd geweest, ‘te jong’ voor de Vijftigers van Lucebert en Kouwenaar, en ‘te oud’ voor Barbarber van Bernlef en K.Schippers.

‘DEADLINE EN POËZIE GAAN NIET SAMEN’

Poëzie schreef ze nog maar mondjesmaat. Tot ze zichzelf acht jaar geleden, in 1993, ‘in de vut had gedaan’ om zich daarna uitsluitend aan de poëzie ging te wijden. Na jaren van hard werken, óók veel journalistiek werk, ‘streef ik nu naar sereniteit’, zegt ze. ,,En voor poëzie moet je de tijd nemen, deadline en poëzie gaan nu eenmaal niet samen.’’

Het resultaat mag er zijn. En wie deze poëzie vergelijkt met die uit de debuutbundel, moet constateren dat de broze en kwetsbare dichteres van toen tot een dichteres is uitgegroeid die zich kwetsbaar durft op te stellen. In die zin is er weinig veranderd, inhoudelijk wel.

VEEL HERSENWERK

De poëzie in ‘Zeestenen’ is beeldender, slimmer, doordachter, zoveel wijzer. ,,Ja, er zit veel hersenwerk in.’’ Jeugd, oorlog, de vader, dood, zee, Camperduin, het zit er allemaal in. Met als een van de hoogtepunten het gedicht ‘Omstandigheden’, met de strofe:

Door omstandigheden

een hekel gekregen aan eigen verleden

ik wilde het als een litteken verbergen

publiekelijk zwoer ik het af

maar als meinedig werd ik ontmaskerd

en voor straf

moet ik het koesteren

nu open en bloot.

Mischa de Vreede las de complete versie voor op 15 augustus 2001 bij het Indisch monument in Den Haag bij de herdenking van de Japanse capitulatie. Het gedicht verwijst onder meer naar de lange internering van de dichteres in Nederlands-Indië, die kort na de oorlog, in 1946, naar Nederland kwam. Het gedicht maakte veel indruk. ,,Zo’n gedicht is ook een soort overwinning van de poëzie’’, zegt ze. ,,Want ook mensen die niet gewend zijn om poëzie te lezen, blijkt het zeer aan te spreken. Ze voelen dat het ook op hén slaat, dat het ook over hen gaat.’’

,,Heel dierbaar zij mij de verborgen krachten van de poëzie. Het verbaast me steeds weer hoe anderen je gedichten soms lezen. Je weet soms niet wat je er onbewust in stopt. De band tussen lezer en gedicht vind ik dan ook heel belangrijk. Wat anderen erin zien, dat krijg je cadeau. Blijken er soms van die geheime dingetjes in te zitten waar ik zelf van opkijk maar wel erg blij mee ben.’’

LEERMEESTER LUCEBERT

Haar leermeester was de in 1994 overleden Lucebert. Ze ontmoette hem in de tijd dat de Bergense dichter werd ‘gekroond’ tot Keizer der Vijftigers, de experimentele dichtersbent die een frisse wind door de ingeslapen naoorlogse Nederlandse poëzie liet waaien. ,,Zijn gedichten begreep ik niet altijd, maar zoals hij met de taal omging, de beelden die hij gebruikte, zo anders dan alles wat me eerder onder ogen was gekomen, dat fascineerde me bijzonder.’’

Als meisje schreef ze in de boekhandel gedichten van Lucebert over omdat ze geen geld had om de bundel zelf aan te schaffen. ,,Die boekhandelaar merkte dat natuurlijk, maar hij maakte daar verder geen punt van. Maar door dat overschrijven zat ik wel op een heel lichamelijke manier in het gedicht. Het is ook dé manier om de techniek van het schrijven van een gedicht onder de knie te krijgen.’’

OVIDIUS EN HOMERUS UIT HET HOOFD

In de ook in 2001 verschenen bundel ‘Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen. Van Gorter tot Van Dis’ haalt De Vreede herinneringen op aan de ‘maltentige losbol’ uit Bergen: ‘Vooral het optreden van Lucebert, in zwarte cape gehuld, maakte indruk op mij. In de pauze stelde ik me aan hem voor waarop hij vroeg of ik mee wilde als er na afloop nog wat zou worden nagepraat. ja natuurlijk; die avond dronk ik het eerste glas rode wijn van mijn leven, door uitgever Geert Lubberhuizen eigenhandig voor me neergezet. We zaten apart van de rest van het gezelschap en wisselden smaak en ervaringen uit: het meisje dat wist dat ze schrijver zou worden tegenover de man die al een groot dichter was. Ik maakte hem aan het lachen door hele lappen Ovidius en Homerus uit het hoofd op te zeggen en voelde me groeien toen hij vertelde dat hij net een zoon had gekregen en hoe bijzonder dat was voor een man. Een kind krijgen! Het was of hij mij de grote mensenwereld introk, maar zijn grote mensen waren wat luchtiger dan ik tot dan toe gewend was.’

Ze zegt, bedachtzaam: ,,Het feit dat zíj me zagen staan, mij volkomen als een dichter aanvaardden, als het ware door het lange, zachte meisje heen keken, dat ze in mij een volwaardige collega zagen, dat heeft mij wel erg geholpen in mijn dichterschap. Achteraf gezien is het natuurlijk een zegen wanneer je op die leeftijd, ik was net twintig, omgaat met zulke grote dichters als Roland Holst en Lucebert.’’

AANVANKELIJK ACTRICE

Mischa de Vreede zou aanvankelijk actrice worden. Lucebert weerhield haar daarvan. ‘Om een rol te spelen moet je leeg zijn en jij bent van jezelf al helemaal gevuld,’ zei de dichter haar. Ze bezocht hem en Adriaan Roland Holst enkele keren in Bergen, kort na de oorlog, begin jaren vijftig, ‘in zijn eigen woonkamer of in die van Roland Holst, aan de Nesdijk of in Frankenstate, pratend en met een glas wijn in de hand, muziek op de achtergrond.’

Mischa de Vreede koos uiteindelijk voor het dichterschap en later het schrijverschap: ‘Nu weet ik dat de meeste acteurs het met dat ‘leeg’ of ‘gevuld’ volstrekt niet eens zijn, maar toen nam ik deze opvatting zonder meer over en daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik ging niet naar Arnhem maar naar Amsterdam en dat ik daar een aanvankelijk zeer slordig en een al met al ook moeizaam leven zou gaan leiden was, denk ik, toch niet te voorkomen geweest. Alles liep zoals het lopen moest en wat ik belangrijk vond gebeurde intussen toch wel: ik schreef, mijn werk werd gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd.’

,,Lucebert was een groot man’’, zegt ze, een rebelse geest die te boek stond als een flamboyante kunstenaar maar steevast als een kantoorklerk gedisciplineerd aan het werk toog. ,,In figuurlijke zin dan, echt een door de genade aangeraakte persoon. Dat merkte je aan alles, aan zijn beeldende kunst, aan zijn poëzie, de toegewijde manier waarop hij met zijn talenten omging. Geen gezeur, hij hield er geen netwerkje op na of zo, nee, hij zat thuis en maakte mooie dingen. Met eerbied voor de vlam die in je brandt, zo was hij en zo heb ik hem dan ook altijd als een voorbeeld beschouwd.’’

,,Op zijn manier had Roland Holst dat ook,’’ zegt ze over de andere ooit roemruchte Bergense dichter Adriaan ‘Jany’ Roland Holst die ze van nabij meemaakte. ,,Iedereen had het wel over de dandy of over zijn avontuurtjes, maar kijk eens wat hij nagelaten heeft, al die duizenden pagina’s dundruk. Dat is toch niet mis.’’

BESPIEGELINGEN

Jarenlang kon ze niet of nauwelijks dichten, ze leed aan een soort ‘poet’s block’, bang als ze was dat er iets naar boven kwam waar ze geen raad mee wist. Vergeleken met haar vroegere poëzie is die in ‘Zeestenen’ doorleefder en bezonkener geworden. Ze is persoonlijk en tegelijk afstandelijk. Ook de gedichten die dicht op de huid van de dichteres zelf zitten, getuigen van grote technische (zelf)beheersing.

In de veelzeggende afdeling ‘Ingeslapen’ in de bundel onderscheidt het gedicht ‘En toch’ zich. De inspiratie ervoor deed ze op tijdens een tentoonstelling over doodsportretten van kinderen in Teylers Museum te Haarlem:

Het hoofdje met muts

hoog in de kussens

een beginnetje van gezicht

het neusje te wit

(…)

de ouders

jong gebleven in hun rouwen.

,,Als je een kind van een jaar verliest’’, zegt Mischa de Vreede over dit vers, ,,groei je niet verder, je bent en blijft die ouder van 26 die zijn kind verliest. Wie jong zijn vader verliest, heeft dat ook. Ik heb in dat gedicht oud en jong tegenover elkaar gezet.’’

Het gedicht nodigt uit tot velerlei bespiegelingen. Het kind dat in dit doodsportret ‘onsterfelijk’ is gemaakt, blijft bestaan zolang het portret blijft bestaan, terwijl zijn zusjes en broertjes die nooit zijn ‘vereeuwigd’ allang naamloos in de vergetelheid zijn verzonken.

‘Mijn vader en ik’ is een ode aan de ‘knecht des heren’ die als ‘niet katholiek/ dus weggelegd’ werd aan ‘aan de rand van het kerkhof/ naast hen die het leven niet wilden’. Het meisje dat de dichteres eens was keert terug in ‘Vlechten’. Een citaat:

het krullende kwastje als eindpunt

leende zich voor eigenliefdig

strelen langs de bovenlip

en dat rook dan zo naar mezelf

dat het nergens op leek’.

Hierover zegt ze: ,,Je probeert het persoonlijke algemeen te maken, zoals alles in poëzie, en vlechten zijn heel herkenbaar. Iedere vrouw heeft het haar wel eens in een vlecht gedragen zoals elke man wel eens een snor heeft laten staan. Het is een persoonlijk gedicht en toch herkent iedereen zich erin. De taal doet dat allemaal voor je. En hoe zuiverder de taal die je gebruikt, hoe zuiverder de boodschap.’’

Een van de weinige literatoren met wie ze nog gereld contact heeft, is Leo Vroman, de nestor onder de dichters die zich kort na de oorlog in de Verenigde Staten vestigde. Kort voor de terreuraanslagen van 11 september 2001 verruilden hij en zijn vrouw Tineke New York voor Texas. De Vreede correspondeert nog met Vroman, een man die ze hogelijk bewondert om zijn werk en om het feit dat ie op hoge leeftijd nog even vitaal dicht als vroeger.

OMLOOPTIJD

Haar bundel is verschenen bij de Prom, de uitgeverij die door Wim Hazeu is grootgemaakt, de man die afscheid nam van de uitgeverij om na de biografie van de dichters Slauerhoff en Achterberg te werken aan zíjn versie van het levensverhaal van S. Vestdijk. ,,Hazeu heeft veel gevoel voor poëzie, daar ben ik heel blij mee, want het valt tegenwoordig niet mee om poëzie te slijten.’’

In een tijd waarin de markt overvoerd wordt met nieuwe boeken en de omlooptijd kort is – een boek moet binnen drie maanden lópen of het verdwijnt – komt de poëzie er zeer bekaaid vanaf. De oplage is op enkele uitzonderingen na (Claus, Rawie, Enquist) klein. De vraag gering. ,,Als uitgever moet je er op toeleggen. Uitgevers willen daarom wel een bundel uitgeven op voorwaarde dat je dan ook een roman schrijft.’’ Voorlopig is De Vreede daar niet mee bezig, tenzij een verhaal zich aandient ‘dat geschreven wil worden’.

,,Het wordt er niet gemakkelijker op, iedereen van mijn generatie is er niet meer of is ermee opgehouden.’’ En hoewel De Vreede als schrijfster enige bekendheid heeft verworven, weten nog maar weinigen hoe succesvol ze eens was. Indertijd, eind jaren vijftig, begin jaren zestig, was de jonge, debuterende dichteres in één klap een betrekkelijk bekende Nederlandse, toen ‘de gemiddelde redacteur van tegenwoordig nog in de box zat, die weten daar dus allemaal niets van’.

RILKE, GORTER, LEOPOLD

Zelf leest ze vooral veel buitenlandse schrijvers en dichters, ‘ik word nog altijd betoverd door Rilke’, en wat Nederlandse poëzie aangaat, bewondert ze het werk van Lucebert, Vroman en Kouwenaar: ‘Naar het werk van die generatie blijf ik toch grijpen, want poëzie vind ik moet toch vooral een beetje raadselachtig, een beetje geheimzinnig zijn.’ Ook blijft ze steeds weer teruggrijpen naar de poëzie van Gorter en Leopold. Met ‘het gemier’ in de huidige Nederlandse literatuur, waarbij ze verwijst naar de kantoorsoap ‘Het Bureau’ van J.J.Voskuil, heeft ze weinig op. Liever leest ze Amerikanen als de dames Byatt en Atwood en de heren Bellow en Roth.

VREDIGE RUST

Op haar achttiende verliet ze het ouderlijk huis om zich in Amsterdam te vestigen. Inmiddels heeft ze de grotestadsdrukte allang achter zich gelaten. Begin jaren negentig verruilde ze het ‘volle leven’ van de Oudezijds Voorburgwal in hartje Amsterdam voor de vredige rust van Camperduin, aan de voet van de duinen, nabij de Hondsbossche Zeewering. Nog altijd tot haar grote tevredenheid. ,,Het was toen net of ik ging emigreren, zo groot was het verschil,’’ zegt ze. ,,Maar het is prachtig hier, onvoorstelbaar mooi. En zo troostrijk.’’

Mischa de Vreede: ‘Zeestenen’, gedichten, 96 blz., uitgeverij de Prom, Baarn. ‘Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen, Van Gorter tot Van Dis’, 216 blz, uitgeverij Conserve, Schoorl.

Alkmaar, september 2001

Philip Roth (1933-2018) prikte de Amerikaanse Droom door

Een van de grootste naoorlogse Amerikaanse schrijvers, Philip Roth, overleed op dinsdag 22 mei 2018 op 85-jarige leeftijd. Roth was een groot stilist en een vlijmscherp chroniqueur van de geschiedenis van het moderne Amerika van na de Tweede Wereldoorlog. Hij was een gelauwerd schrijver want hij won, in de Verenigde Staten, zo’n beetje alle literaire prijzen die er te behalen waren.

 

Tegelijk was zijn werk onder puriteinse kringen in de Verenigde Staten op zijn zacht gezegd nogal omstreden. En voor de Zweedse Academie, die de Nobelprijzen toekent, was hij blijkbaar te controversieel, want geen schrijver is zo lang en zo vaak genoemd als de gedoodverfde kandidaat voor ’s werelds grootste literaire onderscheiding en werd desondanks steeds opnieuw gepasseerd.

 

En hoewel Philip Roth (1933-2018) in 2012 besloot een punt achter zijn lange schrijverscarrière te zetten – zijn imposante oeuvre verklaarde hij als voltooid – kwam hij nog geregeld in het nieuws, niet alleen om de zoveelste onderscheiding in ontvangst te nemen, maar omdat zijn werk nog razend actueel bleek te zijn.

Begin dit jaar bijvoorbeeld legde PvdA-leider Lodewijk Asscher in het tv-programma De Wereld Draait Door een link tussen Roths roman Het complot tegen Amerika (2004) en de huidige Amerikaanse president Donald Trump. In Roths intrigerende spiegelroman, waarin hij een ernstig spel speelt met de werkelijkheid en de geschiedenis, wordt in 1940 niet Roosevelt maar de fascistische, antisemitische vliegenier Charles Lindbergh president van de VS. Het boek beschrijft hoe het óók had kunnen gaan, na 1940, in een fascistisch America First.

Roths’ boek werd er in het politieke discours bijgehaald om grip te krijgen op het fenomeen Trump, zoals ook Orwells 1984 (uit 1949) om die reden veel wordt herlezen. Zelf was Philip Roth klip en klaar over Trump. In zijn laatste interview in The New Yorker zei hij begin dit jaar: ‘Trump is gewoon een oplichter. Hij weet niks van regeren, van geschiedenis, van wetenschap, filosofie, van kunst. Hij kan zich niet subtiel of genuanceerd uitdrukken, ontbeert elk fatsoen en hanteert een vocabulaire van 77 woorden dat je beter Oetluls kunt noemen dan Engels.’

Roth vertelde overigens in interviews rond de verschijning van Het complot tegen Amerika dat hij met zijn boek geen link naar de toenmalige politieke toestand in de VS wilde leggen. Lezers en critici zagen dat echter anders, die zagen overal parallellen met het Bush-tijdperk kort na 9/11, zoals lezers en critici die nu menen te zien met het tijdperk Trump.

 

EEN ONGEREMDE HONGER NAAR SEKS

 

Philip Roth schreef grote literatuur zonder de zwaarwichtigheid waaronder moderne Europese literatuur eind vorige eeuw nogal eens bezweek. Roth verstond de kunst om zware thema’s licht te brengen, al was het soms nauwelijks voor te stellen dat de schrijver van latere hoogtepunten als Alleman en Exit geest dezelfde was als die van het klassieke Portnoy’s Complaint en het weergaloze Sabbath’s Theater

Ofschoon Roth de laatste jaren milder leek te zijn geworden, bleef de vertrouwde thematiek: zijn joodse achtergrond, de hypocrisie van de puriteinse Amerikaanse samenleving, de verhouding tussen de vader en de zoon, de onmogelijke ontsnapping aan het verleden, de ongeremde honger naar seks om het verval tegen te gaan. Roth schreef dicht op de huid van de actualiteit, hoewel hij daar in zijn jongste romans bewust afstand van leek te nemen. Maar zijn proza bleef intens en bezield en wist je steeds weer bij de strot te grijpen.

Hij bleef een meesterlijk schrijver, rabelaisiaans en toch beheerst in zijn taalgebruik en gezegend met een groot gevoel voor (vileine) humor. Ook dat andere thema, het aan de kaak stellen van pijnlijke eigentijdse en actuele kwesties, bleef hij trouw. Zo liet hij in de roman Ik was getrouwd met een communist (1998) zien hoe het verleden je blijft achtervolgen, hoezeer je het ook probeert te ontvluchten. In The Human Stain (2000, De menselijke smet) speelde hij een ernstig spel met waarheid en leugen, verraad en de ondraaglijkheid daarvan. Daarbij gaat om het verlangen om te ontsnappen aan de eigen identiteit, waaraan, o ironie, onmogelijk valt te ontsnappen. We zijn de gevangenen van onszelf, van onze buitenkant, van onze identiteit. Ontsnappen kan hooguit via seks, wilde Roth zeggen, maar ook dat is slechts van tijdelijke aard.

Alles wat Roth schreef, verwees naar zijn eigen leven (met joodse wortels) of biografie, maar steeds opnieuw wist hij er een andere, verrassende draai aan te geven. Het is dan ook niet verbazend dat hij, vooral dankzij Portnoy’s Complaint en Operation Shylock (1993), in joodse kringen herhaaldelijk een nestbevuiler is genoemd, zonder zich – zoals het een waarachtig en groot schrijver betaamt – daar ook maar iets van aan te trekken.

 

WERELDBEROEMD: SCANDALEUZE KLASSIEKER

 

Philip Roth debuteerde met Goodbye, Columbus (Vaarwel Columbus, 1959), een novelle en vijf verhalen over ‘gewoon’ Joods leven in Amerika’, waarmee hij meteen als een grote belofte werd gezien. Wereldberoemd werd hij eind jaren zestig met het scandaleuze Portnoy’s Complaint (Portnoy’s klacht). Een overrompelende en even schrijnende als geestige roman over Roths alter ego Alexander Portnoy, die halverwege de vorige eeuw in een morsige Amerikaanse industriestad opgroeit in een gezin van kleine joodse middenstanders. Een weergaloos geschreven boek. Rebels, provocerend en roekeloos. Al kon niet iedereen lachen om de jonge Portnoy en zijn masturbatie-acts en om zijn heilige voornemen om in elke Amerikaanse staat een meisje te veroveren. De Israëlische geleerde Gershom Scholem noemde het boek zelfs gevaarlijker dan De Protocollen van Zion en schreef dat Roths’ boek een geschenk was ‘waar alle antisemieten voor hadden gebeden’.

 

ZUCKERMAN VERTELT OVER ENE PHILIP ROTH

 

In de jaren zeventig maakte Roth furore met een reeks autobiografische Zuckerman-romans. In negen romans heet de hoofdpersoon Nathan Zuckerman, het alter ego van de schrijver, die soms vertelt over een zekere Philip Roth. Toen hij in de jaren negentig min of meer was afgeschreven, sloeg Roth als de Great American Novelist toe met een trilogie over de Amerikaanse geschiedenis die terloops de zeepbel die The American Dream heet doorprikte. De drie meesterwerken zijn:

 

1. Sabbath’s Theater (1995), een virtuoos geschreven roman over            een oude poppenspeler en zijn grote liefde die hun wereld                    ineen zien storten.

  1. American Pastoral (1997), een weergaloze roman over de ondergang van een doorsnee Amerikaanse familie van wie de dochter zich als een terroriste ontpopt
  2. The Human Stain (2000), over een academicus met een geheim die bezwijkt onder moedwil en misverstand.

Alle drie romans gaan over mensen die door de geschiedenis worden vermalen en daaraan willen ontsnappen door zichzelf opnieuw uit te vinden. De bekendste is nummer drie (vertaald als De menselijke smet), die in 2003 onder dezelfde titel verfilmd is door Robert Benton. Het boek speelt ten tijde van Clinton-Lewinsky-affaire, die de VS in de zomer van 1998 volledig in de ban hield toen een ’golf van braafheid en hypocrisie’ de Verenigde Staten van Amerika overspoelde. Ergens schrijft Roth dat in die zomer alle Amerikanen met hun gedachten bij de penis van de president waren. Het was trouwens niet alleen Amerika, de hele wereld volgde Het Schandaal op de voet, en verkneukelde zich bij al die hilarische en (on)smakelijke details (de sigaar!) die ongezouten werden opgediend.

Het is de zomer van 1998 waarin Amerika gebukt gaat onder de tirannie van het fatsoen, de terreur van politieke correctheid en preutsheid. Het land lijdt aan ’de prediking van de deugdzaamheid, die door de Europeanen, historisch gezien onjuist, het Amerikaanse puritanisme wordt genoemd, en die mensen als Ronald Reagan de kernwaarden van Amerika noemen’. Wie 1998 niet heeft meegemaakt, schrijft Roth ergens uitdagend, weet niet wat hypocrisie is.

In die roman beschouwt Roth vanuit de kleine levens van zijn personages de politieke situatie, en door die twee met elkaar te verknopen, krijg je een panoramisch beeld van de Amerikaanse samenleving aan het eind van het afgelopen millennium. Een persoonlijke geschiedenis naast de nationale, waarin het individuele universele betekenis krijgt.

 

HET ALLEGORISCHE ELCKERLYC

 

In de eenentwintigste eeuw bleef Roth in hoog tempo nieuw werk publiceren van wisselende kwaliteit. Literaire topprestaties waren de romans over sterfelijkheid en de dood (Alleman) en de teloorgang van de cultuur (Exit geest). Alleman (2006), naar het allegorische Elckerlyc, gaat over een gewone Amerikaan, zijn mislukte huwelijken, het onbegrip, zijn primitieve slippertjes, de onmacht van een moderne, weldenkende man die tamelijk gezond dacht te leven maar op zekere leeftijd van de ene zware operatie naar de volgende sukkelt. Alleman is een warm menselijk boek over gewone mensen, hoezeer de ijzige asem van De Dood allesoverheersend is (de zwarte omslag als een grafzerk is meer dan een symbool).

Zijn laatste roman was Nemesis (2010), een ‘ouderwets’ verteld, aangrijpend verhaal over toeval en noodlot. Nemesis speelt in 1944, met een gewone jongen als hoofdpersoon. Polio en kinderverlamming verrichten, vlak voordat een werkzaam vaccin wordt uitgevonden, hun gruwelijke en misdadige werk in een kleine stad aan de Amerikaanse oostkust terwijl leeftijdgenoten van de bijziende (anti)held in Europa en in de Pacific een verwoestende oorlog uitvechten. Nemesis is zeker verteltechnisch een waardige afsluiter van een groots oeuvre. (Het boek is zeker een aanrader en een oogopener voor de tegenstanders van kindervaccinaties.)

 

WEES GEWOON ÉN ORIGINEEL

 

Philip Roth werd geboren in de stad Newark in New Jersey en was net als de door hem bewonderde schrijvers als Saul Bellow en Bernard Malamud een kind van joodse ouders – zijn vader was verzekeringsagent – en opgevoed in het bewustzijn dat hij joods was. Hij werd op zijn zestiende en zeventiende sterk beïnvloed door Thomas Wolfe en zijn lyrische opvatting over het alledaagse Amerikaanse leven, zoals hij zelf vertelde. Hij begon al vroeg met schrijven en toen in 1958 drie verhalen van zijn hand voor publicatie werden geaccepteerd, besloot hij zijn universitaire studie eraan te geven en voor een ongewis bestaan als schrijver te kiezen.

Roth hanteerde zijn schrijversleven lang het adagium dat hij ontleende aan Gustave Flaubert: ‘Wees gewoon en ordelijk in je leven, als een burgerman, opdat je gewelddadig en origineel kunt zijn in je werk.’ Al bleek het met dat ordentelijke leventje nogal mee te vellen, zeker in het begin van zijn carrière. Zijn eerste huwelijk was volgens zijn biografen een hel. Hij was getrouwd met een zelfdestructieve vrouw, wat stof opleverde voor een aantal boeken, waaronder When She Was Good (1966, vertaald als Een braaf meisje) en My Life as a Man (1976, Mijn leven als man). Roth was twee keer getrouwd en onderhield naar verluidt vele buitenechtelijke affaires. Zijn tweede vrouw, de actrice Claire Bloom, was weinig vleiend over haar toenmalige echtgenoot die zij ‘een ongevoelige bruut’ noemde. In zijn literaire hoogtijdagen – de jaren zestig en zeventig – kwam Roth dan ook geregeld in het nieuws vanwege zijn vermeende onstuimige liefdesleven. Het maakte hem tot een gewilde prooi van ‘de bladen’. Iets waarover hij zelf steevast meewarig de schouders optrok.

Roths werk lag slecht bij feministische critici die hem, tot onbegrip van Roth zelf, een machoschrijver noemden in de trant van Hemingway, en hem van vrouwenhaat betichtten en veelal getuigden van een tamelijk eenzijdige blik. Fysiek ging Roth gebukt onder rugpijn – hij schreef bij voorkeur staande aan een lessenaar – en leed onder hallucinaties die het slaapmiddel veroorzaakten dat hij slikte.

In deze eeuw liet Roth zich nog maar zelden strikken voor interviews of openbare optredens. Hij weigerde zich nog langer door de tv te laten ‘misbruiken’ omdat dat soort optredens alleen maar tot ergernissen en misverstanden zouden leiden. Roth somberde in 2000 al over de toekomst of beter de teloorgang van de roman die hij met de door hem bewonderde Tsjechisch-Franse schrijver Milan Kundera beschouwde als de grootste kunstvorm. Hij klaagde niet over de kwaliteit, want er verschenen nog genoeg goede romans en hij verstond de kunst van het bewonderen (zo prees hij onder anderen schrijfster Nicole Krauss aan). Hij treurde vooral over het verdwijnen van de lezers. Mensen zijn verslaafd aan hun schermpje, zei hij, maar juist om onze wereld en de mens daarin beter te kunnen begrijpen is de romankunst van groot belang.

ALLEEN IN EEN KAMER

Roth leefde de laatste jaren van zijn leven teruggetrokken en schreef als een literaire monnik. Een biografie van de schrijver, waarschuwde hij dan ook, kon wel eens erg eentonig uitpakken: ‘Mijn autobiografie zou vrijwel volledig bestaan uit hoofdstukken over mij, alleen in een kamer, kijkend naar een schrijfmachine.’

Van zijn biografen weten we dat Roth niet alleen in zijn boeken geestig en scherpzinnig was, maar ook daarbuiten uiterst scherp en grappig uit de hoek kon komen. Maar het enige wat voor hem telde was ‘het werk’, dat uiteindelijk resulteerde in een oeuvre van zesentwintig romans, één verhalenbundel en drie andersoortige (autobiografische) boeken.

Nadat hij in 2012 was gestopt met schrijven, herlas Roth eerst zijn grote voorbeelden, onder wie de grote negentiende-eeuwse Russen Dostojevski en Toergenjev en de Amerikaanse meesters Hemingway, Conrad en Faulkner, en daarna begon hij voorzichtig zijn eigen werk te herlezen. En hoewel hij over lang niet alles wat hij had gepubliceerd echt tevreden was, stelde hij tenslotte toch goedkeurend vast: ‘Je hebt het niet slecht gedaan.’

 

(Hoorn, 23 mei 2018)

 

 

Het mateloze leven van Colette

Sidonie-Gabrielle Colette (1873-1954) was een superster, misschien wel de eerste ‘echte’. Ze noemden haar een theaterbeest, excentriek, gewaagd, pervers. Ze trad op als naaktdanseres in de Moulin Rouge en had lesbische verhoudingen, was musicienne en een boeiend spreekster. Ze was buitensporig ambitieus, bevlogen en gedreven. Alles was even mateloos aan deze vrouw die het leven tot kunst verhief, waardoor er weinig tijd voor het moederschap resteerde en je haast zou vergeten dat Colette, zoals ze zich kortweg noemde, ook nog uitgroeide tot een van de belangrijkste Franse schrijfsters van de twintigste eeuw.

Wie de biografie ‘Colette, een zinnelijk leven’ van de Amerikaanse Judith Thurman leest, vraagt zich dan ook verbluft af hoe ze het voor elkaar kreeg om tussen de bedrijven door ook nog zo’n immens oeuvre bij elkaar te schrijven. Ze moet haar vingers blauw hebben geschreven aan romans, essays, toneelstukken, filmscripts en een enorme hoeveelheid journalistieke stukken. Ze presenteerde radioprogramma’s en werd herhaaldelijk bekroond met literaire prijzen. In 1949 werd zij zelfs voorzitter van de Académie Goncourt, een mannelijk bastion bij uitstek.

Op zestigjarige leeftijd, het was het beruchte jaar 1933, verbond ze zich aan een dagelijks artikel in La République. Tegelijk bezocht ze als toneelcriticus van Le Journal tegen de twintig toneelvoostellingen per maand, waarvan ze een aantal selecteerde voor haar kritieken van zo’n tweeduizend woorden. En niemand kon zeggen dat ze zich er met een jantje-van-leiden vanaf maakte, elke bijdrage werd een literair kunststukje. Haar verzamelde film- en toneelkritieken beslaan al enkele boekdelen.

Dat ze zoveel tegelijk deed en moest doen, kon ook niet anders. Colette leefde alsof de dood haar op de hielen zat en tegelijk alsof ze onsterfelijk was. Het moet voor een vrouw die op middelbare leeftijd nog als een jeugdige aantrekkelijke vrouw oogde, onverteerbaar en welhaast ondraaglijk geweest zijn om als een wrak te eindigen. Daarvan zijn beroemde foto’s gemaakt, zoals er zoveel foto’s van de schrijfster gemaakt zijn. Ook toen de schrijfster en levenskunstenares wegens reuma aan haar beddenvlot zoals ze haar radeau-lit noemde, gekluisterd was. Op die ene foto, uit 1953, ter ere van haar tachtigste verjaardag zit ze met haar ruige haardos op bed, omringd door paperassen. Vóór haar de verjaardagstaart, waaruit, je houdt met terugwerkende kracht je hart vast, de brandende kaarsjes twee huiveringwekkende vuurfonteinen de lucht inspuiten.

Een grote collectie foto’s vertelt het levensverhaal van Colette. Ze moet een van de meest gefotografeerde schrijfsters ooit zijn. Behalve veel ‘gewone’ biografieën – voor biografen blijft Colette een gewild en onuitputtelijk onderwerp – zijn er tal van fotobiografieën van haar verschenen. Het wemelt van de veelzeggende foto’s van de schrijfster, waarvan een aantal ook in Thurmans is opgenomen. Colette in de hangmat; de vijftienjarige wildebras met blonde vlechten als ‘zweepkoorden’ of  ‘teugels’, toen ze verliefd zou worden op haar latere echtgenoot M.Willy. De achttienjarige Colette als een dromerige schoonheid, lezend in de tuin. Colette in herenkostuum als actrice, sensuele mond, dramatische blik, lijkwit gezicht. Colette als dandy, sigaret in de hand, hoewel ze nauwelijks rookte. Colette als Salomé. Colette in een omhelzing met een vrouw. Colette met Audrey Hepburn die op Broadway de rol van Gigi speelde, naar het gelijknamige boek. Colette met haar dochtertje Bel-Gazou, en, uiteraard, tezamen met haar katten, die haar misschien wel dierbaarder waren dan mensen.

Veelbetekenend is de foto waarop Colette poseert met pen en schriftje en een gezicht dat het midden houdt tussen lachen of huilen. Ze zit naast de veel oudere, ijdele fat Henry Gathier-Villars alias M.Willy met zijn hooghartige krulsnor en baard en koude oogopslag, haar eerste echtgenoot met wie zij in 1893 was getrouwd. Zijn reputatie als muziekrecensent en gewichtig schrijver stoelde allereerst op boeken die waren geschreven door een serie ghostwriters. Nadien vierde hij successen met de feuilletons over Claudine, een erotisch ongeremde tienermeisje dat een soort archetype in de Franse literatuur zou worden. Ze waren van de hand van zijn zoveel meer getalenteerdere gade. Zij schreef de beroemde Claudine-romans. Hij zette zijn naam op de omslag. Hoewel hij vaker het rode potlood blijkt te hebben gebruikt dan wel wordt aangenomen. Voor de Claudine-serie putte Colette uit haar eigen ervaringen. De boeken werden bestsellers, zoals alles wat ze schreef hoge oplagen bereikte. Ze moet een van de meest verkochte Franse auteurs van de twintigste eeuw zijn.

Colette heette een natuurtalent te zijn. Zij schreef met zoveel achteloos gemak dat het menige collega-schrijver wel eens droef te moede moet zijn geweest. Al bleek bij nader inzien dat ze veel kraste en schrapte in haar manuscripten. Ook bij haar ging het scheppen van au. Nadat ze zich had ontworsteld aan het tumultueuze huwelijk met Willy, noemde ze zich kortweg Colette, naar haar achternaam.

Haar faam en naam begon vanaf de eeuwwisseling, rond 1900 in die vrolijke jaren van het Belle Epoque, rond te zingen in de Parijse salons. Hier ontmoette het provinciaalse meisje bijna ‘alle groten’ van haar tijd, onder wie Claude Debussy, Marcel Proust, Anatole France, André Gide, en Toulouse-Lautrec. De meesten bewonderden haar of mochten haar wel, op enkele uitzonderingen na, zoals de vileine dichter Léautaud, die haar grondig verachtte: ‘Haar boeken en toneelwerk behoren tot de commerciële literatuur’, schreef hij in zijn dagboek.

Colette verwierf in de eerste plaats roem als schrijfster van spraakmakende boeken. Ze deed er nog een schepje bovenop door een geruchtmakende toneelcarrière te beginnen. De ene scandaleuze affaire na de andere volgde. Ze had een minnares van adel, en als danseres ontblootte ze in een Franse music-hall haar borsten. Nee, Colette was niet voor een kleintje vervaard. Ze deed bovendien als eerste vrouwelijke Franse oorlogscorrespondent verslag van het front in de Eerste Wereldoorlog, al liet ze de gruwelen liever onvermeld. Haar dagboekachtige verslagen spraken echter veel lezers aan. Ze kreeg op haar veertigste haar enige kind. En tegen haar vijftigste begon ze een verhouding met haar stiefzoon, waarin Colette overigens niets immoreels zag.

De belangrijkste figuur uit haar leven was haar moeder Sido. Zij was vrijgevochten en schrander. Ze had een grote drang naar onafhankelijkheid, wat fraai gedemonstreerd wordt in de prachtige brieven die ze schreef, en waarvan een proeve in Thurmans biografie is opgenomen. Later bekoelde die relatie enigszins, zoals die tussen Colette en haar dochter Bel-Gazou altijd koel was geweest. Toen Sido stierf in 1913, rouwde Colette met haar toenmalige echtgenoot, de aristocraat De Jouvenel, op haar eigen manier. ‘Per ongeluk’, beweerde ze, verwekten ze een kind.

Thurman schreef over dit tomeloze en ongeremde leven een prachtig, rijk boek. Er lijkt geen gebeurtenis in het leven van Colette dat zij over het hoofd heeft gezien. Geen detail blijft onbesproken. Weinig intieme, erotische zaken blijven verhuld. Het is bijna duizelingwekkend. Maar je sympathie voor Colette wordt er niet minder voor. Jammer is dat ondanks de karrenvrachten van details, het oeuvre van de schrijfster onderbelicht blijft. Ja, autobiografische gegevens over de boeken volop, maar je zou wel wat meer willen weten over Colettes werkwijze.

Hoe was haar manier van schrijven. Wat was de verhouding van haar werk tot haar leven. Nu lees je niet meer dan wat je al wist, terwijl je juist veel meer wilt weten over de achtergronden van ‘La chatte’ uit 1933. Het gaat over de vriendschap van een man met zijn kat, en de wraak van zijn vrouw daarop. Colette, wier boeken doorgaans worden gekenmerkt door een speelse toon, een bijna zintuiglijk taalgebruik en een groot warm hart voor dieren en dingen, bereikt in dit boek haar top. Ze legt hierin genadeloos het menselijk tekort en de menselijke drang tot vernietiging bloot.

Colette bracht de laatste fase van haar leven voor haar doen tamelijk bedaard door aan de zijde van de zeventien jaar jongere diamanthandelaar Maurice Goudeket. Ze stierf in 1954. Ze was de eerste vrouw die een staatsbegrafenis kreeg van de republiek. In Parijs verzamelde zich een rouwende mensenmenigte in de rue Montpensier om de schrijfster, over wier lijkkist de Franse vlag was gedrapeerd, te begeleiden naar het kerkhof Père-Lachaise. ‘Toen de aarde in het graf werd geschept’, schrijft Thurman niet zonder enige pathos, ‘begon het te regenen, de wind wakkerde aan en een van de hevigste buien sinds mensenheugenis barstte los. Ze zou ervan hebben genoten.’

 

Judith Thurman: ‘Colette, een zinnelijk leven’ (Secrets of the flesh. A life of Colette, 1999), vertaald door Annelies Eulen, 618 blz, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 90-234-3982-1

 

Gepubliceerd in januari 2002

 

Günter Grass, een controversieel, groot schrijver met verbluffende verbeeldingskracht

Niet alleen de Nederlandse naoorlogse literatuur kende een Grote Drie (Hermans, Reve, Mulisch). Ook Duitsland kende zo’n driemanschap: Heinrich Böll, Siegfried Lenz en Günter Grass. Van die drie was Grass, die in 1999 de Nobelprijs voor de literatuur ontving, misschien wel de grootste schrijver, in elk geval de meest controversiële. (meer…)

Joost Zwagerman volgde zijn nieuwsgierigheid, zijn interesses en zijn hartstochten

Enkele keren had ik de eer om schrijver en dichter, essayist, bloemlezer en (kunst)criticus Joost Zwagerman (1963-2015) te mogen interviewen. Ik trof tijdens die ontmoetingen niet alleen een bevlogen en erudiet man, maar ook een aimabele, hartelijke persoonlijkheid, met wie ik nog lang na het ‘officiële gesprek’ door boomde over alles wat ons bond, in de eerste plaats de literatuur, niet zozeer de Nederlandse maar vooral de Angelsaksische, en verder de politiek, de kunsten, de media en de kop van Noord-Holland, zijn Alkmaar en mijn Hoorn, om het in perspectief te blijven zien. (meer…)

Geboren verhalenverteller Gabriel García Márquez smachtte naar liefde

Zijn oeuvre is groots en meeslepend, maar Gabriel García Márquez (1927-2014) zal vooral de geschiedenis ingaan als de schrijver van ‘Honderd jaar eenzaamheid’. De roman bezorgde hem niet alleen de Nobelprijs voor de literatuur. Het boek maakte hem in korte tijd rijk en beroemd en verschafte hem veel politieke invloed. De Colombiaanse schrijver en Nobelprijswinnaar overleed kort voor Pasen 2014 op 87-jarige leeftijd in zijn woonplaats Mexico-Stad. (meer…)

Leo Vroman had ‘liever heimwee dan Holland’

Leo Vroman (1915-2014) was een van Nederlands grootste dichters. Geen geringe prestatie voor iemand die het grootste deel van zijn leven buiten zijn (eerste) vaderland sleet en zichzelf daarom wel gekscherend ‘de dichter des buitenlands’ noemde.  (meer…)

Frans Pointl: ‘Ik word altijd op die kip vastgepind’

Schrijver Frans Pointl overleed op 1 oktober 2015 op 82-jarige leeftijd. Jaren geleden sprak ik hem voor de GPD-kranten, toen er een nieuwe ‘kattenbundel’ van hem was verschenen. Hij had praats voor tien. (meer…)

Een saluut aan grande dame Ellen Vogel

Ellen Vogel, de grande dame van het Nederlandse toneel, overleed woensdag 5 augustus 2015 op 93-jarige leeftijd. (meer…)

Demis Roussos, imposante stem, imposant postuur

In Nederland zal Demis Roussos (1946-2015) vooral herinnerd worden als de zanger met een imposante stem, een imposant postuur en ruige zwarte baard. De Griekse zanger zong zijn liefdesliedjes bij voorkeur gekleed in een kleurrijke kaftan en droeg daarbij een enorme ketting van dierlijke tanden om zijn hals. (meer…)

Joe Cocker, een gepijnigde stem, een podiumbeest

Joe Cocker (1944-2014) had een stem als een misthoorn. Rauw, doorleefd en gepijnigd. Daarmee zong hij veel covers die in zijn uitvoering klassiekers werden. (meer…)

Nobelprijswinnaar Patrick Modiano zegt veel met weinig woorden

Bij de bookmakers stond Patrick Modiano (1945) tamelijk hoog genoteerd, toch mag het een verrassing heten dat de Nobelprijs voor de literatuur 2014 naar deze Franse schrijver gaat. (meer…)

Seth Gaaikema wilde zijn publiek een hart onder de riem steken

Seth Gaaikema (1939-2014) was bij het grote publiek vooral bekend als de cabaretier die zich graag bediende van woordspelingen. Hij brak eind jaren zestig door met een oudejaarsconference, waaraan zich indertijd alleen de allergrootste cabaretiers waagden, onder wie Wim Kan die de traditie ooit inzette. Gaaikema was daarnaast ook tekstschrijver en een geprezen vertaler van musicalliedjes. Begin 2014 nam hij na een carrière van een halve eeuw afscheid van het theater met de voorstelling ‘Wat ik nog graag zou willen’. (meer…)

Gerrit Kouwenaar – Levenslang de tijd stilzetten

 Gerrit Kouwenaar (1923-2014) was niet alleen een van onze grootste moderne dichters, hij was ook een van de meest gelauwerde. Hij wilde na de dood van zijn vrouw Paula nog één mooie bundel maken. Dat boek werd ‘Totaal witte kamer’ (2002), een hoogtepunt uit een groot dichterschap. (meer…)

Paul Biegel, een klassiek sprookjesschrijver

Paul Biegel (1925-2006) is bijna acht jaar dood, maar zijn werk is springlevend. Vandaag (25 maart) op ‘Biegeldag’, op de geboortedag van een van ’s lands beste jeugdboekenschrijvers ooit, wordt de vijftigste verjaardag gevierd van zijn beroemdste en misschien meest (voor)gelezen boek: ‘Het sleutelkruid’. (meer…)

Willem Jan Otten, een zoekende, gelovige schrijver

Willem Jan Otten is bekroond met de P.C. Hooftprijs 2014, ’s lands hoogste literaire onderscheiding. Het werk van Otten (1951), schrijver van poëzie, beschouwingen, romans en toneelstukken, onderscheidt zich door een originele en scherpe manier van waarneming. (meer…)

Kees Brusse: naturel en onderkoeld acteur voor wie film ‘het allermooiste’ was

Meer dan zestig jaar was acteur en filmmaker Kees Brusse een vertrouwd gezicht in de Nederlandse huiskamers en theaters. Hij overleed maandag 9 december op 88-jarige leeftijd in het Rosa Spier Huis in Laren. (meer…)

J.D. Salinger, een wereldberoemde kluizenaar

J.D. Salinger (1919-2010) schuwde een halve eeuw de publiciteit. Desondanks werd de Amerikaanse schrijver van een bescheiden maar groots oeuvre met de dag beroemder. Drie jaar na zijn dood is de glans nauwelijks verbleekt, integendeel. (meer…)

Tom Clancy, thrillerschrijver als merknaam

Tom Clancy was een schrijver en een merknaam. De Amerikaanse bestsellerauteur werd wereldberoemd met boeken over spionage en de Koude Oorlog. Gisteren overleed hij, op 66-jarige leeftijd. (meer…)

J.J. Cale, een inspirerende stoïcijn

Lome, aanstekelijke muziek en een raspende stem. Onverstoorbaar, laconiek en onderkoeld. Het was J.J. Cale (1938-2013) ten voeten uit. De gitarist en songschrijver, die veel andere muzikanten inspireerde, schreef onder meer de popklassiekers ‘After midnight’ en ‘Cocaine’. (meer…)

Michel van der Plas, chroniqueur van ‘het rijke roomse leven’

Michel van der Plas (1927-2013) was een productief religieus dichter en een prominent chroniqueur van het ‘rijke roomse leven’. Maar Van der Plas zal vooral de geschiedenis ingaan als tekstschrijver van (klassiek geworden) cabaretteksten die hij schreef voor onder anderen Wim Sonneveld, Wim Kan, Frans Halsema en Gerard Cox. (meer…)

J.L. Heldring: conservatief, scepticus en gezaghebbend

Een gezaghebbend scepticus. Dat was columnist J.L. Heldring. Hij was met 67 jaar de langst schrijvende columnist uit de Nederlandse persgeschiedenis. Begin dit jaar ontving hij nog De Tegel, de oeuvreprijs voor de Nederlandse journalistiek. (meer…)

Louis Couperus, ‘een reus op wiens schouders veel moderne auteurs staan’

Ooit was Louis Couperus (1863-1923) onze meestgelezen en meest gevierde schrijver. Het naar hem genoemde genootschap grijpt dit jubileumjaar aan om een van ’s lands grootste schrijvers ooit uitbundig te eren. Maar wordt hij nog gelezen? En wat is zijn betekenis voor ons cultureel erfgoed? (meer…)

Aya Zikken – Altijd een Indisch meisje

Aya Zikken (1919-2013) behoorde met Hella S. Haasse, Margaretha Ferguson en Helga Ruebsamen tot de laatste generatie auteurs met een Nederlands-Indisch verleden. De schrijfster werd vooral bekend door de roman ‘De atlasvlinder’, die tot de beste boeken uit de ‘Indische bellettrie’ gerekend wordt. (meer…)

Rascha Peper, een fijnzinnig vertelster

Schrijfster Rascha Peper (1949-2013) wist dat ze niet lang meer te leven had. Desondanks bleef ze tot op het laatst doorgaan met verhalen schrijven en getuigen van een opmerkelijke levenslust. (meer…)

Godfried Bomans en de verbleekte roem van een fluwelen duivel

Ooit was Godfried Bomans (1913-1971) razend populair. Lezers laten hem nu links liggen, maar zijn verbleekte roem zal dit jaar, in zijn honderdste geboortejaar, worden opgepoetst tijdens de campagne Nederland leest! (meer…)

A.F.TH. van der Heijden: erkenning voor meesterschap

De schrijver A.F.Th. van der Heijden krijgt de P.C. Hooftprijs 2013 voor zijn gehele oeuvre. Een daad van rechtvaardigheid, want eigenlijk had een schrijver van zijn allure ’s lands belangrijkste literaire prijs allang moeten krijgen. (meer…)

Jeroen Willems 1962-2012 Veelzijdig acteur, betrokken mens

Een veelzijdig acteur en een betrokken mens. Dat was Jeroen Willems die gisteren tijdens een repetitie voor het 125-jarig jubileum van Carré op vijftigjarige leeftijd bezweek aan een hartstilstand. Het gala werd vanwege zijn dood afgelast.

(meer…)

Will van Kralingen 1951-2012 Een gepassioneerd actrice vol twijfels

Will van Kralingen was een veelzijdig en gepassioneerd actrice voor wie theater een feest moest zijn. Toneel was haar grote liefde, maar daarnaast was ze geregeld op tv en in films te zien. (meer…)

Tonnus Oosterhoff: een bewonderde kluizenaar

Van Tonnus Oosterhoff wordt wel eens gekscherend gezegd dat hij meer literaire prijzen heeft dan lezers. (meer…)

Wislawa Szymborska 1923-2012 Wat ze schreef was altijd raak

Wislawa Szymborska schreef ‘poëzie met een kwinkslag’, die in haar bedrieglijke eenvoud toch heel diep ging en nooit vrijblijvend was.  (meer…)

André van Duin – Een aardige gekke bekkentrekker

Iedereen kent André van Duin. Maar wie is de mens achter de volkskomiek die in 1947 in Rotterdam werd geboren als Adrianus Marinus Kyvon? Han Peekel schetst in een lang filmportret een beeld van het leven en werk van deze komiek, acteur, tekstschrijver en zanger die een halve eeuw artiest is. (meer…)

Johan Cruijff, een jongensboek

Ter ere van Johan Cruijffs vijfenzestigste verjaardag kijkt Studio Sport in een filmportret terug op de gloriejaren van een fenomeen, volgens velen ’s lands beste voetballer ooit. (meer…)

A.L.Snijders heeft ‘geen ambitie, geen zitvlees’

A.L. Snijders schrijft zeer korte verhalen, ofwel zkv’s. Vreemd is dat niet. Hij heeft geen zitvlees en geen ambitie maar omdat hij het schrijven niet kan laten, heeft hij van de nood een deugd gemaakt. De documentaire ‘A.L. Snijders, een handige dromer’ portretteert deze onafhankelijke geest en schrijver van een bijzonder oeuvre. (meer…)

Doeschka Meijsing 1947-2012, De mens is reddeloos alleen

Doeschka Meijsing schreef eigentijdse tragedies over vriendschap, verraad en liefde. Gemakkelijk maakte ze het zichzelf niet, want ‘schrijvers willen moeilijke dingen zeggen’. (meer…)

Ellen Vogel: ‘Acteren is toveren’

Negentig is ze. Ellen Vogel. De koningin van het toneel, zoals wijlen Hugo Claus haar ooit liefkozend noemde. De actrice staat zelf niet meer op het toneel, maar het Nederlandse toneel volgt ze nog op de voet.

 

Op 1 januari 2012 zat ze vief en vitaal op een van de voorste rijen bij de première van de nieuwe ‘Gijsbrecht van Amstel’ in de Amsterdamse Stadsschouwburg. En genoot. In de jaren vijftig en zestig stond ze tijdens de ‘Gijsbrecht’ meestal zelf op toneel, onder anderen als Badeloch, Gijsbrechts vrouw. ,,Iedereen denkt dat het barokke voorstellingen waren”, zei ze desgevraagd. ,,Maar het decor was net zo sober als nu.”

Ellen Vogel (26 januari 1922), dochter van de ooit befaamde voordrachtskunstenaar Albert Vogel, debuteerde meteen na de oorlog, in 1945, bij haar leraar Cor Hermus. In de tijd dat schrijver Simon ‘Kronkel’ Carmiggelt over toneel schreef, noteerde hij: ‘Voor het stuk hoeft u niet te gaan, maar ga toch maar, want dan kunt u tenminste later zeggen dat u het debuut van Ellen Vogel hebt meegemaakt.’ Toen de grande dame van het Nederlandse toneel daar ruim een halve eeuw later mee geconfronteerd werd, reageerde ze nóg verrukt. ,,Ach, het is toch heerlijk voor een jonge actrice, dat meteen zó over haar wordt geschreven? Beter kun je toch niet beginnen?’’

Een halve eeuw geleden maakte ze deel uit van een generatie getalenteerde toneelspelers, onder wie illustere acteurs als Mary Dresselhuys en Ko van Dijk, die in het Nederlandse theater jarenlang de toon zette. Ze speelde van alles. Van tragedie tot blijspel, van klassiek tot eigentijds. In 1961 ontving ze de Theo d’Or voor de beste actrice van dat seizoen, in 1967 werd ze uitgeroepen tot actrice van het jaar en twee jaar geleden ontving ze de Blijvend Applaus Prijs 2009. Ze speelde van meet af aan met allure. Geen actrice van het grote gebaar, maar een die tot een karakter weet door te dringen. Dat geldt ook voor haar rollen in films (‘Het mes’, ‘De tweeling’) en op tv (‘De kleine zielen’, ‘Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan’, ‘Willem van Oranje’).

Ruim tien jaar geleden speelde ze haar laatste grote toneelrol. In haar flat, hartje Amsterdam, woonden heel wat grote namen uit de theater- en amusementswereld, onder wie Ank van der Moer, Simon Carmiggelt, Willy Walden en Ko van Dijk. ,,Ik ben’’, zei ze bij haar toneelafscheid met gevoel voor drama, ,,de laatste der Mohikanen.’’

Van het toneel mag ze dan afscheid hebben genomen, nu en dan vertolkt ze nog wel een rol in een tv-serie. Niet zo lang geleden was ze te zien als de oude Juliana in de tv-dramaserie ‘Bernard, schavuit van Oranje’ en die rol vervulde ze opnieuw met flair in ‘Beatrix, Oranje onder vuur’. Ellen Vogel is een veelzijdige actrice, maar toneel gaat haar boven alles. ,,Toneel is intensiever”, weet ze. ,,Het is ook veruit het moeilijkst. Het is de basis van alles. Neem filmsterren als Jeremy Irons en Meryl Streep, die vinden het toch belangrijk om nu en dan op het toneel te staan.”

Op haar 88ste gaf ze haar laatste grote, openhartige tv-interview over haar leven, sprak over mooie en pijnlijke momenten, en haar eigen dood. Niet alles gaf ze prijs, want privé is privé: ,,Ik vind nog steeds dat ieder mens recht heeft op een eigen wereld waarvan de mensen niet zoveel hoeven weten te weten.” En nee, zei ze, het is niet erg om, in redelijke gezondheid, oud(er) te worden. ,,Het enige vervelende aan ouder worden is dat zoveel mensen op wie je gesteld was verdwenen zijn.”

Ellen Vogel beschouwt haar leven min of meer als volbracht. Ze heeft niets meer te wensen. De gedachte dat van haar roem na haar dood niet veel zal beklijven (‘Zodra het doek valt, verdwijnt de illusie’), stemt haar evenmin droef. ,,Toneelspelen is toveren. Uit het niets zet je een figuur neer. Niets is dooier dan een dooie acteur. Het gaat er ook niet om of jíj blijft of niet, maar dat je tussen acht en elf uur ’s avonds iets maakt wat de mensen bereikt.’’

 

Januari, 2011

 

Rudy Kousbroek – het verloren paradijs van een beroepsmopperaar

Rudy Kousbroek (1929-2010) had een hekel aan geestelijke luiheid en de culturele vervlakking die hij overal in Nederland bespeurde. Hij beschouwde liefdeloosheid en middelmatigheid als een bedreiging van de beschaving. (meer…)

Tjitske Jansen en de martelgang van moeilijke jeugd

Tjitske Jansen was de verrassende winnaar van de Anna Bijns Prijs 2009. Ze kreeg onderscheiding voor haar gedichtenbundel ‘Koerikoeloem’, waarin ze de martelgang van een moeilijke jeugd beschrijft. (meer…)

J.M.Coetzee: schuw, verlegen en omstreden

De Zuid-Afrikaanse schrijver J.M.Coetzee (1940, Kaapstad), wiens oeuvre in oktober 2003 door de Zweedse Academie is bekroond met de Nobelprijs voor literatuur, is geen lachebekje. (meer…)

Willem Brakman – Schrijven op het kompas van de verbeelding

Willem Brakman (1922-2008) debuteerde betrekkelijk laat op 39-jarige leeftijd. Vervolgens werd hij een productief schrijver van romans vol elegant en barok proza, alsof hij de ‘verloren’ jaren moest inhalen. (meer…)

Sacha Bulthuis, een actrice die diep kon ontroeren

Sacha Bulthuis (1948-2009) was een van de beste Nederlandse toneelspeelsters van deze tijd. Van elke rol wist ze iets bijzonders te maken. Ze was een actrice die een voorstelling kon drágen. (meer…)

Maarten Biesheuvel en de bezweringen van een angstkunstenaar

,,Verbaasd, verwonderd, verbijsterd ga ik door het leven.’’ Het is een treffend citaat uit het verhaal ‘Reis door mijn kamer’ uit 1984 van de schrijver Maarten Biesheuvel (Schiedam, 1939), aan wie de P.C.Hooftprijs voor 2007 is toegekend. (meer…)

Simon Vinkenoog: Een oude jongen met ongeremde levenslust

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter, schrijver, journalist en daarnaast een moderne sjamaan met een ongeremde levenslust. Maar hij zal vooral de geschiedenis ingaan als de pleitbezorger van de Vijftigers.  Vinkenoog genoot van elke dag, ,,omdat ik weet hoe kwetsbaar het leven is’’. (meer…)

Schrijversportretten van Siegfried Woldhek: Nootebooms kop als een landkaart

Harry Mulisch zit als een god te dobbelen. Het opgeblazen gezicht van A.F.Th. van der Heijden schiet als een donderwolk onder het plaveisel vandaan terwijl zijn romans hem als straatklinkers om de oren vliegen. Gerard Reve wordt gewiegd door de Heilige Maagd terwijl de Meedogenloze Jongen naakt en vroom voor beiden neerknielt. (meer…)

Charlotte Mutsaers: de grillige fantasie van een nachtzwaluw

Het is bij Charlotte Mutsaers (1942) alles of niets. De excentrieke schrijfster, bekroond met de P.C. Hooft-prijs 2010 voor haar verhalend proza, is een multitalent. Ze schrijft en schildert, bespeelt de accordeon en beschikt over talloze andere opmerkelijke talenten. (meer…)

Tomas Tranströmer: een ober die iedereen tegelijk bedient

Dat de Zweed Tomas Tranströmer in 2011 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg, ’s werelds belangrijkste literaire onderscheiding, kwam als een verrassing. (meer…)

H.J.A. Hofland: een jongensachtige senior

Henk Hofland staat te boek als de nestor van de Nederlandse journalistiek. Op de drempel van het nieuwe millennium werd hij al gebombardeerd tot de Journalist van de Eeuw. (meer…)

Judith Herzberg: versluierende omwegen

Judith Herzberg (1934) is een van de meest gelezen Nederlandse dichters. Een publiciteitsschuwe persoonlijkheid wier poëzie en toneelwerk niet los van elkaar te zien zijn. Vriend Frans Weisz: ‘Ik begrijp wel waarom ze soms lastig is.’ (meer…)

Arnon Grunberg: arrogante pestkop of aardige vent

Voor de een is hij een arrogante pestkop, voor de ander een aardige vent zonder kapsones. Maar wie zijn bezwaren tegen de persoon opzij zet, moet erkennen dat Arnon Grunberg een uitzonderlijk schrijver is. (meer…)

Mo Yan: rauw, zintuiglijk en magisch

Voor menigeen is de nieuwe winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur, Mo Yan, een grote onbekende. Alsof de Zweedse Academie die de prijzen verdeelt, het zoveelste konijn uit de hoge hoed heeft getoverd. (meer…)

UA-37394075-1